+ Meer informatie

SLOTWOORD op de Ambtsdragersconferentie van 2 oktober 1993

5 minuten leestijd

Ook ik was één dergenen die van menig waren dat er zo langzamerhand wel voldoende was doorgesproken over het onderwerp “de toeëigening des heils”. Wat zou deze dag nog voor nieuws kunnen brengen?

Toch bleek vandaag, met name in de discussie, dat de verschillende accenten nog steeds tot tegenstellingen aanleiding geven. De vraag kan worden gesteld: Hoe belangrijk is een zg. accent eigenlijk? Met name in de ambtelijke praktijk?

Een feit is dat u, ambtsdrager, vanaf heden toch weer bezig moet met uw werk, dat m.i. zeer terecht, door prof. Trimp als “toeëigeningsarbeid” is getypeerd.

Inderdaad bedoeld ons prediken en huisbezoeken en zelfs ook ons diaconaal verzorgen niets anders dan dat door deze arbeid het heil van onze Here Jezus Christus (en dat heil is Hij zelf, met alles wat Hij is en geeft) het eigendom van Zijn gemeente wordt, zodanig dat het wordt verstaan, ervaren en vertoond. Alle ambtelijk werk dat hierop niet is gericht, valt buiten dit doel. We kunnen er niet onderuit om hiertoe bezig te zijn.

Een dag als deze kan ons zowel hierbij veel meegeven, als ook ons des temeer tegen dit werk doen opzien.

Ik moge u daarbij uit de Heilige Schrift een tweetal gedachten meegeven.

Allereerst denk ik aan dat verhaal, waarin ons wordt verteld hoe de Here Zelf als een stille toehoorder een huisbezoek heeft bijgewoond, en vervolgens Zijn kritiek op dit bezoek geeft. We lezen dit in Job 42:7. Daar staat: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw beide vrienden, want gij hebt niet recht van Mij gesproken! Niet recht van Mij! Er is door Jobs vrienden heel veel gezegd, niet alleen over Job, over recht en straf, over onoprechtheid en geheime zonden, maar die Stille Toehoorder heeft bijzonder gelet over wat over Hem werd gezegd.

En dat was wel veel, en het leek allemaal goed bedoeld, en toch was het niet “recht”. Dit woordje duidt niet allereerst rechtzinnigheid of dogmatische juistheid aan. Het betekent veel meer: steekhoudend, de zaak rakend. De Here Zelf werd wel vaak genoemd, maar niet bediend, niet toegeëigend. De plaats die Hem werd gegeven was niet de juiste. Daarmee kon Job niet uit de voeten. Er werd uit God niet “gehaald wat erin zat”. Daarop zat God te wachten.

Vandaag is wel gebleken dat er nog veel doorgesproken kan worden over het zieleleven van de mensen met wie we te maken hebben, over hun leven en hun dood, hun geloof en hun ongeestelijk denken en leven. Maar we mogen niet vergeten dat het er in dit alles moet gaan om de opdracht: hoe stellen wij in ons werk God aan de orde?

Daarom is Godskennis nodig in ons werk, Godskennis die óók gaat over Zijn wegen met ons.

Misschien hebben wij, christelijk-gereformeerden, hierbij te maken met een specifieke moeilijkheid. Wij hebben ons door onze eigen historie leren afzetten tegen de “veronderstelde” wedergeboorte. Heel terecht. Maar ik meen weieens te constateren dat we daardoor niet altijd in staat zijn de geloofstaal van onze belijdenis te verstaan. Voorbeelden zijn: het dankgebed in ons doopsformulier, dat zegt: “Wij danken u dat Gij ons en onze kinderen... door Uw Geest tot leden van Hem geheiligd hebt”; het dankgebed in ons Avondmaalsformulier: “Wij loven U om Uw genade, dat Gij ons geeft een waarachtig geloof”; de Dordtse Leerregels 3-4, paragraaf 15: “Voorts van degenen die hun geloof uiterlijk belijden... moet men het beste oordelen en spreken”. Lijkt dat niet te algemeen, te weinig persoonlijk? Hierover zijn al heel wat discussies gevoerd, omdat men de geloofstaal der vaderen ging verstaan in het raam van nieuwere theologische strijdvragen. Zo iets kan een handicap zijn in ons “recht spreken over God”. Wordt dit laatste niet te zwaar voor ambtsdragers?

Dan denk ik ook aan een paar andere woorden uit de Heilige Schrift. Ze zijn gesproken in een tijd waarin de toeëigening des heils een onhaalbare zaak leek, nl. toen het volk van Gods verbond, dat zoveel gunsten had genoten, nl. bevrijding uit het diensthuis, een eigen land en stad en tempel, koningen door God gegeven, en veel meer, dit alles was kwijt geraakt in de ballingschap vanwege zonde en afval van de Here. De wetten, door Gods eigen hand in steen gegrift, hadden het heil niet kunnen dragen in het hart van Israël. De toeëigeningsarbeid van profeten, priesters en koningen lijkt mislukt. Hoe moet dat verder? Dan mogen de ballingschapsprofeten, Jeremia en Ezechiël, elk in eigen omgeving en elk in eigen toonaard, “recht” spreken over God. De Here Zelf pakt het probleem van de toeëigening aan (Jeremia 31 en Ezechiël 37), als Hij zegt: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hert schrijven” (Jer. 31:33), en “Ik zal Mijn Geest in u geven” (Ez. 37:14). Het toeëigeningsprobleem wordt Gods eigen probleem! In dat licht kunnen wij gaan tot onze toeëigeningsarbeid. Hoe moeilijk de vragen ook zijn, hoe groot ons tekort aan wijsheid, we blijven met al onze onmogelijkheden slechts volgelingen van Hem, die dit allemaal wel weet, die er rekening mee heeft gehouden dat Hij mensen roept tot een taak die boven hun vermogen uit gaat, maar van Wie wij mogen weten dat Hij, lang voor wij werden geroepen, Zichzelf heeft ingezet, in Zijn Zoon, in Zijn Geest, voor dit werk.

En weet u: dit geloof mag ons in heel onze kerk, met alle verschillende accenten en tekorten, samenbinden, niet in een geselecteerd elitecorps, maar in gemeenschap van arme, onmachtige dienaren, die hun Meester vragen: Here, spreek Gij zelf door mij en mijn broeders, vóór alles “recht” van U Zelf!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.