+ Meer informatie

“BEKNOPTE GEREFORMEERDE DOGMATIEK” *)

11 minuten leestijd

Op enkele weken na was de eeuw na de ‘Vereniging van 1892’ en de ‘herleving’ van de Chr. Geref. Kerk in dat jaar verstreken, toen het boek verscheen waarop we graag uw aandacht vestigen: de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek van de hand van de hoogleraren Van Genderen en Velema, verbonden aaan de theologische opleiding van die kerk(en). Met zeker recht kan m.i. gesteld worden dat dit werk de eerste ‘dogmatiek’ is die in de afgescheiden kerken het licht ziet. Natuurlijk zijn er sinds 1834 resp. 1892 vele, vele werken en werkjes op dogmatisch gebied door ehr.geref. auteurs uitgegeven, waaronder zeer waardevolle. Maar een complete dogmatiek, die de totale geloofsleer aan de orde stelt op een wijze die de benaming ‘dogmatiek’ waard is, bestond tot nu toe niet op het afgescheiden erf. Hoogstens kon verwezen worden naar boekjes op catechetisch niveau als bijv. van wijlen ds. J. Jongeleen (Lesboek over de Gereformeerde Geloofsleer). Uiteraard, dat niveau heeft haar eigen waarde en haar eigen betekenis. Voortgaande en diepergaande bezinning vraagt meer, niet het minst voor wie bij de strijd der geesten wordt betrokken op theologisch en kerkelijk terrein.

Deze betrokkenheid geldt niet in de laatste plaats hen die theologisch opgeleid worden resp. zijn, en die de bedoelde strijd niet kunnen ontgaan. In vroeger jaren is veelszins het oude werk van ds. Aegidius Francken Kern der Christelijke leer gebruikt en voorts ‘leentjebuur’ gespeeld, waarbij zeker de bekende Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck genoemd moet worden, alsmede het (oudere) Leesboek over de Gereformeerde Geloofsleer van dr. H.E. Gravemeyer. Uit de aard van de zaak gaven de betrokken hoogleraren hun commentaren en aantekeningen, die op de duur van de éne generale Studenten aan de andere werden doorgegeven. Studenten die over een schrijfmachine beschikten, tikten de ‘dictaten’ over en vervaardigden zoveel mogelijk doorslagen ten bate van hun medestudenten (er is zo zelfs over ‘editie’ gesproken!). Toen deze dienstverlening in het laatst van Wereldoorlog II en vlak daarna niet meer mogelijk was, werden deze dictaten gestencild. Zo verscheen eind 1947 het dictaat Dogmatiek van prof. Van der Schuit bij de Eerste Apeldoornsche Schrijfkamer, uiteraard in een zeer beperkte oplage. Ook al droeg prof. Van der Schuit natuurlijk geen enkele verantwoordelijkheid voor de uitgave - in een Post Scriptum heeft ondergetekende die deze Dogmatiek voor de Schrijfkamer gereedmaakte, dit nader toegelicht -, toch is aan deze uitgave de waarde niet te ontzeggen dat een Apeldoornse dogmaticus in deze ‘publikatie’ een in zekere zin complete dogmatiek heeft geboden, hoewel uitermate ‘beknopt’ (toch nog 369 bladzijden). Hopelijk wordt nog eens de dogmatische betekenis van prof. Van der Schuit voor de confessioneel-dogmatische positie van onze kerken nader onderzocht en beschreven! Kan niet gesteld worden dat hij ruim drie decennia het dogmatisch gelaat van onze kerken min of meer heeft bepaald?

Nu Iigt dan vijfenveertig jaar na de eerste aanzet dit werk voor ons van de beide leerlingen èn opvolgers - de één geheel de ander ten dele - van prof. Van der Schuit. In bewuste, in de eigen tijd beleefde positie maar geheel in zijn lijn hebben zij contouren en details van dat dogmatisch beeld breder geschetst, al bleef het volgens de titel die zij aan hun werk meegaven, ‘beknopt’. Onwillekeurig zal menige lezer bij het woord ‘beknopt’ even opkijken als hij constateert dat dit boek 829 bladzijden telt. De schrijvers zullen zeker niet bedoelen dat de betekenis van dat woord bijgesteld moet worden. Zou er niet mee bedoeld zijn dat volledigheid - gesteld dat deze bereikbaar zou zijn - praktisch niet haalbaar is omdat inhoudelijk de stof zó omvangrijk is dat beperking niet te vermijden is? Moge vanuit een (vak)dogmatische invalshoek terecht van ‘beknopt’ gesproken kunnen worden, in de noodzakelijke beperking tonen zij zich meesters: de bezinning op ‘het centrale en essentiële van de bijbelse boodschap’ met het daaraan verbonden analyseren, argumenteren en expliceren (aldus over dogma en dogmatiek, blz. 21) is allerminst onvolledig en onduidelijk. Natuurlijk is er zowel vanuit de oudere als vanuit de nieuwere theologie meer aan de orde te stellen, maar binnen de gestelde omvang is de ‘gereformeerde dogmatiek’ op een verantwoorde en veelszins boeiende wijze weergegeven zó dat werkelijk inzicht wordt geboden, interessant ook als neerslag van wat de beide auteurs enkele decennia lang aan de verschillende studentengeneraties hebben meegegeven.

Bij de presentatie van het boek (op 21 april jl.) is meegedeeld dat er drie jaar aan dit boek is gewerkt. Zonder de tot stand gekomen coöperatie zou het nog enige tijd geduurd hebben vóór het boek had kunnen verschijnen. Het is natuurlijk volkomen speculatief om je voor te stellen hoe zo’n dogmatiek eruit zou zien als elke auteur zelf alleen zo’n boek had geschreven. Het resultaat zou zonder twijfel erg interessant en boeiend zijn geweest: even kijken wat de ander ervan zegt en hoe hij het zegt! Want er zijn natuurlijk verschillen in aanpak, stijl enz. maar die verschillen zijn niet van die aard en in elk geval niet zo essentieel dat de eenheid van het werk erdoor geschaad is. Prof. Van Genderen schreef twaalf van de vijftien hoofdstukken en prof. Velema nam er drie voor zijn rekening. Binnen het bestek van dit artikel is het niet mogelijk uitvoerig op de inhoud van deze hoofdstukken in te gaan. De inhoudsopgave - die als een kaart kan dienen om het land te verkennen - vermeldt wel de hoofdparagrafen, maar niet de subparagrafen, laat staan verdere verdeling. Wat de hoofdstukken betreft schreef prof. Van Genderen na de inleiding over: de openbaring; de Heilige Schrift; over God; de raad van God; God. de Schepper van hemel en aarde; Gods voorzienigheid; Christus, de Middelaar; het genadeverbond; de kerk; de middelen der genade; de eschatologie (I-VII, X, XI, XIII-XV). Prof. Velema behandelde: de mens het beeld van God; over de zonde: de leer van het heil (VIII, IX, XII - in totaal een 200 bladzijden). Deze opzet en werkverdeling frustreren de eenheid van het boek niet; af en toe dient onderlinge verwijzing bovendien deze eenheid.

Enkele jaren geleden Steide prof. Van Genderen bij de bespreking van een dogmatisch werk in ons blad dat elke dogmaticus een ‘kwetsbare positie’ inneemt, wanneer hij zich ‘in deze tijd’ waagt ‘aan een dogmatiek, die een confessioneel-gereformeerd karakter draagt’ (AC ‘88, 230). Of hij - ongeveer in ’88 begonnen met het boek - het een waagstuk heeft gevonden om eraan te beginnen? En zichzelf in een ‘kwetsbare positie’ voelde manoeuvreren? In elk geval zich bewust aansluitend aan en baserend op Schrift en confessie kan weerbaarheid beide schrijvers niet ontzegd worden. Het is natuurlijk niemand onzer ontgaan - de geschiedenis van de Chr.Geref. Kerken sinds 1834 en sinds 1892 zowel in ontstaan als in voortbestaan geven er overvloedig getuigenis van - dat óók in onze tijd velen eropuit zijn die Schrift en die belijdenis te kwetsen en dat niemand die voor zijn kerk en voor zijn werk dat ‘karakter’ vasthoudt, de kwetsuren ontloopt. Uit heel het boek blijkt overduidelijk dat het hun een levenskwestie was om dat karakter vast te houden. Maar zij hebben zich daarin niet teruggetrokken alsof het een zware bunker was waarin zij zich onkwetsbaar zouden kunnen wanen zodat zij vanuit die bunker vrijuit agressief zouden kunnen opereren. Integendeel, zij schuwen de open confrontatie niet ‘altijd bereid tot verantwoording’, maar zich werend ‘met zachtmoedigheid en vreze’ (1 Petr. 3:15) oftewel - om zo te zeggen - met geduld en met ruimte en respect voor de ander. Dan blijkt bijvoorbeeld dat, wanneer - herhaaldelijk - de bekende Karl Barth ter sprake wordt gebracht, zoals te verwachten is, doorgaans zonder veel instemming, dit niet betekent dat er nooit ofte nimmer een instemmend woord ten opzichte van Barth afkan (423, 440). Of omgekeerd: Bavinck alsook veel oudere gereformeerde theologie wordt over bijna heel de linie met veel instemming aangehaald, maar desondanks ontbreekt de kritische noot niet (163, 278). Zo is nuchter, overtuigd en eerlijk positie gekozen in de confessioneel-gereformeerde traditie - alle kwetsbaarheid inbegrepen -, cordiaal betrokken bij die traditie en bereid tot ‘verantwoording’ overeenkomstig het confessioneel-gereformeerde karakter van hun werk.

Wat dan ook van hoofdstuk tot hoofdstuk en van paragraaf tot paragraaf treft, is het constante beroep dat op de Schrift wordt gedaan, de voortdurend bewust gehouden opzet om vóór alles Gods Woord aan het woord te laten, het eerste en het laatste woord te geven. God stelt de woorden ons ter beschikking in de genade van Zijn openbaring (134), past Zich in Zijn openbaring aan bij ons bevattingsvermogen (41), situatiegebonden als wij nu eenmaal de eeuwen door zijn (99v.). Daarom mogen wij ons niet door vooropgezette ideeën noch door dominerende theologische opvattingen laten leiden (105). Er wordt wel eens heel laatdunkend over het dogma gesproken, als saai en doods, iets voor ‘hete hoofden en koude harten’ enz. Maar wie deze dogmatiek doorwerkt, zal ontdekken dat het dogma zelf allerminst saai en doods is - hoogstens de mensen die ermee omgaan. Luisterend naar wat de Here openbaarde, pogend dàt né te zeggen, is het in wezen een lofzang, een lied van aanbidding en dankzegging (28), dat tot ontroering kan brengen (198). Mensen kunnen er scholastisch en speculatief mee omgaan, willen immers zelf het eerste en het laatste woord hebben en dan besterft elke lofzang. Het dogma komt op uit de Schrift, de levende Schrift. Daarvan getuigt bijna elke bladzijde van dit boek. De schrijvers geven zich allereerst en voortdurend rekenschap van de Schriftgebondenheid waaraan zij zich van harte gewonnen geven, zich tevens bewust dat de theologische bezinning niet kan volstaan met het aanhalen van bijbelteksten (163). De verklaring, de exegese van de Schrift is dan uit de aard van de zaak van grote betekenis, maar doorslaggevend is wel het buigen voor de Schrift. Van een uitfilteren van de Bijbel om een residu over te houden dat in de eigen kraam te pas komt, willen zij beslist niet weten. Tegenover de waan dat de mens autonoom - zichzelf ten wet - is en dus onbevooroordeeld zijn wetenschap, dus ook de dogmatiek kan beoefenen - overigens naïef zelfbedrog -, baseren zij zich op het Woord van God, de bijbelse boodschap, willens en wetens bevooroordeeld (zou het werkelijk wetenschappelijk zijn zich de eigen, onvermijdelijke vooroordelen niet bewust te zijn en er zich geen rekenschap van te geven?). De Bijbel is Gods Woord tot ons en niet slechts een historische bron van religieuze tradities. De gereformeerde visie dat de souvereiniteit van God de souvereiniteit van het Woord dat Hij tot ons richt, impliceert - met een gezag derhalve dat niet afhankelijk is van menselijke instemming -, wordt uit voile overtuiging gedeeld: sola Scriptura!

Voor iemand die het ‘sola Scriptura’ van de Reformatie niet (meer) deelt, zal de gekozen positie inderdaad kwetsbaar zijn, maar de schrijvers deert diè kwetsbaarheid niet, trouw als zij begeren te zijn aan de confessie. Zeker, ook de confessie wordt meegetrokken in het devaluatieproces waarin het Schriftgezag in brede kringen ten prooi is gevallen (en omgekeerd). Het tweede dat nu treft in deze dogmatiek, is wel de trouw aan de gereformeerde confessie. Vele dogmatici en dogmatisch geïnteresseerden zullen dat een kwetsbare zaak vinden en op z’n minst achterhaald. ‘In deze tijd’ van een voortwoekerende individualisering waardoor elke geméénschap op de duur teloorgaat, is het besef uitgesleten dat de confessie de kerkelijke gestalle is waarin de dogma’s onder beroep op Gods Woord worden doorgegeven en als zodanig normatieve waarde hebben. In de gemeenschap van de kerk waarin het Woord wordt ontvangen en door de Heilige Geest de bezinning op dat Woord gaande is geworden, waren om welke reden dan ook kerkelijke uitspraken omtrent bepaalde punten, kwesties etc. niet te vermijden, uitspraken die - als weergave van de waarheid in Gods Woord geopenbaard en bedoeld als afweer tegen dwaalleer die daarmee in strijd is -, die gemeenschap dienden en willen dienen. Terwijl op het eens zo door en door gerefor-meerde erf tallozen de binding aan de belijdenis aan hun (wetenschappelijke en kerkelijke) laars lappen en daarmee de (ambtelijke) trouw jegens God, Zijn Woord en de (kerk)naaste loochenen, is de doorgaande en bewust vastgehouden lijn in deze dogmatiek de trouw aan de gereformeerde belijdenis, aan het (kerk)verbond dat daarin besloten ligt. Natuurlijk betekent dat een kritische instelling ten opzichte van theologen als Kuitert, Wiersinga, Berkhof, enz. enz., overigens zonder ooit door eenzijdigheid of laatdunkendheid te kwetsen.

Tenslotte: een derde karakteristiek niet los van het ‘confessioneel-gereformeerde karakter’ - is wel de pastorale ondertoon. Let wel: per se niet een opgelegde, alles doordringende bóventoon van opdringerige stichtelijkheid. Maar telkens blijkt weer in deze dogmatiek dat de pastor niet aan de dogmaticus is opgeofferd! Het is verleidelijk -trouwens ook bij het voorgaande - om dit met citaten aan te geven. Maar: lees dit boek zelf (een bijingebonden leeslint kan helpen de laatstgelezen bladzijde terug te vinden!). Bestudeer ook als ambtsdragers samen dit boek. Het zal u zelf en uw werk verrijken. En ook als er hier en daar enige kritische vragen en opmerkingen mogelijk zijn (onder ons wordt altijd wel iets ‘gemist’!), het inzicht in de gereformeerde geloofsleer dat geboden wordt, stemt tot dankbaarheid!

*) Dr. J. van Genderen en dr. W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek. Uitg. Kok, Kampen. 829 blz. f 97, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.