+ Meer informatie

De godsdienstige wortels van Zwitserland

Het 700-jarig bestaan van de natie kan niet gevierd worden zonder dat de Zwitserse Staretz wordt herdacht

11 minuten leestijd

In zijn handboek der kerkgeschiedenis van de Middeleeuwen vermeldt C. C. de Bruin eenmaal Zwitserland, wanneer namelijk Gallus, een leerling van Columba de Jongere, rond 600 vanuit de Iroschotse traditie een klooster sticht te Sankt Gallen in Oost-Zwitserland. Voor het overige wordt Zwitserland gedurende de hele Middeleeuwse kerkgeschiedenis niet meer genoemd. Evenzo bestaat Adolf von Harnack het om in zijn driedelige leerboek van de dogmengeschiedenis bij de ontwikkeling van het christelijke dogma eenmaal Zwitserland te noemen, en wel helemaal aan het eind, wanneer de antitrinitariërs uit Italië aan bod komen, die zich in eigen land niet meer kunnen handhaven. Ze zoeken dan in Graubünden en elders in Zuid-Zwitserland een goed heenkomen, totdat zij in Genève met Calvijn in conflict komen (Servet).

In het rooms-katholieke handboek der kerkgeschiedenis van Hubert Jedin brengen de schrijvers over de Middeleeuwen het er niet veel beter af, wanneer ze volstaan door Zwitserland te vermelden in verband met de kruisridders die zich voor ziekenzorg inzetten, en bij de pausen die zich van de diensten der Zwitsers voorzagen bij hun strijd tegen vijanden. Het beeld schijnt algemeen te zijn dat zich vóór de Reformatie niet veel noemenswaardigs in Zwitserland heeft voorgedaan. Nu Zwitserland zijn 700-jarig bestaan viert, wil dit artikel het boven geschetste beeld op een bepaald punt trachten te wijzigen.

Na de verschillende delingen binnen het Frankische Rijk verviel Zwitserland in 1033 aan het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie en raakte het sterk versnipperd. In 1291 besloten toen de oerkantons Uri, Schwyz en Unterwalden (Obwalden Icwam er later bij) een eeuwig verbond tegen de Habsburgers te stichten. Dit feit wordt thans herdacht en Wilhelm Teil en zijn tegenspeler, de Habsburgse landvoogd Gessier, vormen de legendarische herinnering eraan. In de loop van de veertiende eeuw breidde het verbond zich uit met verschillende andere kantons. Ook de Zwitserse steden kwamen er gedurende de vijftiende eeuw bij. En in 1481 kwam het als door een wonder tot het eendrachtige Eedgenootschap. In 1798 werd de Helvetische Republiek uitgeroepen en door de nieuwe grondwet van 1874 werd Zwitserland tot een werkelijke federatie of bondenstaat.

Broeder Klaus

Van 1417 tot 1487 leefde er in Obwalden, in het liefelijke Flüeli, vanwaar Lenin de oktoberrevolutie ging realiseren en waar Kuyper bijkwam van een overspannen tijd, een man Nicolaas van Fluëli ofte wel Klaus van der Flüe of nog korter Broeder Klaus. Van hem zegt Waker Nigg dat hij in de kerhistorische vervaltijd van de vijftiende eeuw eenzaam en groot boven alles uitsteekt. Deze man, die vanaf zijn vijftigste de Zwitserse Staretz zal worden, vormt de verbinding van het bijzondere en tegelijk het echt Zwitserse. Zijn verbondenheid met de vaderlandse bodem wordt bij hem tot religie, en dat is het wat de Eedgenoten in hem aantrok. Het latere barokke beeld dat vooral de kerk van hem heeft gemaakt, klopt niet met het beeldje dat de bezoeker van de kapel in de Untere Ranft, de kluis van Klaus, ziet. Het is het beeld van een streng en ongetemd wezen, en tegelijk van een figuur die los van de wereld is en volkomen gebonden aan God. Het is het gelaat waar veel van zijn bezoekers aanvankelijk voor terugdeinsden. Een gespleten mens, die hevig verlangt en die tegelijk van vrede vervuld is.

Tien kinderen

Dit gelaat klopt met de levensbeschrijving, zoals we die onder andere van zijn kinderen kennen. Klaus werkte op de boerderij, huwde, gewon zonen en dochteren, tien in getal, nam actief deel aan de burgeroorlog tussen Zurich en Schwyz, eerst als vaandrig en toen als kapitein. Hij gedroeg zich als elke rechtgeaarde Zwitserse boer van zijn tijd. Slechts weten we dat hij geen vechtlustige kerel was, dat hij alleen ten oorlog toog als hem uitdrukkelijk door de overheden boven hem daartoe bevel werd gegeven, dat hij opkwam voor een zachte behandeling van de overwonnenen en dat hij de vrede beminde boven elke vorm van strijd.

Hij werd rechter en raadsheer van Obwalden en was, hoewel waarschijnlijk analfabeet, een zeer geziene burger, van wie men veel verwachtte voor de toekomst. Maar juist toen hij carrière maakte, begon hij te twijfelen aan de positie die hij innam. Rechtvaardig als hij was, stuitte het hem tegen de borst dat voor de rechtbank onrecht geschiedde en dat er van kruiperijen en omkoperijen sprake was. Een op handen zijnde benoeming tot hoofd van de kantonale regering wees hij af en hij bedankte voor de ambten die hij bekleedde. Op dit punt begint het deel van zijn leven waardoor hij voor zijn vaderland van groter betekenis wordt dan hij ooit geweest was indien hij die ambten had behouden.

De kluizenaar

Zijn oudste zoon vertelt dat hij zijn vader altijd gekend heeft als een zwaarmoedige man, die hing naar het kluizenaarsleven en die door de duivel, soms ook lichamelijk, gekweld werd en visioenen zag. Zijn gezin werd hem te veel en hij begon zijn huishouden en bedrijf te verwaarlozen. Terwijl hij zijn depressiviteit de baas werd en haar wist om te buigen ten dienste van een leven met God, had hij het moeilijker met zijn vrouw en kinderen. Pas na twee jaren van strijd en soms hevige scènes gaf zijn vrouw toe aan zijn wens om de rest van zijn jaren aan God te wijden. Tegen derden zei hij dat zij zijn zielerust niet in de weg wilde staan. Vooral de oudere kinderen schijnen hun wrok tegen hun vader vanwege zijn vertrek nooit te hebben kunnen overwinnen. Op 16 oktober 1467, de dag van Sint Gallus (zie boven), ging hij.

Maar waarheen?

Dat is de vraag voor elke kluizenaar. Waar zal mijn kluis, mijn clausterium, mijn afgeslotenheid zijn? Gezelle vond geen berg, waar hij „hoog genoeg kan klimmen, om U alleen te vinden". Een kluizenaar uit onze tijd, die over deze vraag heeft geschreven, stelt het zo voor dat zo'n mens zich slechts vruchtbaar in de eenzaamheid kan terugtrekken, wanneer hij daarna weerkeert in het volle leven en met des te meer kracht van overtuiging handelt.

Iets daarvan vinden we ook in het leven van Broeder Klaus. Eerst reisde hij naar de "Gottesfreunde" in de Elzas, met wie hij reeds langere tijd betrekkingen onderhield. Maar een gesprek met een boer bij Liestal en een visioen bij nacht onder de haag waar hij zich te slapen had gelegd, maakten hem duidelijk dat hij terug moest. Nigg zegt: „Onder die haag bij Liestal werd de nationale heilige geboren". Hij keerde terug tot zijn geboortegrond en zonder zijn familie te bezoeken daalde hij af in het Ranftravijn. Hij bewoonde er eerst een klein houten huis, later een kapel met aangrenzende cel, dit alles een kwartier verwijderd van zijn vroegere woning. En betrekkelijk van stonde aan werd hij geraadpleegd in allerlei zaken, werd hij de man die op de politiek van de Eedgenootschap een beslissend stempel zou drukken, een scherpziend en betrouwbaar raadgever.

Broeder Klaus werd om raad gevraagd door de regeringen van Bern, Luzern, Solothurn en Konstani en door' de hertogen van Oostenrijk en Milaan. Hij die zich nooit begaf op het glibberige terrein van de strijd tussen kerk en staat en die zijn geweten van eerzucht en machtswellust rein wist te bewaren, kende zelf een politiek die in de religie gegrond was. In 1474 gaf hij een dringend advies af tegen het Reislaufen, het zich verhuren voor geld van Zwitserse soldaten bij vreemde mogendheden. Een vijftig jaar later doet Zwingli hetzelfde.

Ook is het Broeder Klaus geweest die, toen de Eedgenoten een overwinning in de bourgondische oorlog wisten te behalen, hen ertoe bewogen heeft niet aan expansiepolitiek te doen, maar tevreden te zijn met de grenzen van hun eigen land. En dat mèt de verzekering dat God hen zou zegenen en in het andere geval kwaad zou doen. Bij alle adviezen staat de nadruk op vrede vooraan. Hiermee roeide hij tegen de stroom van de kort aangeboden Eedgenoten op en toch wist hij hen aan zijn kant en, naar Broeder Klaus' vaste overtuiging, aan Gods kant te krijgen.

Het jaar 1481

Als uitloper van de bovengenoemde overwinning werd de Landdag van Stans gehouden. De Eedgenoten vergaderden over de toekomst van wat wij nu Zwitserland noemen, maar konden niet tot eenheid komen. Onderlinge verwijdering tussen de steden en de landkantons was het enige gevolg, en die verwijdering groeide op een wijze die weinig goeds voorspelde. De pastoor van Stans begreep dat er van de vergadering geen heil te verwachten was en spoedde zich naar de kluis van Broeder Klaus, die hij langs spiegelgladde, beijzelde bergpaadjes bereikte. De hele nacht bespraken de beide mannen de moeizame mate

Toen de volgende dag de pastoor terugkwam, stonden de gezworenen net op het punt om, ontevreden, de vergadering te verlaten en ieder het zijne te gaan doen. De pastoor wist hen echter nog eenmaal tot een bijeenkomst te dwingen. Daar werd de boodschap van Broeder Klaus doorgegeven, zijn geest waarde door de vergadering, en in een uur kwam men tot een oplossing. Klaus' hele boodschap luidde: "Weest en blijft eendrachtig". De steden kwamen van hun voetstuk af en wilden op gelijke voet met de landkantons omgaan. De verschillende bondgenootschappen gaf men op: ze werden vervangen door de ene bond van het Eedgenootschap. Er kwam een door Broeder Klaus geïnspireerd Verkommnis, basis voor de grondwet van de Eedgenootschap.

Godsdienstige grondslag?

Zwingli kon een halve eeuw later van dit alles uitgaan. Op 22 december 1481 werd door het gehele land het goede nieuws van de eenwording met klokgelui verkondigd.

Voor Broeder Klaus stond het vast dat hij tot dit leven voor God vanaf zijn vijftigste geroepen was, en hij zou raar opkijken wanneer wij hem de vraag zouden stellen of zijn politiek godsdienstige wortels heeft. Voor Broeder Klaus bestonden er niet een aparte politiek en een aparte religie. De man, wiens lied altijd nog op de Goede Vrijdag gezongen wordt:

„Mijn Heere en mijn God, neem alles van mij, wat mij hindert om tot U te komen,
mijn Heere en mijn God, geef mij alles wat mij bevordert om tot U te komen,
mijn Heere en mijn God, neem mij van mijzelf af en geef mij geheel aan U ten eigendom".

deze Broeder Klaus kende maar één leven, het leven met en uit en door en tot God. Die godsdienstige wortels kunnen hierdoor gemakkelijk onontdekt blijven, omdat ze zo diep liggen. Zodoende miskent men ook een bijdrage van Zwitserland aan de ontwikkeling van specifieke christelijke leerstellingen. Men heeft in het geval van Broeder Klaus van mystiek gesproken, een volgens mij misplaatst woord, omdat het bij Broeder Klaus om veel meer gaat dan om mystiek.

Hostie

Op een dag krijgt hij bezoek van een Duitse pelgrim, aan wie hij zijn "leerboek" toonde: een tekening van een rad met zes spaken, tot op vandaag te zien in de kerk van Sachseln. Klaus gaf zelf uitleg: „Zo is Gods wezen". De drie spitsen die naar binnen lopen, zijn de drie Personen van God. De brede spaak die buiten klein eindigt, is de grote God Die als klein kind in de maagd Maria, koningin des hemels, ingegaan en weer uitgegaan is. De tweede spaak die uitloopt, is de grootheid Gods, zoals Hij ons die te eten geeft in de hostie. Nog een spaak die naar buiten loopt, is het zich verjongende mensenleven, waar Gods liefde een onuitsprekelijke en eindeloze liefde aan geeft.

Zijn visie op de eenheid van Zwitserland was gegrond in de eenheid van God in Zichzelf, de eenheid van schepping en verlossing, en de eenheid van de monstrans, Maria en de hostie. Voordat wij als protestanten het laatste veroordelen, dienen wij te bedenken dat Broeder Klaus dit alles van God uit mediteerde en de eenheid van God beleefde in en met de (roomse) werkelijkheid van zijn dagen. Dat dit voor hem visionaire werkelijkheid was. Dat dit de reden is waarom menige bezoeker, die zijn gelaat zag, terugdeinsde voor de kluizenaar.

Citaat

Het grote van de godsdienst van Broeder Klaus is, dat zij zich als hemelse openbaring liet verbinden met de Realpolitik van zijn tijd. In dit opzicht is Zwingli wel degelijk, zij het op een andere wijze, een nazaat van Broeder Klaus, of misschien beter, een echte Zwitser. Ten slotte een citaat uit zijn gebedsboek.
„Het werk der schepping wijst op U, de Vader.
Het kruis toont U, de Zoon, als Verlosser der wereld.
Gij Geest wordt door de zuivere maagd ontvangen,
en zo ontvangt de zieke wereld de kracht
tot genezing uit de hoogte.
Zo is de Drieheid in de beelden afgebeeld. Wat wij
aanschouwen, voert ons in niet te schouwen licht,
in dat midden, dat wij liefde noemen".

Sommigen hebben de vraag gesteld of Broeder Klaus aan Zwingli's kant was gaan staan, indien hij dan nog had geleefd. Ik denk het niet. Zeker was hij het niet eens geweest met Zwingli's strijd van de protestantse kantons tegen de rooms-katholieke. Maar los hiervan: de vraag is overbodig. Zwingli volgt op Broeder Klaus. Het Zwitserland van Nicolaas van Flüeli is de veronderstelling van het Zwitserland in de zestiende eeuw. Het 700-jarig bestaan van de natie kan niet gevierd worden zonder dat de Zwitserse Staretz herdacht wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.