+ Meer informatie

VRAGENBUS

5 minuten leestijd

N. v. d. K. te S. schrift mij het volgende:

Ik ben aan het studeeren voor de akte M.O. Nederlandsch en kom nu voortdurend in aanraking met verschillende romans en gedichten uit de Nederlandsche letterkunde, die wat huu Godsdienstige en ethische strekking aangaan geheel tegen onze overtuiging indruischen.

Nu heb ik al dikwijls gedacht of het wel geoorloofd is zich in die werken te verdiepen en aangezien ik hier geen contact kan krijgen met menschen, die letterkundig eenigszins zijn onderricht en tevens onze richting zijn toegedaan, zou ik u willen verzoeken deze. vraag voor mij te. beantwoorden.

Antwoord: Ik kan mij voorstellen, dat dit voor u een moeilijkheid is. Zelf heb ik voor dezelfde moeilijkheid gezeten. Zoo las ik vroeger het liefst gedichten van Bilderdijk, Da Costa e.a., maar als ik Kloos en meerdere nieuwere schrijvers las, dan gevoelde ik mij bezwaard.

Als Kloos b.v. schrijft: „Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten en Hélène Swarth: „'En of God leeft weet geen — en 'k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij 't eeuwige leven belooft, en de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd, " dan was ik geneigd, die gedichten van mij weg te werpen. En toch ik moest ook van schrijvers en dichters, met wien ik het niet eens was, studie maken, wiïde ik redelijke kans van slagen hebben. Ik nam mij voor, wanneer de examinator er mij naar vroeg eerlijk te zeggen, dat ik het met den inhoud van die proza of poëzie niet eens was.

Vergeet niet, mijn vriend, dat willen we anderen bestrijden, we ook kennis gemaakt moefen hebben van hun werken, zooals onze oud-vaders wel terdege de geschriften van de heidensche wijsgeeren hebben onderzocht.

Als u zich beroepen wilt op den tekst: „Onderzoekt alle dingen, maar behoudt het goede, dan is u er naast, omdat er-staat: „Beproeft alle dingen, enz."

Het komt mij voor, dat onderzoeken kan beteekenen: „gaan tot het kwaad!" terwijl beproeven beteekent: „onderzoek instellen in al hetgeen tot ons komt, zooals de apostel zegt: „Beproeft de geesten of ze uit God zijn!"

In verband met uw studie gaat u niet tot het verbodene, maar het verbodene komt tot u en u heeft biddend te onderzoeken wat waar en onwaar is.

De Heere geve^ u genade om uw standpunt zoo noodig te zijner tijd te durven neerschrijven of uit te spreken.

C. v. d. M. te M. vraagt welke beteekenis de besnijdenis voor Ezau had in het bijzonder en de doop voor de verworpenen in het algemeen. • -

Antwoord: erst wil ik opmerken, dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen is, zooals ons doopsformulier zegt, welke uitspraak weer gegrond is op Col. 2:11 en 12. Vervolgens mérk ik op, dat èn bij de besnijdenis onder het Oude Verbond en bij den doop onder het Nieuwe Verbond altijd het sacrament is en wordt toegediend op grond van het bevel Gods.

Zoowel de rabbi, die besneed, als de predikant, die doopt wist of weet niets af van het kind, dat het sacrament ontving of ontvangt. M.a.W. wist toch niemand hoe Ezau zich zou openbaren, zoo min als we weten, hoe het kind, dat ten doop wordt gepresenteerd zal opgroeien.

Zoowel Ezau als elke verworpene, die het teeken des Verbonds draagt was en is verplicht zich te gedragen" als een geheiligde, d.i. afgezonderde. Zij toch leven binnen de grenzen van de Verbondsopenbaring en staan in eenige betrekking tot het verbond.

Hun vergadering is heilig, gelijk die van Israël onder het Oude Verbond heilig was; hoewel dat niet beteekent, dat ieder Israëliet geheiligd was in het bloed van Christus. Wat die uiterlijke openbaring betreft, zijn zij allen in het Verbond begrepen. Hun komt, in onderscheiding met de Heidenen, den doop toe. En als ge dan vraagt: heeft het sacrament dan ook voor verworpenen beteekenis, dan antwoord ik: „Ja!" en haal daarbij aan wat vader Brakel zegt.

Deze schrijft: „Zijt gij gedoopt, zoo bedenkt, hoe gij den doqp beleeft. Leeft ge góddeloos, natuurlijk, zorgeloos, aardsch en wereldsch, gij hebt met verschrikking aan uw doop te denken."

Hierbij haalt hij aan Hebr. 10 : 29: Hoe veel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft en het bloed des - testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? " En Luk. 10:14: Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel dan ulieden."

Ten slotte zij opgemerkt, dat niemand weet of hij of zij een verworpene is, Wij allen hebben te maken niet Gods geopenbaarden wil.

E11 voorts blijft het een eeuwige waarheid, wat we lezen in Joh. 6 vers 37: „Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen en die tot Mij komt zal ik geenszins uitwerpen."

Jongelingsvei ecniging te VI. vraagt of de Engelen in Bethlehems velden den lofzang gezongen of gesproken hebben, omdat er staat in Luk. 2 : 13: En van stonde aan was daar met den Engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God, en zeggende: Eere zij God enz."

Antwoord: Ik geloof, dat u zich niet blind moet staren op het woord „zeggende", alsof dit alieen zou zien op een gesproken woord, maar het wil alleen zeggen, dat het loflied, dat gezongen werd, van den volgenden inhoud was.

Als ge bij dezen tekst „Matthew Henry" opslaat, zult ge lezen: Niet zoodra was de boodschap gezegd door een engel, of er was plotseling met dien engel een menigte des hemelschen heirlegers, voldoende voorzeker om een koor te vormen, dat door de herders gehoord werd, God lovende; en hun lied was voorzeker niet gelijk dat in Openb. 14:3, dat niemand kon leeren, want het was bestemd om door ons allen geleerd te worden."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.