+ Meer informatie

BESLUITEN VAN DE GENERALE SYNODE SLIEDRECHT BETH-EL/NUNSPEET 2007

43 minuten leestijd

A. KERKORDE (TEKST)

ARTIKELEN

De onderstaande artikelen zijn gewijzigd of aangevuld:

Artikel 4 — Toelating tot het ambt van dienaar des Woords

De synode besloot:

art. 4 lid 5 K.O. als volgt te formuleren:

Inzake het voorgaan van predikanten uit het buitenland gelden de volgende regels:

a. Wanneer een predikant bij een langer durend verblijf in Nederland in de Christelijke Gereformeerde Kerken wenst voor te gaan, dient een verzoek daartoe tijdig door hem of ten behoeve van hem te worden ingediend bij deputaten buitenlandse kerken.

b. Wanneer een kerkenraad een predikant uit het buitenland tijdens een kortdurend verblijf in Nederland in zijn gemeente wenst te laten voorgaan, dient de betreffende kerkenraad hierover in contact te treden met deputaten buitenlandse kerken.

ad a)

Een predikant uit een buitenlandse kerk waarmee de Christelijke Gereformeerde Kerken in correspondentie staan dan wel kerkelijk contact onderhouden of samenwerken binnen de International Conference of Reformed Churches (ICRC) kan bij een langer durend verblijf in Nederland in principe toestemming ontvangen om in de Christelijke Gereformeerde Kerken voor te gaan. Hij dient daartoe de volgende procedure te volgen: zie verder oud art. 4, lid 5b 1–5 ongewijzigd; oud art. 4 lid 5a en de eerste vijf regels van de tekst van 5b vervallen, ad b)

1. Een predikant uit een buitenlandse kerk waarmee de Christelijke Gereformeerde Kerken in correspondentie staan dan wel kerkelijk contact onderhouden of samenwerken binnen de International Conference of Reformed Churches (ICRC), mag bij een kortdurend bezoek aan Nederland zondermeer in een Christelijke Gereformeerde Kerk voorgaan. De kerkenraad die hem uitnodigt zal hiervan tijdig melding maken bij deputaten buitenlandse kerken.

2. Een predikant uit een buitenlandse kerk waarmee de Christelijke Gereformeerde Kerken niet in correspondentie staan, geen kerkelijk contact onderhouden of samenwerken binnen de International Conference of Reformed Churches (ICRC), mag bij een kortdurend bezoek aan Nederland alleen dan in een Christelijke Gereformeerde Kerk voorgaan, als zowel de uitnodigende kerkenraad als deputaten buitenlandse kerken ervan overtuigd zijn dat de prediking van de betreffende predikant geen spanning zal opleveren met het gereformeerde belijden. Om zich hiervan te vergewissen zal de uitnodigende kerkenraad hierover met de betreffende predikant in contact treden en deputaten tijdig in kennis stellen van de inhoud van dit overleg. Desgewenst kunnen deputaten zich ook in verbinding stellen met de betreffende predikant om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, hetgeen zij zo spoedig mogelijk zullen doen.

Artikel 7 — Vaste standplaats

De synode besloot:

de tekst van art. 7 K.O. als volgt aan te vullen in kleine letter:

Het is mogelijk om, wanneer de (financiële) situatie van de gemeente daar aanleiding toe geeft en wanneer het de ambtelijke bearbeiding van de gemeente niet schaadt, een predikant in deeltijd te beroepen (1971/72,1980, 2007).

Artikel 11 — Levensonderhoud en ontslag van een predikant

De synode besloot:

aan art. 11 K.O. als lid 9 toe te voegen:

Wanneer een gerepatrieerde predikant vijf jaar na zijn repatriëring nog geen beroep uit de kerken heeft ontvangen, zal de classis waartoe hij behoort, gehoord het advies van deputaten naar art. 49 K.O. alsmede van deputaten voortijdige ambtsbeëindiging, het besluit nemen om titel en bevoegdheden verbonden aan het predikantschap in te trekken (2007).

Artikel 12 — Overgang tot een andere staat des levens

De synode besloot:

artikel 12 lid 2 K.O. als volgt te wijzigen:

de zinsnede ‘een aanvraag van de betrokkene of zijn gezin’ vervangen door: ‘een aanvraag van de betrokkene’.

Artikel 13 — Emeritaat

De synode besloot:

1. art. 13 lid I.e. K.O. te wijzigen in: Bij ongeschiktheid van een dienaar die nog niet de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, is de kerkenraad gehouden hem twee jaar ziekteverlof te geven, behoudens de situatie waarin het duidelijk is dat de dienaar niet meer in actieve dienst zal kunnen terugkeren, zulks naar het gezamenlijk oordeel van kerkenraad en deputaten emeritikas. De procedure voor het aanvragen van emeritaat kan na een periode van tenminste één jaar ziekteverlof worden gestart;

2. art. 13 lid 3.b. K.O. te wijzigen in: Vanaf de datum waarop het emeritaat ingaat, behoudt hij nog drie maanden het genot van traktement en pastorie dan wel van een andersoortige uitkering zoals de uitkering voortijdige ambtsbeëindiging; een predikantsweduwe behoudt gedurende drie maanden na het overlijden van haar echtgenoot het recht op het volle traktement en op het bewonen van de pastorie.

Artikel 31 — Recht van appel

De synode besloot:

de huidige tekst in de kleine letters van art. 31 K.O. (uitgave 2007) als volgt te wijzigen:

1. a. Iedere kerkelijke vergadering is verplicht om bij kennisgeving van een besluit aan het slot daarvan concreet melding te maken van de uiterste termijn waarop men tegen dit besluit appel kan aantekenen dan wel revisie kan aanvragen èn van (de roepende kerk van) de kerkelijke vergadering waarbij dit moet gebeuren.

b. Deze uiterste termijn is gesteld op één maand na dagtekening van het genomen besluit wanneer men als persoon appel wil aantekenen dan wel revisie wil aanvragen en op één maand na ontvangst van het besluit (i.c. de eerste vergadering na het nemen van dit besluit) wanneer het een kerkelijke vergadering betreft.

c. Tegelijk met de kennisgeving van appel of revisieverzoek dient men de vergadering tegen wier besluit men appel aantekent of bij welke men revisie verzoekt, daarvan in kennis te stellen. Ook dient deze vergadering een afschrift van het appel of revisieverzoek zelf te ontvangen (gericht aan de scriba van de kerkenraad indien het kerkenraadszaken betreft, of aan de roepende kerk van de meerdere vergadering, indien het een besluit van die vergadering betreft).

d. De beslissing inzake het appel of revisieverzoek zal aan de appellant en aan de betrokken kerkelijke vergadering worden meegedeeld. (1877,1947,1965/66, 2007).

e. Een appel of revisieverzoek heeft één keer opschortende werking.

De synode besloot voorts:

aan de tekst in de kleine letters van art. 31 K.O. toe te voegen:

2. a. Een appel of revisieverzoek kan alleen ingediend worden tegen een besluit van enige kerkelijke vergadering, zoals omschreven in notulen van die vergadering of een besluitenlijst.

b. Bij het appel of revisieverzoek dient het besluit waartegen men appelleert of waarvan men revisie verzoekt, genoemd te worden.

c. Argumenten ter onderbouwing van het appel of revisieverzoek dienen te voldoen aan de regel dat men dient aan te geven dat en waarom het besluit in strijd is met de Heilige Schrift, de belijdenis van de kerk en/of de aanvaarde kerkorde en synodale besluiten.

3. Wanneer een appel of revisieverzoek wegens vormfouten niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard, stelt de vergadering die hierover beslist de appellant of degene die revisie vraagt alsnog in de gelegenheid om binnen veertien dagen deze vormfout te herstellen, opdat alsnog tot behandeling kan worden overgegaan.

4. Revisieverzoeken dienen evenals appelschrijvens binnen een maand nadat men van het besluit kennis heeft kunnen nemen, ingediend te worden. Wanneer het besluiten van de generale synode betreft, zal als datum van kennisname gelden:

- voor personen en kerkenraden: het einde van de maand waarin het besluitenboekje van de betreffende generale synode verschijnt;

- voor de overige kerkelijke vergaderingen: de datum waarop deze aansluitend aan de gehouden generale synode vergaderen (2007).

Artikel 50 — Generale synode

De synode besloot:

art. 50 sub 14 K.O. als volgt te wijzigen: ‘De deputaatschappen zijn verplicht voor elke vacature, die al dan niet volgens de in hun instructie vastgelegde orde van aftreden in hun deputaatschap ontstaat, een voorstel voor vervulling daarvan (bij voorkeur via een tweetal) bij het moderamen in te dienen. Deze voordracht dient uiterlijk aan het begin van de eerste volle zittingsweek bij het moderamen middels een afzonderlijk schrijven ingediend te worden. Bij de voordracht zal gerekend worden met de voorwaarde dat de genoemde kandidaat, indien het een predikant betreft, minimaal drie jaar in het ambt staat. Ook zullen deputaten zich ervan vergewissen dat de kandidaat lid in volle rechten van een plaatselijke Chr. Geref. kerk is. De synode heeft het recht in alle gevallen waarbij het gaat om benoeming van personen een voorstel tot wijziging of aanvulling in te dienen. De zittingsduur van een deputaat blijft, afhankelijk van de aard en de omvang van het deputaatschap, beperkt tot 9,12 of 15 jaar’.

Artikel 70 — Huwelijksbepalingen

De synode besloot:

aan art. 70 K.O. als lid 5 toe te voegen:

Een aanvraag voor huwelijksbevestiging na samenwonen kan positief beantwoord worden, nadat over het samenwonen (eventueel na een catechetisch traject) schuldbelijdenis is afgelegd. De wijze waarop deze schuldbelijdenis gestalte krijgt, wordt aan het oordeel van de plaatselijke kerkenraad overgelaten (2007).

Artikel 79 — Censuur over ambtsdragers

De synode besloot:

artikel 79 lid 2 K.O. als volgt te wijzigen:

de zinsnede ‘een aanvraag van de betrokkene of zijn gezin’ vervangen door: ‘een aanvraag van de betrokkene’.

B. NIEUWE EN HERZIENE BIJLAGEN IN DE KERKORDE

I. BIJLAGE 9

Regelingen deputaten studie- en stimuleringsfonds

A. met betrekking tot het studiefonds

Art. 4. Regeling studiefonds (regeling 2007)

De synode besloot:

De regeling studiefonds als volgt vast te stellen:

Art. 4. Regeling studiefonds (regeling 2007)

Voorwaarden bij de nieuwe regeling

De studiefinanciering voor admissiale studenten, die geen beroep meer kunnen doen op de WSF-regeling, dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

- de maximale duur van de bijdrage uit het studiefonds is 6,5 jaar;

- de hoogte van de bijdrage dient vergelijkbaar te zijn met het niveau van de WSF -regeling;

- van de lening dient niet meer dan 30 procent te worden terugbetaald.

Artikel 1 — Voorwaarde en duur

1.1. Deputaten studiefonds kunnen financiële steun verlenen aan studenten die via het admissie-examen zijn toegelaten tot de studie aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn èn niet meer in aanmerking komen voor studiefinanciering ingevolge de Wet Studiefinanciering (WSF 2000).

1.2. De bijdrage uit het studiefonds wordt toegekend gedurende ten hoogste 6,5 jaar, vanaf het begin van het propedeutisch jaar en wordt beëindigd aan het eind van de maand waarin de studie is afgerond.

Artikel 2 — Aanvraag

2.1. De aanvraag dient, met een toelichting van de financiële (gezins)situatie, drie maanden voor het begin van het studiejaar te worden ingediend bij de secretaris van het deputaatschap voor het studie- en stimuleringsfonds. De student is verplicht op verzoek van deputaten alle medewerking te verlenen om de noodzakelijk geachte gegevens betreffende zijn financiële draagkracht te verstrekken.

2.2. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de aanvraag worden ingediend op elk moment tijdens de studieperiode.

2.3. Deputaten zijn gehouden binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag en de aanvullende gegevens hun beslissing aan de (aankomende) student mee te delen. Een student kan schriftelijk en met redenen omkleed aan deputaten verzoeken om herziening van hun beslissing ten aanzien van de hem al of niet toegekende bijdrage.

2.4. Deputaten zullen jaarlijks, drie maanden voor de aanvang van het nieuwe studiejaar, aan de hand van een vragenformulier toetsen of aan de voorwaarden voor verlenging van de bijdrage wordt voldaan. Indien blijkt dat sinds de laatste toekenning de financiële situatie of de persoonlijke omstandigheden van de student of zijn gezin aanmerkelijk zijn gewijzigd, kunnen deputaten de bijdrage herzien.

Artikel 3 — Voorwaarden toekenning

Er bestaat geen recht op een bijdrage uit het studiefonds indien:

3.1.1. de student in aanmerking komt voor studiefinanciering krachtens de Wet op de Studiefinanciering, of

3.1.2. het vrij besteedbaar gezinsvermogen per 1 januari van het jaar van aanvraag hoger is dan € 25.000,-, of

3.1.3. het totale gezinsvermogen hoger is dan € 50.000,-.

3.2. Indien het nettogezinsinkomen meer bedraagt dan € 10.630,74 (de WSF-bijverdien-grens) is er slechts recht op een gedeeltelijke bijdrage uit het studiefonds. Het meerdere wordt in dat geval in mindering gebracht op de bijdrage uit het studiefonds.

Voor definities: zie artikel 10

Artikel 4 — Studievorderingen

De steunverlening kan worden beëindigd resp. tijdelijk worden opgeschort indien, naar het oordeel van het curatorium, de studie onvoldoende vorderingen vertoont, als ook wanneer de student bij herhaling tekortschiet in het verstrekken van de door deputaten gevraagde informatie. Deputaten zijn bevoegd de studievorderingen op te vragen bij het college van hoogleraren.

Artikel 5 — Bijdragen

De bijdrage uit het studiefonds die aan de student kan worden verleend, kent de volgende componenten:

5.1. Een bijdrage voor de kosten van het collegegeld en benodigde studiemiddelen (inclusief boeken) tot een maximum van € 252,73 per maand (niveau basisbeurs WSF voor de uitwonende student). Deze bijdrage wordt verstrekt als schenking.

5.2. Voor de uitwonende student een persoonsgebonden maandbudget voor levensonderhoud, zorgverzekering, reiskosten enz. tot een maximum van € 501,68 per maand (WSF niveau aanvullende beurs + rentedragende lening). Voor de thuiswonende student bedraagt het maximum € 320,80. Het persoonsgebonden budget wordt als lening verstrekt.

5.3. In bijzondere gevallen, dit ter beoordeling aan deputaten, kan een partnertoeslag worden toegekend ten behoeve van de verzorging van kinderen tot 12 jaar. De partnertoeslag bedraagt maximaal € 529,03 per maand (WSF-richtlijn) en wordt als lening verstrekt.

Het toegekende bedrag wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald.

Artikel 6 — Aflossing lening

Van de totaal bij het studiefonds opgebouwde lening wordt 70 procent kwijtgescholden in gelijke delen over 15 jaar, te beginnen drie jaar na het afsluiten van de studie. De overige 30 procent van de lening dient in 15 jaar te worden afgelost, eveneens te beginnen drie jaar na beëindiging van de studie. Deze aflossing geschiedt lineair in nader overeen te komen tijdvakken van hooguit één jaar.

Artikel 7 — Overige bepalingen

7.1. Indien de student de studie tussentijds afbreekt dan wel de admissiale status verliest, dient het totale bedrag van de reeds verstrekte lening binnen zes maanden te worden terugbetaald. In bijzondere omstandigheden kunnen deputaten, na overleg met het curatorium, een afwijkende regeling treffen.

7.2. Indien de student resp. predikant bij overlijden nog een restant schuld heeft, vervalt deze.

7.3. Indien de predikant met vervroegd emeritaat gaat, kunnen deputaten overwegen om, afhankelijk van de financiële situatie van de predikant, het eventuele restant van de af te lossen lening geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.

7.4. Indien de student na beëindiging van de studie geen predikant wordt of als predikant overgaat tot een andere staat des levens (art. 12 K.O.) of het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerken verlaat, dient hij naast het verplicht af te lossen deel van de lening ook het nog resterende deel van het oorspronkelijk kwijt te schelden bedrag af te lossen in nader overeen te komen termijnen.

7.5. De aanvrager dient vooraf schriftelijk te verklaren dat hij instemt met deze voorwaarden.

Artikel 8 — Hardheidsclausule

In bijzondere gevallen waarin de regeling niet voorziet of leidt tot een onredelijke uitwerking, beslissen deputaten. Dit is mede afhankelijk van de hun ter beschikking staande financiële middelen.

Artikel 9 — Overgangsregeling

De nieuwe regeling m.b.t. aflossing resp. toekenning van de bijdrage zal ook gelden voor hen aan wie een bijdrage is toegekend onder de bepalingen van de regeling 2001.

Artikel 10 — Definities

ad 3.1.2. Onder het vrij besteedbaar gezinsvermogen wordt verstaan het saldo van contant geld, bank- en girotegoeden plus de waarde van aandelen en overige beleggingen minus schulden per 1 januari van het jaar van aanvraag. Een eigen woning met daarop rustende hypotheek is daarbij niet inbegrepen.

ad 3.1.3. Onder het totale gezinsvermogen wordt verstaan het totaal van het vrij besteedbaar gezinsvermogen inclusief alle overige bezittingen en schulden. Voor de waardebepaling van de eigen woning wordt uitgegaan van de WOZ-waarde.

ad 3.2. Onder het nettogezinsinkomen wordt verstaan de som van:

• netto-inkomen uit arbeid en/of uit vroegere arbeid;

• resultaat uit overige werkzaamheden;

• winst uit onderneming;

• voordeel uit sparen en beleggen;

• periodieke uitkeringen (uitgezonderd kinderbijslag),

• huurwaardeforfait eigen woning waarbij de eerste € 1.500,- is vrijgesteld;

• ontvangen heffingskorting en/of inkomstenbelasting;

• minus: betaalde inkomstenbelasting;

een en ander over het kalenderjaar vóór het moment van aanvraag.

De bijdrage uit het studiefonds wordt niet tot het nettogezinsinkomen gerekend.

Het nettogezinsinkomen wordt jaarlijks geïndexeerd aan de WSF-norm.

B. met betrekking tot het stimuleringsfonds

Regeling stimuleringsfonds (regeling 2007) De synode besloot:

De regeling stimuleringsfonds als volgt vast te stellen:

Regeling stimuleringsfonds (regeling 2007)

1. Aanvragen voor een bijdrage uit het stimuleringsfonds dienen door de predikant in overleg met zijn kerkenraad te worden ingediend bij het college van hoogleraren aan de Theologische Universiteit in Apeldoorn;

2. de predikant voor wie een aanvraag wordt gedaan, dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

a. hij heeft het doctoraal examen cum laude behaald of op een niveau dat dit volgens het college van hoogleraren benadert;

b. hij kan een uitgewerkt schema voor het proefschrift overleggen met daaraan gekoppeld een tijdpad om de studie te voltooien;

c. hij is bezig met een wetenschappelijke studie die relevant is voor het geheel van de Christelijke Gereformeerde Kerken;

3. het college van hoogleraren neemt samen met het curatorium een beslissing over de aanvraag alsook over de termijn van toewijzing. De maximumtermijn is twee keer een halfjaar, dan wel vier keer drie maanden;

4. de toekenning vindt plaats onder het voorbehoud dat er voldoende financiële ruimte is. De financiële ruimte wordt vastgesteld door deputaten studie- en stimuleringsfonds;

5. de financiële bijdrage van het stimuleringsfonds is bedoeld om een plaatsvervanger te betalen voor de predikant die bezig is met zijn promotie. De vergoeding wordt uitbetaald aan de kerkenraad van de betreffende gemeente. De vergoeding zal niet meer bedragen dan de werkelijk gemaakte kosten. Het maximum zal nooit meer bedragen dan de verschuldigde traktementskosten (incl. vergoedingen) conform de richtlijnen van deputaten financiële zaken;

6. het overzicht van de gemaakte kosten dient door de betreffende kerkenraad per kwartaal te worden ingediend bij de penningmeester van deputaten studie- en stimuleringsfonds, welke na goedkeuring de rekeningen betaalbaar stelt.

2. BIJLAGE 37

Instructie voor de deputaten tot beheer van een landelijk kerkelijk bureau

De synode besloot:

de instructie voor deputaten als volgt vast te stellen:

Instructie voor de deputaten tot beheer van een landelijk kerkelijk bureau

Artikel 1

Het door de generale synode ingestelde deputaatschap tot beheer van een landelijk kerkelijk bureau bestaat uit zes leden, waarvan drie leden benoemd door de generale synode en één lid vanuit elk van de drie bureauhoudende deputaatschappen. De generale synode benoemt de voorzitter, de secretaris en de penningmeester.

Artikel 2

Het deputaatschap heeft tot taak het beheren van het landelijk kerkelijk bureau (LKB). Dit bureau omvat naast het bureau algemene zaken de bureaus van specifieke deputaatschappen die op dezelfde locatie hun werkzaamheden verrichten. De gehele dienstenorganisatie -betrokken deputaatschappen en het Dienstenbureau- is één organisatie ten dienste van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland.

Artikel 3

Deputaten zijn bevoegd zorg te dragen voor de huisvesting, het aanschaffen van apparatuur, het aanstellen van een directeur en de verder noodzakelijke administratieve krachten voor dit bureau, een en ander binnen de door de generale synode goedgekeurde begroting.

Artikel 4

Het landelijk kerkelijk bureau heeft tot taak:

A. Ten behoeve van kerken, classes, particuliere synodi, generale synodi en deputaatschappen van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland het verlenen van secretariële, redactionele en administratieve assistentie, nader gespecificeerd in de volgende activiteiten:

1. het fungeren als kerkelijk adres;

2. het verstrekken van informatie over zaken die het werkgebied van het kantoor raken;

3. het incasseren en administreren van en informeren over giften en collecten;

4. het verzorgen van financiën en verantwoording van deputaatschappen;

5. het verzorgen van de personeels- en loonadministratie;

6. beheer van de adressen- en abonnementenadministratie;

7. het voorbereiden (data, vergaderplaats, convocaties) en notuleren van vergaderingen van deputaatschappen;

8. het ondersteunen van deputaatschappen bij beleidsuitvoerende werkzaamheden;

9. het opzetten en onderhouden van een internetsite voor het geheel van de kerken.

B. Ten behoeve van de generale synode, het vertegenwoordigen van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland als werkgever in de zin der wet van alle niet-ambtelijke kerkelijke medewerkers van de deputaatschappen die niet bedoeld worden in art. 84 K.O., toevoeging 3 sub b.

Artikel 5

De kosten van het bureau worden naar rato van de verrichte arbeid in rekening gebracht aan de opdrachtgevers, tegen kostendekkende tarieven.

Artikel 6

Deputaten zijn verantwoording schuldig aan de generale synode en brengen aan elke generale synode rapport uit.

3. BIJLAGE 38

Klachtenprocedure ingeval van misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties

De synode besloot:

de klachtenprocedure als volgt vast te stellen:

I. Klachtenprocedure ingeval van misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties

I. Begrippenomschrijving

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Misbruik van gezagsrelatie:

Iedere uiting van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag, opzettelijk of onopzettelijk, door een pastorale of andere kerkelijke medewerker, aangesteld binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, waardoor ten opzichte van een gemeentelid, vanuit de gezagspositie, vertrouwen geschonden wordt en de grens van persoonlijke integriteit overschreden wordt en welke derhalve op gespannen voet staat met datgene wat ons in Gods Woord wordt voorgehouden ten aanzien van de omgang met de naaste. Dit kan seksueel getinte uitingen betreffen, maar ook ander intimiderend gedrag (zie ook toelichting).

b. Klacht:

Een bij de klachtencommissie of bij een kerkenraad(slid) door een klager schriftelijk naar voren gebracht bezwaar betreffende een onder a. bedoelde uiting.

c. Klager.

Degene die voor zichzelf een klacht indient bij de klachtencommissie of een kerkenraad(slid).

Ten behoeve van een minderjarige, degene die onder curatele is gesteld of degene ten aanzien van wie een mentorschap is ingesteld, kan diens wettelijk vertegenwoordiger optreden.

Een minderjarige die voldoende in staat is zijn eigen belangen te behartigen, kan ook zelfstandig een klacht indienen.

d. Aangeklaagde.

De pastorale of andere kerkelijke medewerker tegen wie de klacht is gericht (zie ook toelichting).

e. (Klachten) commissie:

De door de generale synode benoemde ‘klachtencommissie inzake misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties’, die bevoegd is een klacht, al dan niet via kerkenraad of meldpunt binnengekomen, in behandeling te nemen.

f. Meldpunt:

Een centraal punt waar deskundige medewerkers ter zake van misbruik van gezagsrelaties en klachtenprocedure informatie en advies kunnen geven. Deze medewerkers kunnen zonodig verwijzen naar de klachtencommissie en een intensievere vorm van hulpverlening. Tevens kunnen zij een klager of aangeklaagde begeleiden tijdens en na de procedure van de klachtencommissie.

g. Vertrouwenspersoon:

Degene die op verzoek van een klager of aangeklaagde diens belangen mede behartigt, dan wel als diens vertegenwoordiger of gemachtigde optreedt. Dit kan een medewerker van het meldpunt zijn.

h. Beroepscommissie klachten:

De commissie, ingesteld door de generale synode 2004 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, die belast is met onderzoek en beoordeling in appel van uitspraken inzake klachten van:

- de klachtencommissie misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties;

- de klachtencommissie seksuele intimidatie van de Theologische Universiteit Apeldoorn;

- het curatorium van de Theologische Universiteit Apeldoorn.

i. Beroepsprocedure (klachten):

Procedure voor de behandeling van klachten waartegen appel is ingesteld, zoals aangegeven onder h.

II. Taak, bevoegdheid en samenstelling klachtencommissie

Artikel 2

De door de generale synode benoemde klachtencommissie heeft tot taak de bij haar of bij een kerkenraad binnengekomen klachten te bezien op ontvankelijkheid, en deze in dat geval nader te onderzoeken en te beoordelen op de al dan niet gegrondheid ervan.

In zich voordoende gevallen wordt advies uitgebracht over de afdoening van de zaak aan de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort.

Na het uitbrengen van het advies c.q. na de beslissing dat de klacht niet ontvankelijk of ongegrond is, is de taak van de commissie geëindigd, behoudens het bepaalde in art. 17, lid 5.

Artikel 3

De klachtencommissie is bevoegd kennis te nemen van een klacht indien de klager, al dan niet door tussenkomst van de kerkenraad of de vertrouwenspersoon, de klacht schriftelijk indient en de klacht ook overigens voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 5.

Artikel 4

1. De klachtencommissie dient zodanig te zijn samengesteld dat een deskundige en onpartijdige behandeling van klachten gewaarborgd is.

2. Het lidmaatschap van de klachtencommissie is niet verenigbaar met de functie van de vertrouwenspersoon.

3. De klachtencommissie die minstens evenveel vrouwen als mannen telt, bestaat minimaal uit zes en maximaal uit acht leden, afkomstig uit alle ressorten van de particuliere synodes en geselecteerd uit het juridisch veld, de hulpverlening, zo mogelijk met deskundigheid op het gebied van seksueel geweld, en het kerkelijk pastoraat.

Er is een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter, een secretaris en een plaatsvervangend secretaris.

4. Daarnaast kan de generale synode deskundigen benoemen, zonodig uit andere kerkgenootschappen, die zich op afroep beschikbaar stellen om eventueel ad hoc in de commissie te participeren.

5. Benoeming van de commissieleden geldt voor drie jaar. Herbenoeming is vier keer mogelijk.

De zittingsduur van een lid, dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats de benoeming plaatsvindt.

6. De commissie kan zich laten bijstaan door externe adviseurs, zonodig uit andere kerkgenootschappen, die zich conformeren aan de door de generale synode te stellen voorwaarden.

7. De commissie kan zich laten ondersteunen door secretariële medewerkers.

8. Het karakter van de klachtenprocedure verplicht de leden van de klachtencommissie, de daarnaast benoemde deskundigen, de externe adviseurs en de secretariële medewerkers tot volstrekte geheimhouding (zie ook toelichting bij art. 4).

III. Ontvankelijkheid van de klacht en het overleggen van stukken

Artikel 5

1. Een ieder die lid is, of is geweest, van een Christelijke Gereformeerde kerk, hetzij als belijdend lid, hetzij als dooplid, hetzij als meelevend lid, kan bij de commissie een klacht indienen tegen degene die misbruik maakte van zijn gezagsrelatie.

2. Iemand die geen lid is, of is geweest, van een Christelijke Gereformeerde kerk kan een klacht indienen indien misbruik van een kerkelijke gezagsrelatie is gemaakt tijdens een functioneel contact met de aangeklaagde of voortvloeiend uit een functioneel contact met de aangeklaagde.

3. Een klacht dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend, maar blijft ontvankelijk zolang de aangeklaagde op zijn verantwoordelijkheid kan worden aangesproken (zie ook toelichting).

4. Een klacht wordt schriftelijk ingediend bij de commissie. Dit kan zowel rechtstreeks door de klager als via een (lid van de) kerkenraad en via een vertrouwenspersoon.

5. Een klacht bevat naast de volledige namen, de geboortedatum en het adres van de klager(s), alsmede een dagtekening, ten minste:

a. een omschrijving van de uiting die aangegeven wordt als misbruik van de gezagsrelatie;

b. het tijdstip of de periode waarop deze betrekking heeft;

c. de identiteit van de aangeklaagde(n), met vermelding van adres(sen);

d. en een overzicht van door de klager(s) ondernomen stappen en eventueel daarop betrekking hebbende stukken (zie ook toelichting bij art. 5).

IV. Doorzending

Artikel 6

1. Indien een klacht wordt ingediend bij een kerkenraad(slid) wordt deze zo spoedig mogelijk, doch binnen twee maanden, ter behandeling doorgezonden naar de klachtencommissie (zie toelichting).

2. De kerkenraad informeert klager over de doorzending naar de commissie en wijst de klager op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

V. Procedure klachtbehandeling

Artikel 7

1. De secretaris van de klachtencommissie bevestigt aan de klager, in principe binnen een week, schriftelijk de ontvangst van de klacht en informeert de klager over de werkwijze van de commissie en wijst voor zover nog nodig op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

2. De secretaris informeert zoveel mogelijk gelijktijdig de aangeklaagde over het feit dat een klacht is binnengekomen en zendt hem een afschrift van de klacht en eventuele andere schriftelijke stukken. Ook de aangeklaagde wordt geïnformeerd over de werkwijze van de commissie en de mogelijkheid een vertrouwenspersoon in te schakelen.

Artikel 8

1. De secretaris en de voorzitter, eventueel aangevuld met andere leden, gaan na of de klacht ontvankelijk is. Is dit niet het geval dan worden klager en aangeklaagde daarover zo spoedig mogelijk met toelichting geïnformeerd, evenals ingeval van doorzending de betreffende kerkenraad.

2. Indien de klacht ontvankelijk is, wordt de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort vertrouwelijk op de hoogte gesteld van het feit dat de klachtencommissie de klacht in behandeling heeft. Van dit laatste kan worden afgezien wanneer dit in alle redelijkheid niet dienstig beschouwd wordt, dit ter beoordeling van de klachtencommissie.

Artikel 9

1. Is de klacht ontvankelijk dan roept de (plaatsvervangend) secretaris de klachtencommissie bijeen teneinde te overleggen in welke samenstelling van drie of maximaal vier personen de klacht tijdens de hoorzitting behandeld zal worden.

In beginsel zullen dit zijn: de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter, de secretaris of de plaatsvervangend secretaris en een of twee leden, geen van allen uit de regio van de particuliere synode(s), waaruit klager en aangeklaagde afkomstig zijn. Aan de behandeling ter zitting nemen zowel mannelijke als vrouwelijke commissieleden deel, zoveel mogelijk uit elk van de drie in art. 4 genoemde velden. 2. De commissie bepaalt binnen zes weken na ontvangst van de klacht de datum en de plaats(en) waar klager en aangeklaagde door de commissie zullen worden gehoord. De hoorzitting vindt in principe plaats binnen acht weken.

Artikel 10

1. De secretaris zendt klager en aangeklaagde minstens veertien dagen voor de hoorzitting een oproep, met eventuele aanvullende stukken die op de zaak betrekking hebben voor zover deze naar de mening van de commissie voor doorzending in aanmerking komen.

2. Eventueel later binnengekomen stukken worden voor zover nodig en mogelijk nog voor de zitting doorgezonden aan de andere partij.

Artikel 11

1. De hoorzittingen van de commissie zijn besloten. De secretaris maakt van iedere zitting een schriftelijk verslag, bestemd voor partijen en de commissie.

2. Een samenvatting van de klacht en van de bevindingen tijdens het onderzoek die voor de besluitvorming van belang geacht worden, zullen vóór de definitieve besluitvorming aan klager en aangeklaagde worden voorgelegd. Dezen krijgen veertien dagen de tijd om daarop te reageren.

3. Klager en aangeklaagde worden in beginsel in eerste instantie afzonderlijk en daarna in eikaars aanwezigheid gehoord.

De klachtencommissie kan ambtshalve of op verzoek beslissen af te zien van het gezamenlijk horen van partijen indien aannemelijk is dat dat een zorgvuldige behandeling zal belemmeren.

4. Op verzoek van een van de partijen kan de hoorzitting worden aangehouden tot maximaal zes maanden na ontvangst van de klacht. Deze termijn kan onder bijzondere omstandigheden worden verlengd.

Zowel klager als aangeklaagde wordt op de hoogte gesteld van aanhouding en verlenging.

5. De klachtencommissie kan getuigen en deskundigen horen alsmede andere personen die inlichtingen kunnen verschaffen omtrent het mogelijke misbruik van een gezagsrelatie en/of de omstandigheden waaronder dit zou hebben plaatsgevonden. Getuigen die anoniem wensen te blijven, kunnen aan de commissie een verzoek doen tot bescherming van de identiteit. De commissie is ook bevoegd schriftelijke informatie te vragen.

6. Indien de aangeklaagde het hem in de klacht ten laste gelegde zonder meer ontkent, kan de commissie een onderzoek vragen van een ter zake deskundige.

Artikel 12

1. Indien klager naast de klacht tevens aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit kan de commissie de behandeling van de klachtencommissie opschorten in afwachting van de resultaten van het onderzoek in de strafzaak.

Opschorting is ook mogelijk indien een civiele procedure is gestart samenhangend met de klacht.

2. Indien klager een klacht intrekt, behoudt de klachtencommissie zich het recht voor een onderzoek in te stellen naar de reden van de intrekking.

VI. Beoordeling klacht

Artikel 13

1. De commissie doet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk zes weken na de laatste hoorzitting, uitspraak omtrent de gegrondheid van de klacht.

2. Acht de klachtencommissie de klacht ongegrond dan deelt zij dit gemotiveerd schriftelijk mee aan de klager en aan de aangeklaagde. De betreffende kerkenraad wordt geïnformeerd indien deze van de klacht op de hoogte is. De betreffende kerkenraad wordt ook geïnformeerd indien deze niet van de klacht op de hoogte is, maar de commissie dit in alle redelijkheid dienstig acht.

3. Acht de klachtencommissie de klacht gegrond dan deelt zij dit, onder overlegging van een samenvatting van de klacht en de bevindingen tijdens het onderzoek, gemotiveerd schriftelijk mee onder toevoeging van een advies voor afdoening door de kerkenraad, aan de klager, de aangeklaagde en de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort.

VII. Beroepsmogelijkheid

Artikel 14

Aangeklaagde en klager kunnen van de al dan niet gegronde verklaring binnen vier weken na dagtekening van het besluit van de klachtencommissie in appel gaan bij de beroepscommissie klachten.

Klager kan bij deze beroepscommissie ook in appel gaan indien zijn klacht niet ontvankelijk is verklaard.

VIII. Bewaartermijn stukken

Artikel 15

De op de zaak betrekking hebbende stukken zullen in principe tot tien jaar na ontvangst van de klacht door de klachtencommissie in het archief van de commissie bij de secretaris bewaard worden.

Een schaduwarchief, ondergebracht bij de archivaris van de synode, zal gelijktijdig vernietigd worden.

Indien binnen de termijn van tien jaar een nieuwe aanklacht tegen dezelfde persoon binnen komt, blijven ook de eerdere stukken langer bewaard.

IX. Te adviseren maatregelen

Artikel 16

1. De klachtencommissie zal bij het uitbrengen van advies zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de in de kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken (K.O.) aangegeven tuchtmaatregelen, met dien verstande dat gezien de gezagsrelatie de bescherming van het slachtoffer en het voorkómen van nieuwe feiten daarbij een pregnante rol dienen te spelen.

2. In acute situaties dienen door de betreffende kerkenraad, in overleg met de klachtencommissie, voor of hangende het onderzoek zonodig voorlopige maatregelen getroffen te worden.

X. Beslissing kerkenraad en verdere afdoening

Artikel 17

1. De kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort, neemt binnen vier weken na dagtekening van de uitspraak van de klachtencommissie (eventueel na appel) of, indien nog appel mogelijk is, na het onherroepelijk worden van de uitspraak een beslissing op grond van het uitgebrachte advies van de klachtencommissie en informeert hierover schriftelijk de klager, de aangeklaagde en de betreffende commissie (zie ook toelichting).

2. De kerkenraad is gebonden aan de beslissing van de klachtencommissie c.q. de beroepscommissie betreffende wel of niet ontvankelijkverkiaring en betreffende wel of niet gegrondverklaring.

3. Indien een klacht gegrond is verklaard, volgt de kerkenraad in principe het advies van de klachtencommissie.

Indien de kerkenraad op grond van zwaarwegende bezwaren niettemin van het advies zou willen afwijken, dan bericht hij dit eveneens binnen vier weken schriftelijk onder vermelding van de motieven aan de klager, de aangeklaagde en de commissie.

4. Klager en aangeklaagde kunnen zich ten aanzien van de beslissing van de kerkenraad overeenkomstig art. 31 K.O. binnen een maand beroepen op de classis. Zij kunnen zich ook op de classis beroepen indien de kerkenraad na twee maanden nog geen beslissing heeft genomen en betrokkenen daarover ook geen redelijke uitleg heeft gegeven.

5. Op initiatief van de betreffende kerkenraad kan ter toelichting op het uitgebrachte advies een gezamenlijk overleg geëntameerd worden met de commissie.

II. Toelichting bij de klachtenprocedure van de Christelijke Gereformeerde Kerken

Algemeen

In de klachtenprocedure is voor klager en aangeklaagde de mannelijke vorm gebruikt. Indien van toepassing dient de vrouwelijke vorm gelezen te worden.

Art. 1 sub a

Bij een andere kerkelijke medewerker, aangesteld binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken, kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een gemeentelid dat in een bepaalde functie benoemd is door de kerkenraad.

Voor eventueel misbruik van gezag dient er dan tevens sprake te zijn van een gezagsrelatie ten opzichte van degene die wil klagen.

Art 1 sub d

Het misbruik waarover geklaagd wordt, moet geheel of gedeeltelijk hebben plaatsgevonden in de periode waarin betrokkene in functie was, aangesteld binnen een Christelijke Gereformeerde kerk en werkzaam in of vanwege de kerk. De klacht kan ook worden ingediend na beëindiging van de functie.

Art. 4

Onpartijdig optreden en geheimhouding:

De commissieleden stellen zich afwachtend en zo objectief mogelijk op. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij geen activiteiten ontplooien t.a.v. het formuleren van een klacht (zij kunnen desgevraagd wel verwijzen) en geen aangifte doen van een strafbaar feit indien de wet daartoe niet verplicht.

Informatie naar betrokkenen wordt desgevraagd zo objectief mogelijk geformuleerd. Gezien de geheimhoudingsplicht wordt er naar buiten toe geen enkele mededeling gedaan over een zaak, ook niet over het al dan niet aangemeld zijn (geweest), behoudens hetgeen waartoe de klachtenprocedure verplicht.

Persvoorlichting aan kerkelijke en andere bladen dient niet door leden van de klachtencommissie gedaan te worden.

Art. 5

De klager voert zoveel mogelijk aantoonbare feiten aan, nodig om het gestelde misbruik te bevestigen en legt daartoe reeds aanwezige stukken over en geeft een overzicht van door hemzelf reeds ondernomen stappen en eventueel daarop betrekking hebbende stukken.

Van belang voor de ontvankelijkheid is:

a. of de omschrijving van de uiting valt onder art. 1 sub a;

b. of voldaan is aan de formaliteiten genoemd in art. 5.

Het alleen stellen dat er misbruik van een gezagsrelatie is geweest, is onvoldoende. Het niet (meteen) overleggen van alle stukken hoeft niet om die reden tot niet ontvankelijkheid te leiden.

Art. 5 lid 3

‘Zolang iemand op zijn verantwoordelijkheid kan worden aangesproken’ omvat twee aspecten: zolang iemand in leven is èn lid is van de Christelijke Gereformeerde Kerken.

Art. 6 lid 1

Het is van belang dat een kerkenraad een bij hem binnengekomen klacht niet te lang aan zich houdt. Door een te grote betrokkenheid is de kans groot dat de objectiviteit onvoldoende gewaarborgd wordt, hetgeen ten koste kan gaan van klager of aangeklaagde. Bovendien is het niet denkbeeldig dat klager, aangeklaagde en/of de kerkenraad binnen de gemeente steun gaan zoeken voor eigen standpunt, waardoor er onrust binnen de gemeente ontstaat.

Art. 17 lid 1

De uitspraak van de klachtencommissie is onherroepelijk indien:

1. niet binnen vier weken appel is ingesteld;

2. zowel klager als aangeklaagde schriftelijk hebben verklaard geen appel te zullen instellen. Ingeval appel is ingesteld tegen een niet ontvankelijkverklaring is een schriftelijke verklaring van de klager voldoende voor het onherroepelijk worden van de uitspraak.

4. BIJLAGE 38A

Beroepsprocedure voor klachten inzake misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties en inzake seksuele intimidatie Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA)

De synode besloot:

De beroepsprocedure voor klachten als volgt vast te stellen:

Beroepsprocedure voor klachten inzake misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties en inzake seksuele intimidatie Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA)

I Uitgangspunt

Artikel 1

De beroepsprocedure komt, voorzover van toepassing, overeen met

- de klachtenprocedure inzake misbruik van pastorale en andere kerkelijke gezagsrelaties

c.q. met

- de klachtenregeling seksuele intimidatie van de TUA,

behoudens hetgeen in de onderhavige procedure geregeld wordt.

II Taak/ bevoegdheid en samenstelling beroepscommissie

Artikel 2

1. De beroepscommissie heeft tot taak de bij haar binnengekomen beroepschriften zelfstandig te beoordelen op de al dan niet gegrondheid van de klacht en op de al dan niet ontvankelijkheid indien een klager in appel komt van zijn niet ontvankelijkverklaring.

2. Bij de beroepscommissie kan ook appel ingesteld worden, zowel door de klager als door de aangeklaagde, van een besluit van het curatorium van de TUA op grond van een door de klachtencommissie seksuele intimidatie uitgebracht advies.

Artikel 3

1. De beroepscommissie bestaat uit drie leden, van wie minstens één vrouw.

In de beroepscommissie zijn de juridische deskundigheid en deskundigheid op het gebied van hulpverlening, zo mogelijk met bekendheid terzake van seksueel geweld, vertegenwoordigd.

Er is een voorzitter (jurist) en een secretaris.

2. Benoeming van de leden van de beroepscommissie geldt voor drie jaar. Herbenoeming is vier keer mogelijk. De zittingsduur van een lid dat is benoemd op een tussentijds opengevallen plaats, is gelijk aan de duur van de resterende zittingsperiode van het lid in wiens plaats de benoeming plaatsvindt.

3. Indien een lid van de beroepscommissie met het oog op onpartijdigheid of anderszins niet kan deelnemen aan de behandeling van een zaak kan, indien het appel een uitspaak van de klachtencommissie misbruik betreft, een lid van de klachtencommissie van de TUA gevraagd worden zitting te nemen in de beroepscommissie en andersom.

4. De beroepscommissie kan zich laten ondersteunen door een van de secretariële medewerkers c.q. een ambtelijk secretaris, mits deze niet de betreffende klachtencommissie in dezelfde zaak ondersteunde.

III Ontvankelijkheid en het overleggen van stukken

Artikel 4

1. Een appel dient binnen vier weken na dagtekening van de uitspraak van de betreffende klachtencommissie schriftelijk te worden ingediend bij de secretaris van de beroepscommissie.

2. Bij het beroepschrift dienen in ieder geval overgelegd te worden de uitspraak waarvan beroep wordt ingesteld, met bijlagen en het verslag van de hoorzitting.

IV Procedure klachtbehandeling in appel

Artikel 5

De secretaris van de beroepscommissie informeert zo spoedig mogelijk de andere partij, alsmede de betreffende kerkenraad c.q. het curatorium, over het ingestelde appel. Ook de betreffende klachtencommissie wordt hierover geïnformeerd.

Van het informeren van de kerkenraad wordt afgezien indien deze niet op de hoogte is van het indienen van de klacht en informatie in alle redelijkheid niet dienstig wordt beschouwd, dit ter beoordeling van de beroepscommissie.

Artikel 6

a. Indien de beroepscommissie een door een van de klachtencommissies niet ontvankelijk verklaarde klacht alsnog ontvankelijk verklaart, wordt deze voor behandeling terugverwezen naar de betreffende klachtencommissie.

De secretaris van de beroepscommissie doet daartoe de beslissing zo spoedig mogelijk toekomen aan de betreffende klachtencommissie en stuurt de beslissing ter informatie aan betrokkenen en aan de betreffende kerkenraad c.q. het curatorium. Van het informeren van de kerkenraad kan worden afgezien indien dit in alle redelijkheid niet dienstig beschouwd wordt, dit ter beoordeling van de beroepscommissie.

b. Indien de beroepscommissie een ongegrond verklaarde klacht alsnog gegrond verklaart, wordt deze zo spoedig mogelijk voor advies terugverwezen naar de betreffende klachtencommissie.

De secretaris van de beroepscommissie doet daartoe de beslissing toekomen aan de betreffende klachtencommissie en stuurt de beslissing ter informatie aan betrokkenen en aan de kerkenraad van de gemeente waartoe de aangeklaagde behoort c.q. het curatorium.

c. Indien de beroepscommissie een gegrond verklaarde klacht alsnog ongegrond verklaart, wordt deze beslissing zo spoedig mogelijk toegezonden aan betrokkenen en aan de betreffende kerkenraad c.q. het curatorium.

De betreffende klachtencommissie wordt eveneens geïnformeerd over de uitspraak.

5. BIJLAGE 42A

Instructie voor deputaten radio- en televisiediensten

De synode besloot:

De instructie voor deputaten als volgt vast te stellen:

Instructie voor deputaten radio- en televisiediensten

Artikel 1

De generale synode benoemt vier deputaten voor radio- en televisiediensten. Artikel 2

Tot de taak van deputaten behoort:

a. het vertegenwoordigen van de Christelijke Gereformeerde Kerken in de stichting Zendtijd voor Kerken te Hilversum, die de technische en organisatorische verzorging van de aan de kerken toegewezen zendtijd behartigt;

b. het aanwijzen van kerken die aan uitzending meewerken;

c. er daarbij op te wijzen dat een televisiedienst die wordt uitgezonden onder verantwoordelijkheid van een Christelijke Gereformeerde kerk, volgens besluit van de generale synode 1965 en 1980, een evangelisatorisch karakter dient te hebben;

d. het binnen de stichting erop toezien dat uitzendingen die niet het specifieke karakter van een radio- of televisiedienst hebben, worden gebruikt om mensen te bereiken die van het evangelie vervreemd zijn of die het evangelie niet kennen;

e. het onderhouden van contact met predikanten en/of andere leden van de kerken die zich in opdracht van de kerken intensief met het gebruik van de massamedia bezighouden;

f. zich te oriënteren op en te laten voorlichten over eventuele nieuwe mogelijkheden om het evangelie landelijk en plaatselijk via de massamedia te verbreiden;

g. het voorlichten van de kerken over de mogelijkheden die er zijn om plaatselijke diensten met gebruik van moderne middelen in de huiskamer te brengen;

h. het dienen van de kerken met bezinning op en voorlichting over het omgaan met privacygevoelige gegevens.

Artikel 3

Deputaten leggen van hun werkzaamheden verantwoording af aan de generale synode.

6. BIJLAGE 43

Rechtspositieregeling van niet-ambtelijke medewerkers van deputaatschappen als bedoeld in artikel 84 K.O. (kleine letters). Deze regeling kan tevens dienen als richtlijn voor medewerkers in dienst van een plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerk

De synode besloot:

de rechtspositieregeling van niet-ambtelijke medewerkers van deputaatschappen als bedoeld in artikel 84 lid 3-a K.O. als volgt vast te stellen:

Rechtspositieregeling van niet-ambtelijke medewerkers van deputaatschappen als bedoeld in artikel 84 K.O. (kleine letters). Deze regeling kan tevens dienen als richtlijn voor medewerkers in dienst van een plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerk

(noot: Waar in de regeling de mannelijke persoonsvorm wordt gebruikt, dient in voorkomende gevallen de vrouwelijke persoonsvorm te worden gelezen.)

Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Deze algemene bepalingen zijn van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen (de hierna aangeduide) werkgever en werknemer. Deze vormen geen reglement als bedoeld in artikel 7: 613 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Voor de volgende uitvoeringsregelingen worden de binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) geldende regelingen gevolgd: salarisschalen, salarissen, vakantie- en leeftijdsdagen en vergoedingen.

Bepalingen inzake de arbeidsovereenkomst

Artikel 2

Werkgever: (1) de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, ten deze vertegenwoordigd door haar deputaten landelijk kerkelijk bureau (LKB), dan wel (2) de raad van de Christelijke Gereformeerde Kerk te………..

Artikel 3

1. Werknemer: (1) het belijdend lid van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland aan wie, als kerkelijk werker in de zin van artikel 3 sub 8 van de kerkorde, door werkgever een schriftelijke bijzondere opdracht is verstrekt, dan wel (2) de in Nederland woonachtige medewerker voor het verrichten van niet-ambtelijk kerkelijk werk met wie een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan en die zijn functie zal vervullen onder leiding van de directeur van het LKB, resp. deputaten op wier terrein hij werkt.

2. Voor werving en selectie van een werknemer (2) wordt zorggedragen door deputaten onder leiding van wie de werknemer zijn functie zal gaan vervullen. Indien dat niet deputaten LKB zijn, zullen zij daarvoor met deputaten LKB in contact treden en een bindende voordracht doen voor de benoeming.

3. De arbeidsovereenkomst met een werknemer (2) wordt ondertekend door werkgever (1) en werknemer en eveneens door deputaten onder leiding van wie de werknemer zijn functie zal gaan vervullen. Deputaten worden vertegenwoordigd door voorzitter en secretaris.

Artikel 4

Salaris: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen brutosalaris per maand, exclusief vakantietoeslag, eventuele toelagen en kostenvergoedingen.

De inschaling van werknemer (2) geschiedt bij aanstelling en bij wijziging hierin tijdens het dienstverband door deputaten onder leiding van wie hij zijn functie vervult na overleg met deputaten LKB en wordt schriftelijk te hunner kennis gebracht.

Artikel 5

Werkgebied (indien aangewezen):

het door de Christelijke Gereformeerde Kerk te…….dan wel door deputaten onder leiding van wie werknemer (2) zijn functie zal gaan vervullen daarvoor aangewezen gebied.

Artikel 6

Uitvoeringsregelingen, waarnaar wordt verwezen, vormen een geheel met de ‘algemene bepalingen’.

Artikel 7

1. De arbeidsovereenkomst wordt uitsluitend schriftelijk aangegaan en gewijzigd.

2. Elke binnen deze rechtspositieregeling vallende wijziging in de arbeidsovereenkomst of in salaris van werknemer (2) geschiedt door deputaten onder leiding van wie hij zijn functie vervult, na overleg met deputaten LKB en wordt schriftelijk ter kennis gebracht van deputaten LKB.

Artikel 8

In de arbeidsovereenkomst zal worden vermeld:

a. de naam en de vestigingsplaats van werkgever (2) dan wel de naam van deputaten LKB en indien van toepassing de naam van het deputaatschap onder leiding van wie hij zijn functie vervult alsmede de naam van degenen, die bevoegd zijn deze instanties te vertegenwoordigen;

b. de naam, voornamen, geboorteplaats en -datum van de werknemer, alsmede de functie waarin hij is aangesteld;

c. het adres van waaruit en het werkgebied (indien aangewezen) waarbinnen de werkzaamheden worden verricht;

d. voor werknemer (2) de bepaling, dat deze zich bereid verklaart om tijdelijk arbeid te verrichten voor een ander deputaatschap;

e. de verplichting tot verhuizing of de ontheffing daarvan;

f. de datum van het aangaan van de arbeidsovereenkomst en de datum van de aanvang van de werkzaamheden;

g. de duur van de overeenkomst, aangegaan voor onbepaalde tijd dan wel voor bepaalde tijd, al dan niet met een proeftijd;

h. de arbeidsduur;

i. het aanvangssalaris en de salarisschaal onder aanduiding van de uitvoeringsregeling van de PKN;

j. de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging;

k. het aantal vakantiedagen en vergrijzingsdagen per jaar, conform uitvoeringsregeling van de PKN;

1. eventuele bepalingen, regelingen, afspraken en verplichtingen die van toepassing zijn; m. de wederzijds in acht te nemen beëindigingstermijn;

n. de verklaring van werkgever en werknemer met de inhoud bekend te zijn en daarmee akkoord te gaan;

o. de verklaring van de werknemer een exemplaar van de Algemene Bepalingen’ en de daarbij behorende Uitvoeringsregelingen te hebben ontvangen.

Verplichtingen van de werknemer

Artikel 9

1. De werknemer is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem uit hoofde van zijn functie ter kennis is gekomen, voorzover die verplichting uit de aard der zaak volgt dan wel hem uitdrukkelijk is opgelegd. Deze verplichting geldt ook onbeperkt na beëindiging van het dienstverband.

2. De in lid 1 bedoelde verplichting bestaat niet tegenover hen die delen in de verantwoordelijkheid voor een goede vervulling van de functie van de werknemer noch ook tegenover hen wier medewerking tot die vervulling noodzakelijk is te achten, indien en voor zover dezen zelf tot geheimhouding verplicht zijn of zich daartoe dienen te verplichten.

3. De werknemer is verplicht alle in zijn functie ontvangen gelden en giften van welke aard ook zorgvuldig te beheren, te administreren en hiervan rekening en verantwoording af te leggen bij zijn werkgever.

4. Maandelijks zal de werknemer ten behoeve van de werkgever een schriftelijk verslag maken van de verrichte werkzaamheden, tenzij hij hiervan nadrukkelijk is vrijgesteld.

Artikel 10

De medewerker is gehouden de werkgever schriftelijk in kennis te stellen van het voornemen nevenwerkzaamheden te gaan verrichten en van uitbreiding van bestaande werkzaamheden. Indien deze werkzaamheden of de uitbreiding daarvan als strijdig met of schadelijk voor de vervulling van de functie kunnen worden beschouwd, dient de werkgever de medewerker binnen twee maanden na verzending van bedoelde kennisgeving schriftelijk onder opgave van redenen mede te delen dat het verrichten van deze werkzaamheden, of uitbreiding daarvan niet is geoorloofd.

Voordat de werkgever een beslissing neemt tot het niet toestaan van het verrichten van nevenwerkzaamheden of tot het uitbreiden daarvan, is hij verplicht de medewerker te horen. Indien door de werkgever niet binnen twee weken na het horen antwoord wordt gegeven op bedoelde kennisgeving, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

Een verleende toestemming kan te allen tijde door de werkgever worden ingetrokken, wanneer naar zijn oordeel en gehoord de medewerker, het belang van de werkzaamheden zulks vereist.

Artikel 11

Indien de werknemer verhinderd is, wegens arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ziektewet of wegens een andere oorzaak zijn werkzaamheden te verrichten, is hij verplicht daarvan onder opgave van redenen zo spoedig mogelijk mededeling te doen of te laten doen aan de werkgever op een door de werkgever te bepalen wijze. Zodra het tijdstip bekend is waarop hervatting van de werkzaamheden mogelijk zal zijn dient hij de werkgever daarvan in kennis te stellen.

Artikel 12

1. De werknemer is verplicht te wonen in of nabij de plaats van tewerkstelling of in het werkgebied indien zo’n werkgebied is aangewezen. Aan de werknemer kan, al dan niet op eigen verzoek, schriftelijk ontheffing worden verleend van de genoemde verplichting. Een verleende ontheffing kan — na overleg met de werknemer en met inachtneming van een redelijke termijn — worden ingetrokken, wanneer blijkt, dat het belang van het werk en een goede uitoefening van de functie zulks vereisen.

2. De werknemer (2) is gehouden op basis van daartoe dienend onderling bureauoverleg, dan wel op aanwijzing door of namens deputaten onder leiding van wie hij zijn functie vervult, tijdelijk arbeid te verrichten ten behoeve en onder leiding van een ander deputaatschap, indien dit mogelijk is en daaraan aldaar behoefte bestaat.

Artikel 13

De werknemer is verplicht die studies te volgen, die voor het vervullen van de functie noodzakelijk worden geacht en die als zodanig na overleg tussen werkgever en werknemer worden aangewezen.

De hieraan verbonden kosten komen volledig voor rekening van de werkgever. Indien de medewerker op eigen initiatief vertrekt, geldt de volgende regeling van terugbetalen: Beëindiging van het dienstverband:

• binnen 1 jaar 100 %

• binnen 2 jaar maar na 1 jaar 66,66 %

• binnen 3 jaar maar na 2 jaar 33,33 %

• na 3 jaar geen terugvordering meer.

De verrekening zal met het salaris plaatsvinden.

Voor het voor bedoelde studies volgen van lessen en het afleggen van examens tijdens de werktijd wordt verlof verleend met behoud van salaris. Het buiten werktijd volgen van de lessen en het afleggen van examens kan niet worden aangemerkt als te compenseren overwerk.

Verplichtingen van de werkgever

Artikel 14

1. De werkgever is verplicht om de werknemer in staat te (doen) stellen de overeengekomen werkzaamheden naar diens beste vermogen te verrichten en daarbij aanwijzingen te (doen) geven met inachtneming van de eisen van de functie en al datgene te doen en na te laten wat een goed werkgever in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten.

2. De werkgever is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem met betrekking tot de persoon van de werknemer in zijn kwaliteit van werkgever bekend is, tenzij de werknemer tot het verstrekken van op zijn persoon betrekking hebbende gegevens toestemming geeft. Deze verplichting geldt ook onbeperkt na beëindiging van het dienstverband.

3. Het onder lid 2 gestelde geldt eveneens voor deputaten onder leiding van wie de werknemer zijn functie vervult.

Artikel 15

1. De aanspraken op pensioen zijn gelijk aan die welke kunnen worden ontleend aan het van toepassing zijnde pensioenreglement van het Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (PGGM) te Zeist.

2. De pensioenpremie bestaat uit twee delen: het ouderdomspensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen. De PGGM stelt de premie vast. Op basis van deze premie berekent de PKN de premie die door de werkgever betaald wordt. Deze aanwijzing wordt gevolgd.

Salariëring

Artikel 16

1. Het salaris van de werknemer wordt vastgesteld volgens de richtlijnen van de PKN.

2. Een wijziging in het salaris wordt de werknemer terstond gespecificeerd en schriftelijk medegedeeld.

3. De werknemer dient uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand over zijn salaris te kunnen beschikken.

4. Geen salaris noch enige vergoeding is verschuldigd over de tijd gedurende welke de werknemer in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten. Dit wordt de werknemer binnen een redelijke termijn schriftelijk en gemotiveerd medegedeeld.

5. De werknemer die wegens ziekte verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, geniet, te rekenen vanaf de eerste ziektedag, tot maximaal twee jaar gemiddeld 85% van zijn laatstgenoten salaris.

6. Een werknemer die aanspraak heeft op een uitkering op grond van lid 5 van dit artikel, is verplicht om alle uitkeringen waarop hij in verband met zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft krachtens enigerlei wettelijke regeling of een door of namens een werkgever afgesloten verzekering, over te dragen op de werkgever.

Artikel 17

1. De werknemer heeft recht op vakantietoeslag voor iedere maand of ieder deel van de maand waarvoor hij salaris heeft genoten.

2. De vakantietoeslag bedraagt per kalendermaand 8% van het bedrag dat de werknemer in die maand aan salaris heeft genoten; de uitbetaling vindt achteraf plaats over de periode juni tot en met mei.

3. Bij een 12,5-jarig dienstverband ontvangt de werknemer een jubileumgratificatie ter grootte van een half maandsalaris bruto; deze uitkering is niet belastingvrij. Bij een 25-jarig, resp. 40-jarig dienstverband ontvangt de werknemer een gratificatie ter grootte van een maandsalaris netto.

4. Werknemers werkzaam in deeltijd ontvangen de in het vorige lid genoemde gratificatie naar rato van het op de dag van het jubileum geldende deeltijdpercentage.

Arbeidsduur

Artikel 18

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.