+ Meer informatie

AMBTSGEHEIM OOK BINNEN DE KERKERAAD?

6 minuten leestijd

De vraag

De vraag die de titel vormt van dit artikel, kwam op de tafel van de redactie. Mij werd gevraagd een antwoord te geven. Dat kan in zekere zin eenvoudig zijn: Ik beantwoord de vraag met een volmondig ja. Dat wil zeggen: als een ambtsdrager iets krijgt toevertrouwd onder beroep op zijn ambtsgeheim, dan heeft hij niet het recht dit aan een broeder, die zelf ook onder de verplichting van het ambtsgeheim staat, mee te delen. De betrokkene doet de mededeling immers niet aan een kerkeraad, doch aan een persoon, die het vertrouwen geniet. Deze intentie is beslissend voor het bewaren van het ambtsgeheim. De betrokkene zou de mededeling (dikwijls komt zij neer op een biecht) niet doen, als hij wist dat meerderen of zelfs velen er kennis van kregen. Er is dus een plicht om ook tegen ambtsbroeders te zwijgen over wat onder ambtsgeheim werd toevertrouwd.

Zijn er grenzen aan de zwijgplicht?

Is die plicht absoluut? Er zijn twee beperkingen. Stel dat de betrokken ambtsdrager advies van een medebroeder nodig heeft. Dat zal met name als het op het ambtsgeheim aankomt, niet zo vaak gebeuren. Toch is de mogelijkheid niet uitgesloten. Juist daarom noem ik haar. Hoe dit probleem op te lossen? In de eerste plaats zou toestemming gevraagd kunnen worden van degene die de mededeling doet. Daarbij moet de belofte gegeven worden, dat naam en niet noodzakelijke details worden verzwegen. Mocht de persoon in kwestie die toestemming niet willen geven, dan wordt het erg moeilijk.

Toch kan de last voor de ene ambtsdrager te zwaar worden. Mocht hij het werkelijk niet alleen af kunnen, dan moet hij een ander, die ook onder de verplichting tot geheimhouding staat, zo summier mogelijk zijn vraag voorleggen. De persoon in relatie tot de zaak moet dan eigenlijk onherkenbaar gemaakt zijn!

Een tweede grens aan dit ambtsgeheim is de schade die een ander of de gemeenschap lijden zal door wat niet wordt meegedeeld. Stel dat iemand een moord heeft gepleegd en een ànder dreigt, hoewel onschuldig, als de schuldige te worden veroordeeld.

Een in de literatuur nogal eens voorkomend voorbeeld is de bruidegom die meedeelt aan een (besmettelijke) geslachtsziekte te lijden, terwijl hij niet voornemens is dat aan zijn bruid mee te delen. Een breuk met haar, haar familie en eventueel financieel verlies zou het gevolg kunnen zijn. Als een ander duidelijk en direct grote schade dreigt op te lopen, mag de ambtsdrager zich afvragen in hoeverre hij met dit geheim moet blijven rondlopen. Uiteraard zal het eerste wat hij te doen heeft, de poging zijn om de betrokken persoon tot belijdenis van zijn zonden tegenover de ander(en) te brengen. Doch wanneer deze daartoe niet bereid is, gaat zijn recht op bewaren van het geheim niet altijd vóór alles.

In rooms-katholieke kringen is men op dit punt terughoudender dan bij protestanten (zowel luthersen als calvinisten). Er zijn zelfs priesters ter dood gebracht, omdat zij wisten van een aanslag op medemensen, zonder dat zij de betrokkenen of de overheid van dat misdadige voornemen in kennis hadden gesteld. Hun ambtsgeheim, de zwijgplicht in de biechtstoel, woog hun zwaar. De rechter oordeelde anders. In protestantse kringen heeft men deze uiterste consequentie van het ambtsgeheim niet willen trekken. Naar mijn oordeel terecht. Niettemin moet een ambtsdrager er wel goed van overtuigd zijn dat een of meer medemensen grote onrechtvaardige en ernstige schade oplopen, als hij hetgeen hem onder ambtsgeheim ter kennis werd gebracht, voor zich houdt. Het zal niet vaak voorkomen dat een ambtsdrager voor dit dilemma wordt gesteld.

Een definitie

Men kan over dit onderwerp veel historisch en bijbels materiaal vinden in het boek van dr. Ph.J. Huijser, „Het ambtsgeheim van de zielszorger”, Kampen 1961. Huijser omschrijft het ambtsgeheim als volgt: „Het ambtsgeheim van de zielszorger is de verplichting die op hem rust om geheim te houden datgene, wat hem op grond van zijn ambtelijke vertrouwenspositie als geheim is geopenbaard, in het bijzonder als dit geopenbaarde geheim bepaalde gewetenszaken tot inhoud heeft” (blz. 55).

Tevoren heeft dr. Huijser nog een drietal regels gesteld, in verband met de vraag wat als vertrouwelijk opgedane wetenschap gerekend moet worden onder de plicht tot geheimhouding te vallen.

De eerste beslissende factor is de wens van degene die het geheim openbaart. Wie het ambtsgeheim schendt, geeft een bewijs van kwade trouw.

Vervolgens valt er onder datgene, waarvan de zielszorger redelijkerwijs, gelet op de aard van de zaak, moet aannemen dat de betrokkene het als een geheim wil zien opgevat of bewaard, ook al is daarover geen nadrukkelijke afspraak gemaakt of voorwaarde gesteld. Tenslotte valt onder het ambtsgeheim datgene wat niet zozeer om der wille van een persoonlijke vertrouwensrelatie, maar wel uit een oogpunt van wijsheid en voorzichtigheid moet worden verzwegen.

De zielszorger moet dan begrijpen dat hij in het algemeen belang van de goede zielszorg moet zwijgen over wat hij hoorde, zelfs al zou de betrokkene tegen bekendmaking in een bepaald geval geen bezwaar hebben. Het gaat hier vooral om de betrouwbaarheid rondom het vertrouwelijk karakter van de zielszorg.

Ik ga hier nu niet verder op in. Alleen verwijs ik nog naar de bijdrage van dr. G.M. den Hartogh, in: „Handboek voor de ouderling”. Delft 1952, blz. 189 en 190.

Zwijgplicht met betrekking tot de kerkeraadsvergaderingen

Tenslotte kan de vraag gesteld worden of hetgeen ter kerkeraadsvergadering besproken wordt, ook onder het ambtsgeheim valt. Wie de omschrijving, die hierboven werd gegeven, nog eens beziet, moet zeggen dat besprekingen ter kerkeraadsvergadering er strikt genomen niet onder vallen. Helaas zijn er weinig kerkeraden die absoluut dicht zijn. Er behoeft trouwens maar één broeder te zijn die wat loslippig is tegenover zijn vrouw die dat ook is, en de vertrouwelijkheid is geschonden. Gezien de, ook in de literatuur vaak voorkomende vermelding van praten uit de kerkeraadsvergadering, zou ik het een goed ding vinden dat bij de belofte tot geheimhouding van wat in het ambt vertrouwelijk ter kennis komt van de ambtsdrager, ook het besprokene ter kerkeraadsvergadering met zoveel woorden wordt opgenomen; althans al datgene waarvan niet gezegd wordt dat het bekend mag worden. Voor bredere kerkelijke vergaderingen zou dit dan evenzeer moeten gelden. Een ambtsdrager zou zich wel vijf keer bedenken voordat hij uit welke besloten kerkelijke vergadering ook klapte, als het daar verhandelde onder ambtsgeheim was geplaatst.

Eigenlijk is dat nu ook zo, gezien het vertrouwelijke karakter van de besprekingen. Dat een voorstel als hierboven gedaan, nodig is, bewijst hoe ongezond de praktijk is, in helaas tal van gevallen.

Devalueert men het ambtsgeheim niet door deze uitbreiding? Het is mogelijk. Meer waarschijnlijk acht ik het dat ambtsdragers zich de plicht tot zwijgen over wat in besloten kerkelijke vergaderingen wordt behandeld bewust worden. Die plicht wil ik graag aan het eind van dit artikel onderstrepen. Het is triest soms ergens in het land te moeten horen wat men op een vergadering in een ander deel van het land heeft gezegd. Ondanks mijn gehandhaafd pleidooi voor openheid pleit ik voor zwijgplicht ten aanzien van wat in besloten vergaderingen wordt behandeld. Deze beide pleidooien strijden niet met elkaar, maar vullen elkaar aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.