+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

52.

De Pelgrim bindt het Getrouw op het hart niet af te gaan op het godsdienstig geredeneer van Mondchristen. Naar het Woord des Heeren moet het kostelijke van het snode onderscheiden worden, gelijk als het in zijn aard en wezen onderscheiden is. Het snode moet uitgetrokken worden, het heeft geen bestaansrecht. het wordt door de Heere veroordeeld. Door een recht gebruik heeft men dan ook zijn zinnen te oefenen in het onderscheiden van goed en kwaad. En daarmee zijn deze broeders in de Heere nu ernstig bezig.

Dit doet mij denken aan de omschrijving, die Mozes geeft van de reine dieren: „Rein zijn die de klauw verdelen of alleen herkauwen. De haas herkauwt, maar is toch onrein omdat hij de klauw niet verdeelt”. En hier hebt u nu de ware gedaante van Mondchristen:..Hij herkauwt het Woord, hij zoekt kennis, maar hij verdeelt de hoef niet. Hij keert zich niet af van de weg der zondaren. Evenals de haas heeft hij een honden- of berenklauw, en is dus onrein”.

Een duidelijk beeld, zegt de Pelgrim. Voor zo ver ik weet. is dat de ware betekenis van die woorden. Ik zal er dit nog aan toevoegen: „Paulus noemt sommige mensen, dieookfraai kunnen praten, een klinkend metaal en een luidende schel”.

De Schrift spreekt zo duidelijk van het geloof, dat door de liefde werkt. Het hart, dat de liefde Gods in Christus niet smaakt tot verbinding aan Hem, mist het leven des geloofs en de grond der hoop, bouwt het huis van zijn verwachting voor de eeuwigheid op een zandgrond, die weggespoeld zal worden.

Begrijpelijk is het, dat het gezelschap van Mondchristen deze broeders niet aangenaam is. Van hart tot hart met hem spreken vanuit de beleving is niet mogelijk, dat laat de oprechtheid niet toe.

Maar wat staat ons nu in deze situatie te doen? Mondchristen moet met een innerlijke bewogenheid vermaand en onderwezen worden. Het mocht de Heere behagen zijn hart te vernieuwen tot bekering. En dat zou ons, betuigen de pelgrims, tot grote vreugde zijn. Als vanzelf wordt hij dan opgenomen in de gemeenschap der heiligen. Maar zolang hij dat nieuwe leven der genade niet kent, is dat niet mogelijk.

Daar Getrouw hierover nog in gesprek is met de Pelgrim, raadt hij hem aldus: „Gij moet naar hem toegaan en hem voorstellen een gesprek aan te knopen over de kracht der godzaligheid. Als hij daarin heeft toegestemd, en dat zal hij zonder twijfel, dan moet gij hem op de man af vragen of die kracht bespeurd wordt in zijn hart, in zijn huis en in zijn omgang met de mensen”.

Nu trad Getrouw vooruit en zeide tot Mondchristen: „Kom aan! hoe is het met u gesteld?”

„O heel goed!” antwoordt de man. En begrijpelijk, met deze mensen gaat het nooit slecht. Daar zij niet weten, dat wij in onze verdorvenheid slechte mensen zijn doordat we nog leven in de slechtigheid der ongerechtigheid, is niet de minste kommer daarover in hun hart. Mondchristen is altijd paraat. „Ik dacht”, zo zegt hij, „dat wij al heel wat afgepraat zouden hebben”.

Goed, zegt Getrouw: „Als gij wilt, kunnen wij nu aanvangen en daar gij het aan mij overlaat een onderwerp te kiezen, laat ons dan eens hierover spreken: Op hoedanige wijze openbaart zich de zaligmakende genade Gods in het hart der mensen?”

„Best”, zegt Mondchristen: „Ik bespeur dat ons gesprek moet handelen over de kracht der godzaligheid. Ik moet zeggen, dat is een uitnemend onderwerp en ik zal uw vraag gaarne beantwoorden. In het kort meen ik de volgende punten te kunnen opnoemen. Ten eerste: Waar Gods genade in het hart is, daar ontstaat een levendige afkeer van de zonde. Ten tweede:”.

„Neen, niet ten tweede. Wacht even”, zegt Getrouw, „laat ons het eerste punt behandelen alvorens verder te gaan. Ik geloof, dat gij liever hadt moeten zeggen: Zij openbaart zich hierin, dat een zondaar leert zijn eigen zonde te verfoeien”.

Maar dat is naar het oordeel van Mondchristen toch wel wat ver gezocht. „Luister nu eens goed, wat voor onderscheid is er tussen een veroordelen en een verfoeien van de zonde?” ..O, dat onderscheid is niet gering”, zei Getrouw. „Iemand kan de zonde veroordelen in anderen, uit berekening, maar hij verfoeit alleen de zonde, wanneer hij bij het licht van Gods genade ze in zichzelf heeft leren haten. Ik heb menig leraar van de kansel tegen de zonde horen getuigen, al kon hij haar maar al te goed dulden in hart, huis en omgang met de mensen. De meesteres van -Jozef riep met luider stem, als ware zij een heilige geweest, en toch was zij het. die in weerwil daarvan een grote zonde wilde bedrijven. Sommigen gaan tegen de zonde te keer. gelijk de moeder tegen het kind op haar schoot als zij het ondeugend en stout noemt en het tegelijkertijd vertroetelt en kust”.

Maar deze taal staat Mondchristen niet aan. Getrouw heeft hem geraakt tot in de werkelijkheid van zijn leven. „Ik geloof”, zo zegt hij om zijn leven in de zonde te verbergen, „dat gij het er op toelegt strikvragen te doen!” „O neen. ik kom niet tot u met strikvragen, maar ik wil gaarne de zaken noemen, zoals zij zijn. Ik veroordeel de strikken der ongerechtigheid. die door velen gespannen worden”.

„Maar wat is naar het oordeel van u. Mondchristen, het tweede kenmerk waaraan gij de aanwezigheid van het genadewerk in het hart kunt ontdekken?”

„Wel, heel eenvoudig: een grote kennis van de verborgenheden van het Evangelie”.

„Dat hadt gij. Mondchristen, voor het andere kunnen noemen, maar eerst of laatst, het is niet voldoende, want kennis, grote kennis van de verborgenheden van het Evangelie kan verkregen worden, terwijler toch geen genadewerk in de ziel gewrocht is. Ia, al had iemand alle kennis, dan is het toch nog mogelijk, dat hij geen kind van God is. Toen Christus zeide: Weet gij al deze dingen? en de discipelen antwoordden: Ja Heere, voegde Hij er bij: Zalig zijt gij, zo gij dezelve doet! Hij spreekt het zalig niet uit over het weten, maar wel over het doen”.

„Er is toch een kennis, die niet gepaard gaat met doen, want er wordt ook gesproken van iemand, die de wil zijns heren geweten en niet gedaan heeft. Iemand kan de wetenschap van een engel hebben en toch geen christen zijn. dit kenmerk is dus niet waarachtig. Te weten is iets, dat praters en grootsprekers bevredigt, maar doen behaagt Gode. Niet dat het hart goed zou kunnen zijn zonder kennis, want zonder kennis is een ziel niets. Maar er is tweeërlei kennis. De één berust op louter bespiegeling, de ander gaat gepaard met gaven van genade, van geloof en liefde, en brengt de mens er toe om de wil van God gaarne en van harte te doen. De eerste bevredigt mooipraters, maar de oprechte christen heeft behoefte aan de andere. Geef mij verstand, en ik zal Uw wet houden, ja, ik zal ze onderhouden met mijn ganse hart”.

Mondchristen heeft geluisterd. Het is hem duidelijk, dat hij tegen de Waarheid niet op kan. Maar dat neemt hij niet over. Met dit woord: „Gij tracht mij te vangen, dit alles dient niet tot stichting”, zoekt hij al het gesprokene krachteloos te maken.

„Gij vergist u”. zei Getrouw, „doch wees zo goed mij nog een ander teken te noemen, waardoor zich het werk der genade in het hart kenmerkt. U hadt toch. naar ik meen. meer punten tot uw beschikking en verdediging dan twee”.

„Volstrekt niet. Mondchristen komt niet met andere punten voor de dag. want ik zie”, zo zegt hij, „heel goed in, dat wij het niet eens worden”. En dat laatste is volkomen waar Het is niet mogelijk. dat de levenden het ooit eens worden met mensen, die over dehartvernieuwende werkingen van Gods genade heen werken. Getrouw heeft duidelijk gesproken ’vanuit de Waarheid om Mondchristen er van te overtuigen, dat de wortel der zaak in hem niet gevonden wordt, opdat hij de Heere zou leren smeken om de levendmakende werkingen van Zijn Geest.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.