+ Meer informatie

AVONDMAAL EN AMBTSDRAGER

8 minuten leestijd

Met regelmaat duiken in het kerkelijk leven twee vragen op, die beide betrekking hebben op het verband tussen ambtsdrager zijn en de avondmaalsviering. In dit artikel willen we die belichten.

GEEN AVONDMAAL VIEREN, TOCH AMBTSDRAGER?

Er zullen ongetwijfeld lezers van Ambtelijk Contact zijn, die de situatie in bovenstaand kopje niet begrijpen, en die op deze zaak reageren met een verbaasde uitroep: ‘Dat kan toch helemaal niet?’ Anderen zullen herkenning hebben: inderdaad komt dat voor, zij het heel sporadisch. En binnen sommige kerkenraden wordt ermee geworsteld. Ik herinner mij nog altijd een gesprek dat tijdens de maaltijd bij een generale synode plaatsvond. Zelf was ik toen predikant van een gemeente van rond de 1600 leden, mijn gesprekspartner was ouderling van een gemeente van 1100 leden. Mijn kerkenraad telde 55 leden, de zijne 15. Op mijn verbaasde vraag hoe dat mogelijk was, was het antwoord: ‘Ze moeten wel van de tafel komen...’ Ik begreep onmiddellijk wat hij bedoelde: wie door de kerkenraad als ambtsdrager wordt gekandideerd, moet avondmaalganger zijn. En in die gemeente was de avondmaalsdeelname gering. De kerkenraad zag de behoefte aan pastorale zorg voor zijn grote gemeente, maar durfde de kring niet wijder te trekken dan de avondmaalstafel. Principieel terecht naar mijn overtuiging.

Maar wanneer er van een dergelijke situatie in een gemeente sprake is, kan het op een gegeven moment voorkomen dat een kerkenraad bij het stellen van kandidaten tot de vraag komt: zullen we dan toch maar niet die of die kandideren? Hij komt niet aan het avondmaal, de geestelijke drempel is te hoog. Maar het is een broeder die geestelijk wil leven, die zich oefent in ‘de verborgenheden van het geloof’, die in levenswandel een voorbeeld is voor de gemeente. Ja, ouderling zijn, dat is toch te lastig. Maar diaken dan misschien...? En zo gebeurt er dat er hier en daar in onze kerken diakenen zijn die zelf niet deelnemen aan het avondmaal. Een situatie overigens die in andere reformatorische kerken ook voorkomt - maar met de objectieve waarneming daarvan is natuurlijk nog geen geestelijke weging aangebracht.

DE SCHRIFT EN HET BEVESTIGINGSFORMULIER

Bezien we het formulier voor de bevestiging van ambtsdragers, dan is het opvallend dat dezen ‘voorbeelden van de kudde’ horen te zijn. Er wordt dan verwezen naar 1 Petrus 5 vers 2 en 3. Daar worden de oudsten opgeroepen de kudde van God te hoeden. En hoe zou dat kunnen wanneer zij zelf niet ten volle gebruik maken van wat de Here in zijn grazige weiden allemaal te eten geeft? Nu is het zo dat deze uitdrukking in het aloude bevestigingsformulier niet voorkomt, maar dat biedt geen ontsnappingsmogelijkheid: het is immers een woord dat terug gaat op de Schrift. Te denken is ook aan Handelingen 20 vers 28, waar de apostel Paulus afscheid neemt van de oudsten van Efeze. Hij roept hen op om toe te zien op zichzelf én op de hele kudde waarover de Heilige Geest hen als opzieners heeft gesteld. Dit alles om de gemeente te ‘weiden’ die... (let wel!) ‘Hij zich door het bloed van zijn Eigene heeft verworven’. En waar komt dat laatste duidelijker uit dan aan de tafel? En hoe zou iemand leiding kunnen geven wanneer hij zich zelf niet laat voeden en laven?

Dat hier sprake is van de ouderlingen, betekent niet dat we voor diakenen met minder toe kunnen. Wij leven in de kerken immers bij het principe dat de ambten gelijkwaardig zijn? Een vergelijking van de vereisten voor ouderlingen en diakenen zoals in 1 Timotheüs 3 opgesomd is daarin duidelijk. En dat men verder in de Schrift niet expliciet leest over de vraag die ons in dit artikel bezighoudt, komt niet omdat er een opening voor zou worden geboden. Het komt veeleer omdat de viering van het avondmaal met veel minder geestelijke vragen omgeven was dan dat wij dat vandaag soms meemaken: de viering ervan was regel, de mijding uitzondering. Wij zijn door een hele geschiedenis heengegaan... en daardoor komen we in aanraking met deze geestelijke vragen.

Die vragen probeer ik hier niet ‘weg te schrijven’, maar ze dienen wel in Bijbels licht komen te staan. En daarom is het goed wanneer kerkenraden blijven bij dat principe dat die ouderling uit die grote gemeente zo eenvoudig, maar tegelijk zo helder verwoordde: wie ambtsdrager zal zijn, wordt dat via de geestelijke route van de deelname aan het avondmaal. Het avondmaal geeft toegang tot de kerkenraad. En waar dat, door de nood gedreven, niet (helemaal) zo is, daar zal een vurig gebed zijn én een kerkenraadsbeleid om het zover te krijgen.

WEL AVONDMAAL VIEREN, TOCH GEEN AMBTSDRAGER?

De andere vraag die in dit artikel besproken wordt, is a.h.w. het spiegelbeeld van de eerste vraag. En opnieuw zullen er lezers zijn die reageren: wel, dat gebeurt heel vaak; niet ieder lid van de gemeente dat avondmaal viert wordt immers als ambtsdrager gekandideerd, laat staan gekozen en benoemd. Maar u voelt aankomen dat de vraag hier in een specifek kader wordt gesteld. Het komt namelijk voor dat een broeder in de gemeente (al of niet ambtsdrager) zich op enig moment heel lelijk heeft misgaan, en dat dit gepaard is gegaan met grote schade. Dat kan zijn in gezins- of familiekring of in de kring van de gemeente... en laten we maar man en paard noemen: misbruik binnen de kring van een gezin houdt helaas geen halt bij de voordeur van kerkelijk meelevende mensen... een ambtsdrager maakt zich soms schuldig aan machtsmisbruik, waarvoor we in de kerken dan noodgedwongen (maar met grote overtuiging!!) een landelijke commissie ‘misbruik in pastorale relaties’ hebben ingesteld.

Wanneer deze dingen eenmaal aan het licht komen, geven ze heel veel beroering. Er wordt - al niet of stille - censuur toegepast: de avondmaalstafel wordt gesloten. En geen kerkenraad zal het in hoofd en hart voelen opkomen om tijdens die openbare beroering een pleger/dader te kandideren. Maar... na verloop van tijd komt het toch voor, als men meent dat de dingen tot rust zijn gekomen, dat er een kandidaatstelling plaatsvindt: voor ouderling, voor diaken, voor een andere leidinggevende taak (te denken is ook aan het leiden van een eredienst zonder predikant te zijn, naar de regeling die de kerkorde in art. 3 hiervoor biedt).

Echter... dan blijkt soms dat de rust waarvan de kerkenraad dacht dat die er was, slechts schijn was: de schade was zó groot dat slachtoffers deze nog niet achter zich hebben kunnen laten. Er ontstaat verwarring: kunnen de dingen na zóveel jaren niet tot rust komen? En moet iemand zijn leven lang buiten de kerkenraad blijven omdat hij een ernstige zonde heeft begaan? Enkele keren kon men als verdediging van het beleid horen: de censuur was opgeheven, de broeder mocht weer avondmaal vieren; wel, dan kan hij toch ook weer ambtsdrager zijn?

OPNIEUW DE SCHRIFT EN DE KERKELIJKE REGELGEVING

Wie de Schrift leest, ontdekt dat herstel in het ambt na bedreven zonde echt niet uitgesloten is. Het bekendste voorbeeld is wel dat van Petrus, die na zijn verloochening van de Heiland een poos apart stond, maar volgens Johannes 21 weer genadig door zijn Heiland in dienst is genomen; hij werd zelfs verwaardigd tot het schrijven van twee brieven die in de Bijbel bewaard zijn gebleven. Overigens na gebleken zeer diep berouw. Anderzijds: het is opvallend dat Paulus na zijn plotselinge bekering, beschreven in Handelingen 9, daarna nog járenlang de gemeente van Christus in Jeruzalem mijdt, Galaten 1:17-2:1. Hij voelde aan dat hij daar als ‘dader’ niet al te snel moest verschijnen met apostolisch gezag...

Deze Schriftgegevens zijn redenen voor de kerken geweest om voor gewezen predikanten uit te spreken dat er principieel-kerkelijk een weg terug is naar het ambt. Dat vindt u in art. 80 lid 1. Maar de weg daarheen is een heel voorzichtige en zorgvuldige: bijlage 47 K.O. En dat heeft Bijbelse redenen.

Voorts: de kerken namen in 2001 een gedragscode voor predikanten aan, te lezen in bijlage 43 K.O. Ook ouderlingen en diakenen zullen zich geestelijk spiegelen in de zaken die daar staan. Bij het hoofdstuk ‘De relatie tot God’ staat bij punt 5 te lezen: ‘Wanneer de eer van Gods naam door het optreden van een predikant schade lijdt, dan moet hij ermee rekenen dat hij zijn ambt - voorgoed of voor een bepaalde tijd - niet meer kan uitoefenen. Hij mag dan niet proberen om zijn positie of zijn handelen toe te dekken’. En verderop, in het hoofdstuk ‘De relatie tot anderen’ leest u bij 3: ‘Een predikant moet aanvaarden dat seksuele intimidatie en grensoverschrijding altijd gevolgen hebben voor zijn ambtsuitoefening: hij (...) moet aanvaarden dat na een schorsing of tijdelijk ontslag de ambtsdienst alleen kan worden hervat, wanneer de opspraak in en buiten (!! DQ) de kerk is weggenomen en de verstoorde verhoudingen verzoend zijn’.

En gelooft u mij: daar zijn wij werkelijk niet zomaar mee klaar... Samengevat, en daarmee de samenvatting van het eerste deel van dit artikel oppakkend: voor het lid zijn van de kerkenraad is de viering van het avondmaal een noodzakelijke voorwaarde; het is echter geen afdoende voorwaarde, er kunnen andere zaken zijn die dit lidmaatschap toch tijdelijk of permanent bezwaarlijk maken of zelfs uitsluiten. Niet om ongenadig te zijn tegenover deze broeder, maar met het doel dat het herstel van slachtoffers niet wordt belemmerd en zij alsnog terug in het duister worden teruggezet waar ze met veel lichamelijke, psychische en geestelijke pijn juist een beetje aan het uitkrabbelen waren, met Gods hulp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.