+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

6 minuten leestijd

73.

HET GENADEVERBOND (vervolg)

„En een iegelijk wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden, en wie men veel vertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen”. Dit lezen we in Lukas 12 : 48.

Ontroerend woord van Christus.

Ook ons is veel gegeven. De Heere gaf Zijn Woord en ook een zuivere betrouwbare vertaling van Zijn Woord in onze Statenvertaling, door godvruchtige mannen bewerkt en die met zeer veel licht van de Heilige Geest waren bedeeld.

In de Bijbel zijn Gods heilrijke beloften geopenbaard en door het Evangelie der zaligheid, het Evangelie van vrije genade, komt de Heere tot ons met de welmenende nodiging, dat Hij geen lust heeft in de dood van de zondaar, maar in zijn behoud en bekering.

En wat wij nooit uit en van onszelf kunnen bewerken, gezien we „dood zijn in de zonden en misdaden” volgens Efeze 2, wil de Heere uit genade schenken.

Daarbij heeft de Heere naast Zijn Woord ons doen nalaten waardevolle geschriften, namelijk die van onze oudvaders, welke ons duidelijk op die welmenende nodiging tot het heil in Christus wijzen, ja, op die rijke bediening van Zijn verbond!

We willen daarbij allereerst luisteren naar de bekende Thomas Boston, die in zijn boek „Een beschouwing van het Verbond der Genade” enerzijds het verbond der verlossing (de onderhandeling van eeuwigheid tussen de drie Goddelijke Personen over de zaligheid der uitverkorenen) noemt het verbond der genade en toch anderzijds weer duidelijk laat uitkomen, dat het verbond der genade door Christus aan de zondaren van het menselijk geslacht wordt aangeboden.

Hoe zit dat?

We menen, dat Boston, sprekende van het verbond der genade, opgericht met Christus en in Hem met de uitverkorenen, het daarin heeft over de deelachtigmaking van het verbond en deszelfs beloften. En inderdaad betreft deze deelachtigmaking alleen de uitverkorenen, zoals dit ook uiteindelijk zal blijken.

Wanneer Boston spreekt van een aanbieden van het verbond der genade heeft hij het over Christus als de „Bestuurder” van het verbond der genade. Hij bedoelt daarmede, dat aan Christus de bevoegdheid is geschonken door de Vader om als het Hoofd Zijner gemeente het verbond der genade te bedienen, krachtens Zijn regeerbeleid, dat de Vader Hem gegeven heeft. En tot die „besturing” van het verbond behoort ook die aanbieding van het verbond.

Aan wie biedt Christus nu het verbond aan? Dit schrijft Boston duidelijk in het genoemde werk van hem, blz. 223:

„Het voorwerp van de besturing des verbonds zijn de zondaren van het menselijk geslacht onbepaald; dat is te zeggen, Christus is door last van Zijn Vader gevolmachtigd het verbond der genade aan een iegelijk van het menselijk geslacht, de zondaren van het geslacht Adams, zonder uitzondering, aan te bieden. Hij is machtig gemaakt, hen, die op Zijn roepende stem tot Hem vluchten, in het verbond aan te nemen en al de weldaden er van tot hun eeuwige zaligheid, deelachtig te maken; ingevolge van de vastgestelde orde van het verbond. De verkiezing van bijzondere personen is een geheim, dat niet eer in de besturing van het verbond ontdekt staat te worden, volgens de vastgestelde orde ervan, dan op zulk een tijd als de zondaar het verbond heeft aangenomen, met persoonlijk daarin te komen. En de uitgestrektheid van het aanbod van het Evangelie is niet op de verkiezing gesticht, maar op het bevel Gods en de oneindige algenoegzaamheid van de gehoorzaamheid van Christus tot de dood”. Verder op blz. 225:

„Zulks dat er niet één op aarde, waar het Evangelie gepredikt wordt, van dit aanbod des verbonds wordt uitgesloten”.

„Ten derde. Hij volvoert Zijn volmacht op een onbelemmerde wijze, bedienende het verbond aan ieder zondaar van het menselijk geslacht. Spr. 8 : 4: „Tot U, o mannen, roep Ik en Mijn stem is tot de mensenkinderen”.

Blz. 226:

„Het voorwerp van deze besturing zijn niet deze of personen, onder deze of andere benaming; maar mensen, alle mensen, kinderen der mensen, onbepaald. Markus 16 : 15: „Gaat henen in de gehele wereld, predikt het Evangelie alle kreaturen”. De Joden noemden de mens het kreatuur, als zijnde bij uitnemendheid Gods kreatuur. Dus wordt door alle kreaturen alle mensen gemeend. Daar zijn sommige mensen in de wereld, die ter oorzaak van hun monstrueuze goddeloosheid gelijk duivels zijn; daar zijn andere mensen, die ter oorzaak van hun woestheid maar weinig van de beesten schijnen te verschillen; maar onze Heere zegt hier duidelijk: ze zijn hoe ze zijn, als gij maar kunt weten dat het mensen zijn, doet bij hen geen vragen op dit stuk, wat soort mensen zij zijn; zijn het mensen, predikt hun het Evangelie, biedt hun het verbond aan; en als zij het aannemen, geeft hun daarbij de zegels: Mijn Vader heeft hen geschapen, Ik zal hen zaligmaken”.

Dan lezen we nog op blz. 228:

„Want het niet aangrijpen van het verbond door geloof in Christus is de grote zonde en het oordeel van allen, die het Evangelie hebben, Spr. 8 : 36, Joh. 3 : 19, Mark. 16 : 16.

Maar het kon de zonde van zodanige personen niet wezen, omdat het nooit iemands zonde is een ding niet te doen, waartoe hij van God geen volmacht heeft om het te doen. Veel min zijn de niet-verkorenen uitgezonderd; want op die voet zou niet alleen hun ongeloof geen van hun zonden wezen, maar de uitverkorenen zelf zouden nooit kunnen geloven, dan op zodanige tijd als hun verkiezing in de eerste plaats aan hen geopenbaard was, wat met de gestelde wijze der genade strijdig is; want genen kunnen in Christus geloven, tenzij zij eenmaal hun volmacht zien, voor zoveel die volmacht de grond des geloofs is”.

Met dit laatste bedoelt Boston, wanneer God een zondaar bekeert, dat deze dan niet eerst aan de weet moet komen, dat hij een verkorene is, maar dat eerst tot hem komt de „volmacht”, d.i. de aanbieding van het Evangelie en dat het Evangelie de grond is van het geloof.

Hoe ruim zijn onze vaderen met de aanbieding van het Evangelie en van het verbond der genade en hoe stellen zij zuiver de verantwoordelijkheid van de mens, die onder het Evangelie en onder het verbond leeft.

Ach, werden onze oudvaders maar meer begrepen.

Het bekende spreekwoord luidt: Veel geprezen, maar weinig gelezen ( en verstaan).

Dit zou het slot zijn van de les over het genadeverbond. Maar ik zie, dat ons lesuur verstreken is. Dus hopen we in een volgende les nog enkele citaten uit Brakel e.a. te geven.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.