+ Meer informatie

Robert Fransen: ..Reizigers en zigeuners samen gat ït niet, het wordt altijd herrie.

15 minuten leestijd

Hun reislust is aan banden gelegd. Toch gaan de Sinti nog steeds een eigen weg. Gescheiden van de samenleving, verheven boven de 'reizigers'. Ondanks een eeuwenlange historie van vervolging en intimidatie zijn ze trots op hun cultuur, met z'n eigen taal en ongeschreven wetten. Vreemd aan deburgermaatschappij, waar hun erenaam als een scheldwoord klinkt. Een trektocht langs zigeuners in Nederland.

Verwelkt ligt het minikampje aan de A2, net buiten Bunde. Het geraas van het verkeer beneemt er dag en nacht de rust. De vrachtwagens, die op de steile helling voor Maastricht vaart minderen, zijn het ergst. Het geweld van remmende trucks doet de twee woonwagens op hun fundament schudden. „Dit is toch geen plaats om te leven", klaagt Maria Schattevoet, als we haar in de winter van '96 opzoeken. Met haar 49 jaren is het een oude vrouw, afgetobd door een moeizaam leven. Van haar man is ze gescheiden. Er viel niet meer samen te leven met de alcoholist. Wel komt hij regelmatig op bezoek. „De Heer wil dat we elkaar blijven liefhebben", verklaart de zigeunerin.
Ook dochter Maria is gescheiden. Met de zes jaar oude Whitney is ze bij haar moeder ingetrokken. Zus Ida bewoont een caravan op het kampje. Officieel is permanente bewoning niet toegestaan, maar geen mens die erop toeziet. Het koppeltje zigeuners leeft z'n eigen leven. Zonder krant. Zonder telefoon. De twee jonge vrouwen staan hun moeder bij in de dagelijkse werkzaamheden. Het schoonspuiten van het geasfalteerde terrein, waarop de vervuiling van de snelweg neerslaat. Het onderhoud van de wagens. Aan werk buitenshuis hebben ze nimmer gedacht. Moeder Maria wordt alleen van het idee al naar. „Als ze weg zijn, voel ik me eenzaam. Ook als die kleindochter 's morgens naar school gaat, ben ik triestig."

Tevreden
Zodra het wat warmer wordt, trekken ze met de caravan weg. Naar andere zigeuners, op kleine kampjes in Brabant. „We zitten het liefst tussen ons eigen soort." Bij voorkeur bivakkeert de Sinti-vrouw in de omgeving van Eindhoven. Dan kan ze zondags naar de zigeunerkerk op het kamp van Gerwen. „Tien jaar geleden heb ik een echt geloof gekregen. Nu hoef ik niet meer naar de kapel, om Maria te zoeken. Ik weet dat we God overal kunnen bidden. Dat Hij leeft en wonderen doet." In de deuropening van de woonwagen epileert Maria haar gitzwarte wenkbrauwen. Whitney zit verveeld tv te kijken. Op de bank ligt een haveloos geklede man, vermoedelijk de reden waarom de zigeunerin ons heeft meegeloodst naar haar mobiele zomerverblijf.
Als kind trok ze het hele jaar door, met paard en wagen. Vader Steinbach verdiende de kost als ambulant muzikant, z'n vrouw handelde in garen en elastiek. „Je had het arm, maar wel gezellig. Nu hebben ze grote wagens en toch zijn ze niet tevreden. Ik ben wel tevreden, alleen niet op dit kamp, naast die autobaan. Vroeger stonden we in de natuur. Dat vond ik mooi. Je had ook veel meer contact met de woonwagenbewoners. Door die kampen is iedereen apart gaan wonen. Dat is niet goed. We zijn toch allemaal één. Bij God helemaal." De wortels van de Nederlandse zigeuners zijn divers. Als eersten arriveerden de Hongaarse ketellappers en Bosnische berenleiders, die na verloop van tijd weer verdwenen. Ze werden gevolgd door paardenhandelaren. In de loop van de 19e eeuw trok vanuit Duitsland een groep muzikanten en kunstenmakers de grens over. Tot vandaag verraadt de naam de Duitse oorsprong van veel zigeunerfamilies in Nederland: Rosenberg, Steinbach, Weiss, Wagner, Brandt, Schafer, Grünholz.

Tweede Wereldoorlog
De nazaten van de paardenhandelaren en muzikanten staan te boek als Sinti of Nederlandse zigeuners. Ter onderscheiding van de buitenlandse zigeuners of Rom, die aan het eind van de jaren zestig vanuit het Oostblok naar Nederland kwamen, onder leiding van de roemruchte Koko Petaio. Vorig jaar kwam een eind aan zijn bruisend leven. Met vorstelijke praal werd de zigeunerkoning ten grave gebracht, in een witte koets, getrokken door acht paarden. Het aantal Rom ligt onder de duizend. Dat van de Sinti in de buurt van de 3500. Het gros woont op kleine kampjes in het zuiden van Nederland. Over de bejegening is Maria Steinbach niet ontevreden. „Als je hoort wat zigeuners in andere landen mee moeten maken, zitten wij hier goed." De Tweede Wereldoorlog vormde een traumatisch dieptepunt. Van de 245 Nederlandse Sinti die naar Auschwitz werden afgevoerd, keerden er slechts 31 terug. Enkele jaren geleden toonde journalist Aad Wagenaar aan dat "het meisje met de hoofddoek", symbool van de nazi-vervolging, geen jodinnetje was maar Settela Steinbach. „Een nichtje van mij", zegt Maria. „Een kind van m'n ome. Tien of elf kinderen hadden ze. Allemaal omgekomen."

Huwelijk
Als we eind maart terugkomen, staat er nog maar één woonwagen op het kampje. Ook de twee caravans zijn verdwenen. Naast de overgebleven woonwagen is een stacaravan geplaatst. Een vrouw is bezig om met een tuinslang de modder van het terrein te spuiten. Argwanend neemt ze ons op. Wanneer we naar Maria Schattevoet informeren, breekt het ijs enigszins. Die is naar Brabant vertrokken, vertelt ze. Haar man is ook een Steinbach, een jongere broer van Maria. Zelf kwam ze in Duitsland ter wereld, als dochter van een Belgische zigeuner en een Franse zigeunerin. Door het huwelijk met Robert Fransen belandde ze in Nederland.
Voor een buitenstaander is nauwelijks lijn te ontdekken in de familieverbanden, omdat de zigeuner de naam van zijn moeder draagt. Zes kinderen kreeg ze bij Steinbach, maar tot een officiële verbintenis kwam het niet. De eigen opvatting over het huwelijk maakt de gang naar het gemeentehuis onder zigeuners tot een zeldzaamheid. Voor de zigeunerwet is een man getrouwd als hij voor het eerst met een vrouw heeft geslapen en daarvoor ritueel is afgestraft door een klap van zijn vader.

Nieuwe wet
Vier jaar stond de familie Fransen op een kamp in Wijlre, samen met Nederlandse woonwagenbewoners. In januari ging het mis. „We hebben ruzie gekregen met de reizigers. Hun zijn begonnen met zuipen. Toen hebben we een vechtpartij gehad. Nu proberen we hier een vak te krijgen." De 18-jarige Sabrina kijkt zwijgend toe. Als ze aangesproken wordt, begint ze nerveus te lachen. De meeste dagen komt ze niet van het kamp af Binnenkort is dat voorbij, vertelt haar moeder. „Ze moet gaan werken van de gemeente. Dat is een nieuwe wet." Content is ze er niet mee. „We zijn bang als onze kinderen tussen de burgers komen. Daar gebeurt te veel." Aan de grens van het kamp ligt een opgeschoten knaap in een mini-caravan te slapen. „Da's m'n broer", laat Mozes van elf weten. Voor het kereltje lijkt het onverwachte bezoek een welkome afleiding. In Wijlre ging hij naar school, in Bunde is daar nog niet van gekomen. „We moeten eerst weten of de gemeente ons wil hebben", zegt z'n moeder."

Camping
Tegen enen arriveert Robert, in een aftands vrachtwagentje. Met Geradus Gelen, de zoon van een nicht, beunt hij in oud ijzer en antiek. Ook voor m'n auto heeft hij belangstelling. De ligging van het kampje is voor de zigeuner geen bezwaar. „Ik ben blij dat ik sta. In Wijlre was het niks. Reizigers en zigeimers samen gaat niet. Het wordt altijd herrie." Het liefst zou hij onbelemmerd rondtrekken. „Vroeger mocht je overal gaan staan. Als ik nu de wagen op een parkeerplaats zet, komt meteen de politie. 'Weg, ga maar naar een camping.' Maar daar pakken ze ons niet an. Ze willen ons niet." Gerardus huist noodgedwongen in een flat. „M'n vrouw werd zwanger en ik kreeg geen standplaats van de gemeente Meerssen. Dan heb je geen andere mogelijkheid. M'n vrouw is er een van een burger, die kan er wel tegen. Ik ben van 's morgens tot 's avonds weg. Wat scharrelen hier en daar. Vast werk krijg je niet. Ze nemen ons nergens aan."
Om het onrecht te bestrijden zijn verscheidene zelfhulporganisaties opgericht. Het illustreert de versnippering van de toch al kleine gemeenschap. De Landelijke Sinti Organisatie behartigt vanuit Best de belangen van de Sinti. De Vereniging Rom is door het verscheiden van Petaio nagenoeg doodgebloed. In Amersfoort probeert het "Adviesorgaan en Inspraakorgaan woonwagenbewoners Rom en Sinti" de kloof te overbruggen.

Mirando
Onder de Sinti neemt de familie Weiss een adellijke plaats in. Met name de muzikanten, die met hun orkesten optreden onder de naam Mirando. Het gevecht over de vraag wie de oorspronkelijke naam Tata Mirando mocht voortzetten, werd uiteindelijk voor het gerecht beslecht. Adolf kwam als winnaar uit de bus. Zijn broer Poerkatjo raakt nog altijd van streek als het drama, waardoor de familie uiteen werd geslagen, ter sprake komt.
Al bijna dertig jaar bewoont de vioolbouwer een burgerwoning in Enschede. Een plaats op een kamp zag hij niet zitten. „Daar hebben we in de oorlog te veel van gezien." Het interieur is gelijk gebleven. Kristallen lampen, kunstig uitgesneden Italiaanse stoelen, een vritrinekast vol Saksisch porselein, kostbare beeldjes en een overvloed aan foto's in sierlijke lijstjes. „De overledenen mogen niet gefotografeerd, waarschuwt de zigeuner. „Dat wou m'n vader niet, dus ik wil het ook niet."
Na de dood van zijn vader speelde hij in het orkest van broer Meissel, dat is voortgezet door diens zoon Roma. Indien nodig kan de dirigent altijd een beroep doen op oom Poerkatjo. Verheugd omarmt de grijze zigeuner z'n neef, die ons heeft geïntroduceerd. „Bij Meissel z'n kist heb ik beloofd: 'Ik blijf achter jouw kinderen staan.' En dat zal ik doen, tot het einde." Zoon Morchi, die officieel op Telkens wordt zichzelf woont, huist alweer de verkondi- maanden bij zijn vader. De geging afgewis- spierde zigeuner verdient de seld door kost met ambulante handel. koor- of sa- „Bloemen, auto's, porselein, van menzang, be- alles eigenlijk. Op het moment geleid door een loop ik bij de deur, tot er weer zigeunerorkest. iets anders is." „Ik zorg helemaal voor hem", roept Poerkatjo vanuit de keuken. „Wassen, koken, strijken, alles. Hij hoeft niks te doen."

Relatie
De verbintenis met een woonwagenmeisje liep na twee jaar op de klippen. Poerkatjo had het voorspeld. Zigeuners en reizigers kunnen niet door dezelfde deur. Met het burgermeisje waarmee zijn zoon alweer zeven jaar een vaste relatie heeft, is hij gelukkiger. „Dat is een schat van een kind." Maar voor een huwelijk voelt Morchi niet. „Ze heeft al honderdduizend keer gezegd: 'Kom bij me inwonen.' Dat wil ik niet. Dat vaste levenspatroon, daar kan ik niet tegen. Is er wat in onze familie, dan moet ik meteen op kunnen stappen. Dat raak je niet kwijt. En dat wil ik ook niet."
De scheiding wordt versterkt door de ongeschreven wetten, zoals het absoluut verbod om paardenvlees te eten. Wie dat overtreedt, wordt gemeden als een melaatse. Zelfs schuldbelijdenis en boetedoening zijn niet in staat deze doodzonde ongedaan te maken. „Die traditie is al honderden jaren oud", zegt Morchi. „Er wordt zelden over gepraat, maar op de een of andere manier kom je er als kind zelf achter."

Uitstel
Het licht van de kroonluchter wordt veelvoudig weerkaatst door de Bethlehemster van briljantjes die Poerkatjo op z'n borst draagt. Het versterkt de associatie met het joodse volk, waarmee de zigeuners zo veel gemeen hebben. In uiterlijk, taal, muziek, voedingsvoorschriften, handelsgeest. Niet voor niets werden ze door Hitler over dezelfde kam geschoren. Al meer dan zestig jaar sleept Poerkatjo Weiss de last van het verleden mee. Toen in nazi- Duitsland de eerste zigeuners werden afgevoerd naar concentratiekampen, besloot vader Josef met vrouw en zestien kinderen naar Nederland uit te wijken. Verwanten volgden zijn voorbeeld. Voor een groot aantal betekende het slechts uitstel van executie. Bijna zeventig leden van de familie Weiss kwamen om in Auschwitz. „Wanneer ik een politie zie die een beetje optreedt, gaan m'n gedachten meteen terug. Ook als we de grens over willen en wij worden eruitgepakt. Dan zeg ik: 'Duits systeem. Alle mensen mogen doorrijden, ons pakken ze eruit."

Laatste eer
Voor Nederland heeft de vermogende zigeuner voornamelijk goede woorden. Hij vond er rust en welvaart. In een slaapkamertje staat zijn privé-coUectie violen opgeslagen, waaronder uiterst kostbare exemplaren. Voor de vioolbouwer heeft het instrument dat zijn vader bespeelde de hoogste waarde. „Als ik overlijd, gaat die mee de kist in. Dat is bij mijn grootvader ook gebeurd. Bij m'n vader zijn drie portefeuilles met foto's meegegaan. Ik heb zijn dood zien aankomen. Van Morchi en Meissel ook. Die dingen voel ik vooruit. Ik weet dat hun zielen nu samen zijn. Zo'n viool die je meegeeft heeft geen ziel. Dat is een stuk hout. Maar ik heb tegen m'n kinderen gezegd: Als ik overlijd, gaat de viool van Tata bij mij in de kist. Dan weet je waar die gebleven is." Voor zijn vrouw kocht hij een privé-begraafplaats. Vier keer per dag is hij aan haar graf te vinden. Ook de kosten voor de graven van familieleden in Arnhem nam hij grotendeels voor z'n rekening. Al zijn de vetes nog zo diep, bij de dood dienen ze opzij gezet. „M'n vader zei altijd: 'Als een zigeuner doodgaat, al was-ie nog zo slecht, bewijs hem de laatste eer.' Binnenkort laat ik weer een mis opdragen voor de overledenen."

Christen-zigeuners
Van huis uit zijn alle Sinti rooms-katholiek. Daarin kwam verandering door een opwekking onder Franse zigeuners aan het begin van de jaren vijftig, na een opmerkelijke genezing van een kind. De ouders beloofden hun leven te wijden aan de dienst van God. Het vuur sloeg op anderen over. De Franse zigeunerzending werd opgericht, evangelisten trokken de grenzen over om wereldwijd hun volksgenoten tot geloof te bewegen. Ook in Nederland werden Sinti door het pinkstervuur aangeraakt, door de prediking van de Franse zigeuner-evangelist Néné. Het Mekka van de Hollandse christen-zigeuners werd het zigeunerkamp van Gerwen. De vaste bewoners, in totaal vijftien gezinnen, behoren tot de families Rosenberg, Schafer en Grünholz. Als de zon gaat stijgen, krijgen ze gezelschap van geestverwanten uit alle windstreken.
Het kamp ligt buiten het dorp, omgeven door geboomte. Aan de bosrand grazen de paarden die zomers voor de wagens worden gespannen waarmee zigeuners van drie verschillende kampen vanaf eind mei gaan trekken. In wonderlijk contrast met de bolides waarmee ze de rest van het jaar rijden. Uit een caravan klinkt vioolmuziek. Burgers laten zich zelden op het kamp zien. „Wat komen jullie doen?" informeert een donkere kerel nors. Wanneer we benieuwd zijn naar het zigeunerleven, kunnen we meteen vertrekken. Alleen als we iets willen weten over het geloof ligt het anders. En daar komen we inderdaad voor.
We treffen het. Zijn vader is Adolf Schafer, de bekendste voorganger van de Nederlandse christen-zigeuners. Een theologische opleiding heeft hij niet gehad. „De apostelen hebben ook geen studie gevolgd, snap je wat ik bedoel. Jezus vroeg gewoon vissers om Hem te volgen. 'Jongens, ga de wijde wereld in, verkondig het Evangelie en maak alle volken discipelen van Mij.' Ik kan nu half en half lezen, maar het belangrijkste is dat je geroepen bent." De zigeuner-voorganger wordt in prediking en pastoraat bijgestaan door een zevental oudsten. Elke zondag zijn er twee diensten. Maandagavond is er de jeugdsamenkomst, woensdagavond weer een dienst, vrijdagavond een bidstond. Met Pinksteren en in de zomer zijn er de openlucht-bijeenkomsten, dit jaar in Nuenen, het Belgische Houthalen en Drachten. „Er zijn nog zo veel zigeuners die niet bekeerd zijn", zegt Schafer. „Die moeten ook van Jezus horen. De tijd is kort, de Heer komt spoedig. Daarom moeten we ons bekeren van ons oude leven. Komt de prediking in je hart, dan wordt alles anders. Er gaat van binnen een lichtje branden. Dan doe je niet meer als eerst: dansen, drinken, sigaretten roken, al die dingen die God verbiedt. Je krijgt ervaring met de Heer, je voelt dat Hij bij je is."

Bruisend

Aan het eind van het kamp staat de kerk, een simpel houten gebouwtje. 'Laten Gods geboden uw raadgevers zijn, dan zult u nooit verdwalen', maant een prent naast het spreekgestoelte. De jeugdsamenkomst zal deze avond afwijken van het gewone patroon, omdat Pesso Rosenberg is teruggekeerd. De zigeuner-evangelist, die op verzoek van de Franse zigeunerzending werd uitgezonden naar Roemenië, is tijdelijk in Nederland. Het zaaltje is overvol als hij het woord neemt. Het gaat er bruisend toe. Het gebed is gemeenschappelijk in de meest letterlijke betekenis van het woord, een kakofonie van gebeden, in het Nederlands en het Romanès. En Pesso, die de verf nog aan z'n vingers heeft, spreekt met een dusdanig vuur, dat het zweet hem van het gelaat gutst. Neef Nuno vertaalt hem met hetzelfde elan in de zigeunertaai. Pakweg om de tien minuten wordt de verkondiging afgewisseld door koor- of samenzang, begeleid door een zigeunerorkest. De liederen daveren door de ruimte. „En we krijgen witte kleren als Hij komt." Als de innerlijke druk te hoog oploopt, banen de emoties zich een weg in handgeklap en voetgestamp. Het volk dat er niet meer bij kon, volgt de samenkomst vanachter de ramen.
Na de toespraak is op een video te zien hoe de zigeuners onder hun volksgenoten in Roemenië evangeliseren. Onder de open hemel, op de wijze van Moody en Sankey. De spreker achter een getimmerte, ernaast een violist die voor muzikale intermezzo's zorgt, eromheen de hoorders. Armoedzaaiers die ademloos luisteren en na enkele maanden al aardig meezingen. „Jullie zien het", roept Pesso uit, „Werpt uw brood uit op het water en je zult het vinden na vele dagen." De grijze zigeuner naast me klakt verliefd met de tong wanneer een klassieke woonwagen met paard in beeld komt. „Ik heb nu alle luxe, maar toch ben ik jaloers. Vrij rond kunnen trekken, vuurtje erbij, wat is mooier..."

Voorouders
Poerkatjo Weiss is niet gelukkig met het 'nieuwe geloof, dat onder de Sinti opgang maakt. Hij wenst trouw te blijven aan het rooms-katholicisme, zij het met een eigen aroma. „Bij een pastoor biechten, doe ik niet. Wanneer we iets gedaan hebben, zeggen we: 'Lieve Heere, vergeef mij.' Wat heeft die pastoor daarmee nodig?"

Als hij zijn harteroerselen kwijt wil, zijn er bovendien de verwanten aan de andere zijde van het graf, meent hij. „Voor ik naar bed ga, spreek ik met hen. 'Welterusten, ik ga nou naar boven, tot morgen.' Ik geef hun foto's een kus en doe het licht uit. 's Morgens wens ik ze goedemorgen, en steek ik de kaarsjes aan. Zo heb ik het van m'n vader geleerd. Ik zeg altijd tegen andere zigeuners: Blijf bij het geloof dat je van je voorouders geleerd hebt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.