+ Meer informatie

Onze welvaart

6 minuten leestijd

RONDKIJK

Het welvaren in ons goede Vaderland is de laatste jaren tot een hoog peil opgetrokken: Werkloosheid is er niet of bijna niet; er worden goede lonen verdiend (al is de levensstandaard duur) en de stijging van de productiemiddelen heeft ons gebracht in een maatschappij van overvloed, zodat beweerd wordt, dat Nederland tot de 12 rijkste landen van de wereld behoort. Wanneer we denken aan de jaren van de bezetting 1940—1945, toen het er op leek dat ons land geheel te gronde werd gericht, is het bijna niet te geloven, dat 15 jaar later zulk een hoog welvaartspeil is bereikt.

Nu schuilen er in een toenemende welvaart gevaren — in vele gevallen voert het zowel een volk, als de individuele mens van God af. Onlangs is er door de Oecumenische Raad van kerken een werkje uitgegeven: „Welvaart en Welvaartsdenken", waarin o.i. juiste opmerkingen werden gemaakt. Er wordt o.m. in gezegd, dat rijkdom en welvaart vaak een bron zijn van verleiding, verslapping van de zeden, hebzucht en hoogmoed, het uitoefenen van macht over anderen. Aan deze verleidingen kunnen individuen, groepen en volken ten prooi vallen. Over het algemeen slikt uw rondkijker niet alles wat door de oecumenische raad van kerken wordt gezegd, maar dit is een waar woord, waarmee hij het wel eens kan zijn.

Welvaart, waardoor rijkdom ontstaat, kan een zegen zijn maar ook een vloek. De Heere kan ons er mee overgeven aan het goeddunken van ons eigen boze hart. Het Nieuwe Testament leert ons, dat het niet in de overvloed is gelegen dat iemand leeft uit zijn goederen. En we weten allen de geschiedenis van het rentmeesterschap, dat we innerlijk los dienen te staan van ons aardse bezit, maar tevens toch daarover een zorgvuldig beheer hebben te voeren. Het verkregen goed, wat we heus niet hebben toe te schrijven aan ons eigen vernuft — als de Heere er in blaast wordt het ons alles met één slag afgenomen — moet culmineren in het grote gebod: od lief te hebben boven alles en onze naaste als ons zelf. Dan wordt het tot Zijn eer en Zijn dienst besteed. Als dat werkelijkheid voor ons is en innerlijk wordt beleefd, dan zal de welvaartsvermeerdering ons hetgeen wij hebben verkregen doen bezitten als niet bezittende; de wereld gebruikende als niet gebruikende. Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij. (1 Cor. 7 : 30—31). Daaruit vloeit voort dat wij er niet door beheerst of liever overheerst worden als of het ware welzijn gelegen is in bezit; indien dat zo is, is het maar een arm portie dat we hebben. In de 119e Psalm, oude rijm wordt het kernachtig uitgedrukt:

„Geen meerder goed, Heer, „gy my geven meugt; dan dat „Gy my vernedert en maakt „kleine; dat ik leer uwe Wet „die my verheugt. Veel zilver „en goud, gelouterd zeer reine, „zijn niet zo kostelijk, noch „goed van deugd; dan Uw „Woord is en Uwe Wet allei-„ne."

De dichter van de oude dag onderschatte niet dat welvaren een zegen des Heeren is, maar kostelijker noemde hij het leven in de vreze Gods, naar Zijn Woord en Wet. Dat houdt ook in dat we het verkregen goed tot heil van onze naaste zullen aanwenden. Al heerst er in ons land groot welvaren, er zijn ook tegenstellingen, die ieder in eigen omgeving zal weten te vinden. „De armen hebt Gij altijd met U" werd door de Heiland gezegd, ze zullen er altijd blijven. En hoe staan wij tegenover onze naaste, die in grote bekommernis leeft? Is het veelal niet zo: „Als niet komt tot iet(s) kent iet(s) zichzelve niet? " Gaat eigen gerief en pleizier vaak boven hulp aan anderen die minder met aardse goederen bedeeld zijn?

Er rust een grote verantwoordelijkheid op ons wanneer de Heere ons ruime middelen van bestaan geeft.

Dan behoeven we niet als een asceet te leven, ook niet alles weg te geven, we mogen zelfs van het aardse genieten. Als de apostel Paulus aan de jonge Timotheus leert hoe hij moet preken zegt hij onder meer: eveel de rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms maar op de levende God, die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten. Hij zegt er ook bij (1 Tim. 6 : 18) dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede wez-ken, gaarne mededelende zijn en gemeenzaam; leggende zichzelven weg tot een schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.

De apostel wist dat de welvaart ons mensen, naar het hoofd kan stijgen, dat we daardoor Godvergeters en Gcdverlaters kunnen worden. Als Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit en liet God varen! (Deut. 32 : 15). De vrees is niet ongegrond, dat bij het toenemende welvaartspeil een steeds meer afwijken komt van God en zijn geboden, een nog verder doortrekkende wereldgelijkvormigheid, die merkbaar is in alle geledingen van ons gehele volksleven.

Als uw rondkijker het vraagstuk van de welvaart beziet — want het is evengoed een vraagstuk als het armoedeprobleem, omdat het ook gaat over de verdeling van de welvaart — denkt hij wel eens, zou het voldoende worden beseft, dat er nog zoveel ellende, zoveel honger op de wereld is? Twee derde van de wereldbevolking moet leven van 15*Vo van het wereld-inkomen, terwijl 1/3 van de wereldbevolking 85%> te besteden heeft. En wat zijn wij beter of wat hebben wij voor op die mensen, die in zo grote kommer en ellende moeten leven?

Welvaart heeft ons dus wat te zeggen. Een grote verantwoordelijkheid naar hetgeen we in meerdere of mindere mate van de Heere als resultaat van onze arbeid ontvangen, rust op ons en daarmee ook tegenover onze naaste. Bij welvaren hebben we meestal de Heere minder nodig dan wanneer het ons tegenzit, we weten dan ons zelf wel te redden en kunnen Hem aan Zijn plaats laten. Er schuilen dus gevaren in waarop we wel hebben te letten.

Tot onze jongeren zou ik willen zeggen, dat zij ook in de welvaart delen. De kleerkast is vol, ieder van het gezin heeft vaak een mooie fiets, ook wel een bromfiets, soms wel een auto, en niet te vergeten een ruim zakgeld. Dat was vroeger, nog niet zo heel lang geleden, wel anders. In sommige gevallen moesten de werkschoenen zaterdags netjes worden opgepoetst om zondags mee naar de kerk te gaan en geld om volop sigaretten te kopen was er niet. Moeten we dan naar die tijd terug verlangen? Ik meen van niet, maar we hebben wel toe te zien dat we met hetgeen we hebben niet volop in de wereld opgaan.

Gaat het zakgeld allemaal op aan onze geneugten? En is er dan nóg ontevredenheid bovendien? Schiet er nog wel eens een extra gulden over — de prijs van maar één pakje sigaretten! — voor de kerk en voor de zending? Denken we ook nog wel eens aan die arme jongen of meisje die ziek te bed of in het ziekenhuis ligt? Het zijn maar enige vragen die uw rondkijker u voorlegt. En het heeft met de verantwoordelijkheid van ons welvaren te maken. Ook met: dat van de jongeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.