+ Meer informatie

De kerkeraad en de jonge dominee 2

7 minuten leestijd

Er zijn tijden geweest in onze kerken dat dit onderling toezicht van de ambtsdragers op elkaar veinig aandacht kreeg. Er is nu in dit opzicht wel iets aan het veranderen al is dat hier en daar nog wel moeilijk. Van verschillende kanten, waar dit groeit, hoor ik voldoening over deze rijke mogelijkheid tot opbouw in broederlijke zin tot de ambtelijke arbeid. Uiteraard zijn hierbij ook vragen. Een enkele geven wij enige aandacht:

Gevoelige en tere zaak

Een van de gevoelige punten in dit toezicht-houden-op-elkaar ligt in het feit dat men dit bespreken van deze zaken die het ambtelijke werk raken, opgevat wordt als een aantasten van elkaars persoonlijkheid. Het dient door ieder diep beseft te worden dat dit niet de zaak is. Dreigt dit gevaar de sfeer te bederven, dan zal men zich hebben te oefenen in zelfverloochening. Het gaat niet om een beschuldiging waartegenover een zichzelfhandhavende verdediging geplaatst moet worden. Er is altijd groot verschil tussen een debat en een broederlijk gesprek. En dit laatste is nodig.

Vervolgens is er het gevaar dat men al te persoonlijke meningen telkens naar voren wil brengen en daaraan vasthouden. Soms raakt dit dingen die het wezen van de zaak niet raken. Er zijn in de loop der tijden bepaalde veranderingen, die punten van wrijving kunnen geven, terwijl dit toch niet nodig is. Het is goed allen voor ogen te houden wat het apostolisch vermaan door de Heilige Geest zegt, bijvoorbeeld in Romeinen 15: 1-13 en Galaten 5: 13-26. Ook een gevaar is dat één persoon altijd het woord voert, wanneer dingen die het opzicht over elkaar raken, aan de orde komen. Andere broeders moeten (mogen) dan niet instemmend of afkeurend zwijgen. In het onderling toezicht heeft elk eigen verantwoordelijkheid te dragen. Wat vooral dient beseft te worden bij dit onderling toezicht, dat het niet gaat om mening eens scherp tegenover mening te stellen. Het gaat om het gezag van het Woord Gods, waaronder allen moeten buigen. Ook heeft de belijdenis van de kerk als richtsnoer voor de erkenning aan het Woord Gods haar betekenis, terwijl tenslotte de geestelijke behoefte en welstand van de gemeente het doel is in het opzicht over elkaars werk.

Wij zijn er als ambtsdragers in de gemeente Gods om de welstand van de kudde waarover de Opperherder ons gesteld heeft.

Het punt van de prediking.

Wanneer komt de prediking van de jonge dominee in de kerkeraad ter sprake? Het komt mij voor dat men dit niet moet doen ná de preek in de consistorie. Niet dat dan niets over de preek gezegd mag worden. Wordt er na de preek gezwegen als het graf, dan kan dat ook veelzeggend zijn maar het is niet de manier. Wordt er iets gezegd, laat dat in algemene zin of in de persoonlijke sfeer blijven; dat kan soms verkwikkend zijn. Soms kan een ouderling behoefte hebben over de preek met de dominee eens te praten; hij weet de weg naar de pastorie. Maar men moet altijd goed voor ogen houden, dat het samenzijn van de dienstdoende ambtsdragers vóór of ná de preek géén vergadering van de kerkeraad is.

Heeft men een afzonderlijke vergadering van de ouderlingen met de predikant, de zogenaamde ”smalle kerkeraad”, dan is dat de eerst aangewezen gelegenheid om over de prediking te spreken. Dit is toch de vergadering waar vooral de arbeid door de ouderlingen in de gemeente ter sprake komt. Hier doet de predikant verslag van wat hij in de gemeente gedaan heeft, evenals de ouderlingen dit ook doen. Moet de prediking een vast punt op de agenda van de smalle vergadering zijn? Dit lijkt me niet gewenst. Er is op deze vergadering vaak spontaan, naar aanleiding van de verslagen, gelegenheid genoeg om over de prediking te spTeken.

Men zal er voor moeten waken dat er geen bijzondere spanning komt in de vergadering wanneer het punt ”preprediking ter sprake komt. Wanneer de prediking ter sprake komt, moet men deze niet los zien van alle andere taken van de predikant. Het preken staat in nauw verband met alle andere arbeid. Alle taken van de predikant befhvloeden elkaar wederkerig. Onze jonge predikanten hebben een degelijke opleiding gehad, waarbij zij ingeleid zijn in de hoofdzaken van hun toekomstige ambtelijke arbeid. De opleiding kan hen echter niet de praktische beoefening van de ambtelijke taak leren.

Wanneer zij zich volkomen geven aan hun taken, zal ook hier gelden: ”al doende leert men”.

De kerkeraad heeft toe te zien dat de dominee niet een bepaald onderdeel van zijn taak en wat hij het moeilijkst vindt, verwaarloost. Is dat het geval dan moet dit open en eerlijk besproken worden. Over het algemeen zijn de gemeenten die een beginnend predikant ontvangen, niet zo groot dat bij een goede tijdsindeling en -besteding het werk niet overzien kan worden. Orde in het werk is altijd een eerste vereiste. Uiteraard zal in de praktijk blijken dat elke jonge predikant niet de grootste begaafdheid heeft voor alle taken van zijn werk. Dat kan in het leven van de jonge predikant wel eens een moeilijke strijd geven. De kerkeraad moet daarvoor oog hebben en met zijn wijsheid dit opvangen en hieraan leiding geven. Wat de prediking betreft, is er de mogelijkheid dat een pas beginnend predikant eenzijdig is in de keuze van zijn preekstof. Hij moet leren dat er ”melk” en ”vaste spijs” voor de gemeente nodig is en dienovereenkomstig het Woord ”bedienen”. Het evenwicht tussen de verschillende accenten van de Heilige Schrift dient tot zijn recht te komen. Vandaag valt door een bepaalde manier van denken gemakkelijk de nadruk op wat de mens doen moet. Men vergeet dan gemakkelijk dat wat bijvoorbeeld het Nieuwe Testament aan vermaningen geeft dit gegrond is en vrucht is van Gods werk aan en in de mens. Wie dit uit het oog verliest, verkondigt niet op de juiste wijze het heil des Heren en geeft geen goede geestelijke leiding. Het gevaar dreigt vandaag dat een algemene christelijke religieusiteit de plaats inneemt van de vreze des Heren.

Er is een dubbele werkelijkheid ook in de kerk: enerzijds de werkelijkheid van de gevallen mens en al zijn gemis, onwetendheid en afkerigheid, zoals de Schrift die tekent, en anderzijds de werkelijkheid van de eenzijdige genade Gods met alle leiding en onderwijzing Gods, die daarin beloofd is en gegeven wordt.

Het gaat er niet om hier alle accenten van een prediking, die geestelijke leiding naar de Schriften is, te doen zien. God de Here vraagt om een bediening van Zijn Woord waarin Hij alle zaken ons openbaart, door te geven in de gemeente.

Moeilijk voor de ouderlingen

Het is begrijpelijk dat vooral de ouderlingen zich afvragen of zij wel in staat zijn op de juiste wijze dit opzicht en toezicht te oefenen. Er is voor en na in de geschiedenis nogal eens geklaagd dat de ouderlingen tekort schoten in hun taak in dezen, omdat het hun ontbrak aan het inzicht en de wijsheid in deze zaak. Ik denk hier, om een paar namen te noemen, aan het werk van ds. Jakobus Koelman uit de 17e eeuw ”Het ambt ende plichten der ouderlingen en diakenen”, en het werkje van ds. L. van Renesse uit de 18e eeuw ”Verhandeling over het regeerouderüngschap in de Gereformeerde Kerk”. Over vele anderen zwijg ik maar.

Blijkens het bevestigingsformulier voor ouderlingen en diakenen, waaruit ik in het voorgaande reeds aanhaalde de plicnt der ouderlingen, zijn de opstellers zich ook de moeilijkheid van die taak bewust geweest, als zij zeggen: ”Daarom dienen zij Gods Woord te onderzoeken en zich gedurig te oefenen in de overdenking van de verborgenheden des geloofs”.

Geen wonder dat voor en na de vraag opgekomen is of vooral de ouderlingen een soort opleiding nodig hebben voor hun taak. Dit is echter een andere zaak die wij hier laten rusten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.