+ Meer informatie

Geroepen naar Gods voornemen

5 minuten leestijd

3.

Van Augustinus gaan we naar Calvijn. We behoeven het niet te zeggen, dat deze reformator in bijzondere zin een belijder van Gods genade in het midden van Gods Kerk geweest is. Al te zeer is hij bij ons als zodanig bekend en tot de dag van vandaag draagt deze belijdenis nog vruciit voor zijn nageslacht. Het is daarom te verstaan dat we juist bij Calvijn een sterke aansluiting vinden aan Augustinus.

Calvijn heeft veel van Augustinus gelezen. Hij citeert behalve de preken en brieven in zijn eigen werken meer dan zestig boeken van deze grote kerkvader. Vaak betuigt hij zijn instemming met het geschrevene. Wil dat zeggen dat Calvijn in alles klakkeloos Augustinus navolgt? Nee, tevéél is hij op Gods Woord alléén geworpen dan dat hij buiten dat Woord om zich door wie ook zou laten leiden. Hij durfde ook ciitiek te hebben op Augustinus, vooral als deze meer de heidense filosofen volgt dan de Heilige Schrift.

Veelzeggend is het echter dat hij zich één weet met Augustinus in het verstaan van Gods Woord ten aanzien van de uitverkiezing. Het is bekend dat Calvijn in het derde boek van de Institutie geschreven heeft over de uitverkiezing. Dat boek heeft als titel: „hoe de genade van Christus ontvangen wordt”. Telkens noemt hij in dit gedeelte de naam van Augustinus en haalt iets uit zijn werken aan. In het 24ste hoofdstuk van dit boek schrijft Calvijn over de roeping Gods: „dat de verkiezing bevestigd wordt door de roeping Gods en dat de verworpenen zichzelf op de hals halen het rechtvaardig verderf, waartoe zij geschikt en bestemd zijn.” Later zullen wc het zien, dat hier in een bepaald opzicht over de roeping gesproken wordt. Graag wil ik dal nu al opmerken om geen beeld van Calvijn te krijgen, dat alleen maar één zijde naar voren brengt! Maar nu gaat het ons om de sprekende grote aansluiting aan Augustinus’ belijdenis in de roeping Gods.

Calvijn handelt in genoemd hoofdstuk dus over de verkiezing en de roeping Gods tot zaligheid. „A1 hoewel de Heere reeds door de verkiezing de Zijnen tot kinderen heeft aangenomen: zo zien wij nochtans dat zij niet komen tot het bezit van zo'n groot goed dan op die tijd als ze geroepen worden” (Institutie, III, 24. 1).

Wanneer dan door hem enkele plaatsen uit Gods Woord worden aangehaald om de kracht van die roeping te openbaren, geeft hij enkele brede citaten uit de werken van Augustinus. Vorige keer hebben we één van die werken genoemd, waarin deze gesproken heelt van de tweeërlei roeping nl. „Over de verkiezing van de heiligen”. En mede uit dat boek laat Calvijn het getuigenis van de strijder voor de genade Gods uit het begin van de kerk horen. Het is vol van lering om de stem van Augustinus te beluisteren in het onderwijs van de hervormer. Wij willen er in dit artikel iets van opvangen.

Nadat, we gehoord hebben van Augustinus’ verklaring van Johannes 6 : 44. Niemand kan tot Mij komen tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft hem trekke”, tekent Calvijn ook een gedeelte op van een andere tekst nl. het volgende woord uit Johannes 6: „Een iegelijk dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij …” Calvijn is getroffen door het heldere geluid, dat in de verklaring doorklinkt: Wat is dit, dat Hij zegt „zo wie het gehoord en geleerd heeft van de Vader, die komt tot Mij”: is het niet even zoveel alsof Hij zei: daar is niemand, die het van de Vader hoort en leert, en niet tot Mij komt? Want indien een iegelijk komt, die het van de Vader heeft gehoord en geleerd, gewisselijk zo wie niet komt, die heeft het niet van de Vader gehoord en geleerd want hij zou komen…”

Even later haalt Calvijn weer een gedeelte aan, dat betrekking heeft op deze tekst: „Wanneer derhalve de Vader inwendig gehoord wordt, zo neemt Hij het steenachtig hart weg en Hij geeft een vlezen hart. Alzo maakt Hij kinderen der beloften en vaten der barmhartigheid, die Hij tevoren ter heerlijkheid bereid heeft. Welk is dan de oorzaak, dat Hij niet alle mensen leert, opdat ze tot Christus komen, anders dan omdat Hij alle die Hij leert door Zijn barmhartigheid leert…”

Ook weet Calvijn van de uitvluchten, die men maakt tegen het belijden van de kracht der roeping Gods in de uitverkorenen b.v. tegen de tekst; „Zo is het dan niet desgencn, die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontl'ermenden Gods.” Velen verklaarden deze woorden aldus: „het is niet alléén het willen en lopen van de mens, maar God regeert ze door Zijn genade’. Zo krijgen enerzijds de genade Gods en anderzijds het willen en lopen van de mens hun deel in liet verkrijgen der zaligheid. Weer haalt Calvijn Augustinus aan. „Ik wil de bespottelijke uitvlucht van onze lieden liever met Augustinus’ woorden dan met de mijne weder leggen. Indien de Apostel niets anders heeft willen zeggen dan dat het niet gelegen is alléén in het wuien en lopen des mensen, tenzij dat de Heere heipe met zijn barmhartigheid: zo zal men in het tegendeel wederom mogen zeggen, dat het niet is gelegen in de barmhartigheid Gods alleen, tenzij dat het willen en lopen des mensen daarbij kome. Indien dit openlijk vals en ongoddelijk is, zo laat ons voor gewis en zeker houden, dat de Apostel alles aan de barmhartigheid Gods toeschrijft en aan ons willen en trachten niet met al overlaat.”

Is het niet duidelijk genoeg? Calvijn haalt Augustinus aan bij het getuigenis, dat Gods genade alléén de roeping kracht geelt in de uitverkorenen. Zonder enige reserve spreekt hij dit uit naar de Schriften. Het maakt ons verder nieuwsgierig naar wat de reformator van Geneve zelf naar voren heeft gebracht. Graag willen we naar beide zijden hem laten spreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.