+ Meer informatie

De tweede kerkdienst: wat zegt de geschiedenis ervan?

8 minuten leestijd

Hoe komen we eigenlijk aan het gebruik om op de zondag twee diensten te houden? Is dat in de geschiedenis altijd zo geweest? Kerkhistorisch gezien zijn dat twee vragen die minder makkelijk te beantwoorden zijn dan vaak wordt gedacht. Het hangt er ook een beetje van af wat voor dienst men precies bedoelt. Wordt daarmee de in Nederland zo bekende catechismusdienst bedoeld of - wat tegenwoordig ook vaak voorkomt - een tweede dienst die veel overeenkomst vertoont met de morgendienst, zij het dat er een andere tekst centraal staat en het psalmbord een andere liturgie laat zien?

Reformatie

Het gebruik om meerdere kerkdiensten op een zondag te houden stamt op zichzelf al uit de vroege 16e-eeuwse Reformatie. Aan de bewaard gebleven preken van Martin Luther (1483-1546) is te zien dat er in Wittenberg op zondag niet alleen ‘s morgens, maar ook in de middag of avond een dienst werd belegd. Er werd toen trouwens ook elke werkdag een dienst gehouden, meestal vroeg in de morgen, zodat men naar de kerk kon gaan voor men aan het werk ging. Dat de kerkdienst in de plaats van de oude misviering kwam, speelt hierin zeker mee. Ook in het Genève van Johannes Calvijn (1509-1564) werden op zondag meerdere diensten gehouden: in de drie plaatselijke kerken elk vier diensten, twee in de morgen en twee in de middag. De grote toeloop maakte dit noodzakelijk. De diensten hadden echter niet allemaal hetzelfde karakter. Calvijn maakte enig onderscheid tussen de morgendienst en de andere diensten. De morgendienst was duidelijk de hoofddienst. Woordverkondiging en bediening van de sacramenten stonden hierin centraal. Voor de andere samenkomsten op de zondag hanteerde Calvijn geen vaste liturgie. Mogelijk zijn het bijeenkomsten geweest die meer het karakter hadden van een Bijbelstudie, maar helemaal zeker is dat niet.

Net als Luther preekte ook Calvijn niet uit een catechismus. Dat had op zichzelf nog best gekund, want zowel Luther als Calvijn schreven zelf een catechismus, maar die waren toch vooral bedoeld voor het geloofsonderricht aan de jeugd. Daarvoor ruimde Calvijn op de zondag overigens wel een samenkomst in. Tijdens de dienst van 12.00 uur verzorgde de kerk het catecheseonderwijs en werden de kinderen verwacht. Ze mochten hun ouders en onderwijzers meenemen.

Duidelijk is wel, dat zowel de situatie in Wittenberg als die in Genève zich niet één op één laat vergelijken met de situatie zoals die in Nederland gegroeid is.

Heidelbergse Catechismus

De Nederlandse ontwikkeling van de tweede dienst heeft alles te maken met de verschijning van de Heidelbergse Catechismus in 1563. In de Pfalz, de geboortegrond van de Catechismus, was men vanaf het begin doordrongen van de grote betekenis van deze geloofsleer en het onderwijs daarin. Daarom bepaalde de kerkorde die in datzelfde jaar in Heidelberg verscheen al meteen, dat er in de zondagmiddagdienst aandacht besteed diende te worden aan het onderwijs in de Heidelbergse Catechismus. Voorgeschreven werd, dat de predikant in één jaar de hele Catechismus zou behandelen. De indeling in 52 zondagen was daar immers ook helemaal op gericht. Petrus Datheen (1531-1588) heeft ervoor gezorgd dat deze Duitse Catechismus ook in de Nederlanden bekend werd. Hij was predikant van de Nederlandse vluchtelingengemeente in Frankenthal, vertaalde de Catechismus daarom in het Nederlands en nam die achterin zijn bundel met Psalmberijmingen op.

Langzamerhand kwam de catechismuspreek in Nederland in gebruik. Mogelijk hebben contacten met de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen daarin ook een rol gespeeld. Daar was men al langer gewend om tijdens de kerkdienst ook het geloofsonderricht een plek te geven. In Nederland werd de catechismusprediking vanaf 1573 door meerdere provinciale en nationale synodes voorgeschreven. In 1578 was Datheen zelf voorzitter van de nationale synode van Dordrecht, die het belang van het zondagse catechismusonderricht nog maar eens onderstreepte.

Dordrecht 1618-1619

De daarna nog vaak herhaalde synodale oproepen om ernst te maken met de catechismusprediking geven aan, dat de praktijk hier en daar weerbarstig bleek en ook bleef. De bekende Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619) constateerde zo’n drie decennia later dat het met de tweede dienst en de catechismuspreek niet best gesteld was. Er waren zelfs predikanten die weigerden nog langer catechismuspreken te maken vanwege de lage opkomst in de middagdienst. Soms bleek alleen het eigen gezin bereid de dienst te bezoeken. Ook waren er klachten dat veel gemeenteleden weliswaar ‘s morgens de kerkdienst bezochten, maar in de middag elders vertier zochten, hetzij in de herberg of de kroeg, hetzij ergens buiten de stad. Sport en spel (“kaetsen, balslaen”) trokken meer dan de middagpreek.

De synode van Dordt heeft in dit opzicht de touwtjes stevig aangetrokken. In de Acta staat opgetekend:

“Alle predikanten, niet alleen in de steden maar ook op alle dorpen, zullen ernstig en onder zware kerkelijke censuur worden belast, dat men op de zondagen des namiddags altijd catechismus-prediking zal doen…”.

Daarbij werd nog maar eens benadrukt dat elk jaar de gehele Catechismus diende te passeren. Bleef de predikant in dit alles in gebreke, dan was hij in principe censurabel. Dit gold overigens ook van de gemeenteleden die, hoewel ze belijdend lid waren, “de namiddagse predikatiën weigeren te bezoeken en hun gezinnen daartoe te brengen”. De opkomst van het kerkvolk bij de catechismusdiensten liet dus veel te wensen over. Maar de synode stelde:

“dat deze namiddagpredikatiën om de weinigheid der toehoorders, die in sommige dorpen zoude mogen voorgewend worden, niet zullen mogen verzuimd of nagelaten worden, al is het dat de predikanten in ‘t eerst voor weinige toehoorders, ja maar alleen voor hun gezinnen zouden moeten prediken…”.

Een klein aantal toehoorders kon dus volgens de synode geen reden zijn de namiddagdienst - en daarmee het catechismusonderwijs - te staken. Van de gelovige volharding van de predikant werd in dit opzicht veel verwacht, omdat

“… zonder twijfel, indien de herders met het voorbeeld van hun gezinnen voorgaan, en de anderen, bijzonder die de gereformeerde religie toegedaan zijn, naarstig vermanen, mettertijd velen genoeg tot de predikatiën zullen komen”.

Geloofskennis

Pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw lijkt de catechismusdienst algemeen in gebruik gekomen en verbetert de opkomst ook op het platteland. Was de catechese aan de kinderen aanvankelijk nog een onderdeel van deze dienst (er werd zelfs overhoord!), na de Dordtse synode werd daarvoor steeds meer een aparte gelegenheid gezocht.

De ernst waarmee in vroeger eeuwen werd aangedrongen op het bezoeken van de middagdienst en dus de catechismuspreek, had natuurlijk alles te maken met de schrikbarende onkunde die men onder de leden van de gemeente constateerde. In de 16e eeuw was dit nog een uitvloeisel van de voor-reformatorische periode, waarin leken de kennis van de Bijbel en de geloofsleer werd onthouden en alleen de geestelijkheid verondersteld werd daarvan enige kennis te hebben. In later tijd gingen andere zaken eveneens meespelen. Laksheid en de wens zich op zondagmiddag elders te willen ontspannen in plaats van geschoold te worden in “de leer der zaligheid” bleken nogal eens de reden waarom in een gemeente de geloofskennis maar moeizaam toenam, de trouwe kerkleden niet te na gesproken. Toch heeft de tweede kerkdienst ook goede tijden gekend. Tot ver in de 20e eeuw was het voor velen vanzelfsprekend niet alleen ‘s morgens maar ook ‘s middags naar de kerk te gaan. Zoals het ook voor predikanten vanzelfsprekend was in de middagdiensten aandacht te besteden aan de geloofsleer, of dat nu de Heidelbergse Catechismus was of één van de andere twee belijdenisgeschriften. Er zijn vele, vele boeken vol geschreven met verklaringen van de Catechismus, veelal uitwerkingen van gehouden preken of juist geschreven om bij het maken van catechismuspreken behulpzaam te zijn.

En nu?

Algemeen wordt in onze tijd geconstateerd dat de middagdienst onder druk staat. De opkomst loopt terug. Is het daarom dat middagdiensten soms zo van karakter en inhoud veranderen, op specifieke doelgroepen worden afgestemd of breed-missionair worden opgezet? Is het terecht om daarvan verbetering te verwachten? En hoe zal op de langere termijn de geloofskennis in de gemeente er dan voorstaan?

We leven inmiddels enkele eeuwen later dan de synode van Dordrecht en de inzichten omtrent het overdragen van kennis zijn veranderd. Ook staan ons modernere middelen ter beschikking om zowel jeugd als volwassenen de geloofsleer op een didactisch verantwoorde manier over te brengen. Maar staan we er wat onze kennis betreft zoveel beter voor? Er lijkt veel voor te zeggen om ons tot het uiterste te blijven inspannen voor de instandhouding van het onderricht in wat ons al sinds eeuwen als Schriftuurlijk en dierbaar geloofsgoed is overgeleverd. Valt de middagdienst weg of wordt deze anders ingevuld, dan zal men zich toch rekenschap moeten geven van de vraag hoe nu verder de leerfunctie van de kerk gestalte te geven. Wellicht moeten we wat meer Dordtse volharding en hoopvolle verwachting tonen, waarbij we uiteraard niet hoeven voorbij te zien aan de tijd waarin we leven. Dat heeft de Synode van Dordrecht ook niet gedaan. Helder en klaar formuleerde men in de Acta waarop de predikant inzake de catechismuspreek diende te letten:

“De herders zullen de catechismuspredikatiën op die wijze inrichten, dat zij zowel de kortheid betrachten en tegelijk ook de duidelijkheid, en kunnen tonen, dat zij rekening gehouden hebben niet slechts met de ouderen, maar ook met de onkundiger en tedere jeugd”.

Ziedaar een tip uit het verleden die nog altijd goed bruikbaar is. Weliswaar gericht aan de predikanten, maar in feite van toepassing op een ieder die zich in de gemeente inspant voor het catechetisch onderwijs, of dit nu tijdens de middagdienst plaatsheeft of later in de week.

Conclusie

Wat die middagdienst betreft kan op grond van de historie de conclusie duidelijk zijn: in de gereformeerde traditie is de middagdienst vrijwel vanaf het begin verbonden geweest met het onderricht in de geloofsleer. Wordt die band verbroken, dan zal de geloofskennis daarvan schade ondervinden.

Drs. Boerke is universitair docent (Nederlandse) kerkgeschiedenis aan de TUA en secretaris van het deputaatschap kerkelijke archieven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.