+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

5 minuten leestijd

23.

Zo hebben we enkele voorname punten behandeld over de Bijbel, over de inspiratie of ingeving, over het Goddelijk gezag, over de eigenschappen, over de vertalingen van Gods Woord. En nu we daarbij ook even de apocriefe boeken bekeken hebben, gaan we nu over tot de behandeling van de onvergelijkelijke, Goddelijke en heilrijke inhoud van de Bijbel. We worden dan betrokken bij de heilsleer, welke openbaart al wat noodzakelijk is tot onze zaligheid, maar bovenal wat strekt tot de verheerlijking Gods.

Daarom beginnen we bij de kennis van het volzalige Wezen Gods. Dit is immers het theologisch uitgangspunt van de leer der zaligheid.

We willen allereerst even bespreken, wat we hieronder verstaan. Dit is van zeer groot belang. Het gaat er dan om, waarmede wij de leer des Bijbels beginnen. Bij de mens, bij Christus of bij God Zelf. Dit verschil raakt dus, het verschil in de zienswijze op de leer van de Bijbel.

Onze belijdenisgeschriften hebben een „theologisch” uitgangspunt, d.w.z. zij stellen het uitgangspunt van haar belijden in de leer van GOD, zoals ook CALVIJN deed.

De LUTHERSE belijdenis gaat uit van de leer van de MENS. Zij begint bij de mens. Dit vindt zijn oorzaak in Luthers gedachtegang: hoe word ik zalig. Bij Calvijn was dit: hoe komt God aan Zijn eer.

In het praktisch zielsbeleven wordt wel eens gezegd: wanneer de Heere de zondaar op de weg des levens brengt, is hij „ Luthers”. Want dan krijgt hij te doen met de levensvraag: hoe kom ik tot God bekeerd? Toen de 3000 op de Pinksterdag in het hart gegrepen werden, riepen zij uit: „Wat zullen wij doen, mannen broeders?”

Wanneer de zondaar verder op de weg des levens onderwezen wordt, leert hij dieper verstaan dat het ‘ niet maar alleen gaat om zélf zalig te worden, doch dat Gods deugden verheerlijkt worden.

Nu heeft men wel eens opgemerkt, dat de Heidelbergse Catechismus ook uitgaat van de mens. Want zij begint met de vraag: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Wanneer we echter het antwoord beluisteren komt daarin duidelijk uit, dat het delen in die enige troost is het werk van de drieënige God: de Zoon verlost, de Vader bewaart, de Heilige Geest verzekert van het eeuwige leven. Voorts is er het ethische uitgangspunt. De etischen stellen de leer van Christus als uitgangspunt voor hun belijden. Dit hangt samen met heel hun zienswijze op de Heilige Schrift, bijzonder wat de inspiratie der Schrift betreft. We hebben hierover gehandeld in een vroegere les.

Ter verduidelijking zullen we dit even repeteren. De ethischen volgen de dynamische methode, d.w.z. zij zien de inspiratie van de Bijbel als „illuminatie”, als „verlichting”van de Heilige Geest bij de Bijbelschrijvers, zoals al Gods kinderen die bezitten. Zij stellen dan ook geen wezenlijk verschil tussen de Bijbelschrijvers en andere schrijvers van stichtelijke boeken, o.m. Calvijn, Brakel, enz. Er is wel enig onderscheid. Calvijn en Brakel b.v. stonden verder van de uitstorting van de Heilige Geest af dan de apostelen.

Wij belijden op gereformeerd standpunt wèl een wezenlijk verschil.

De inspiratie of de „ingeving” der Schrift is een geheel bijzondere, speciale geweest, omdat zij is een onfeilbare leiding of drijving, die met de dood van de Bijbelschrijvers is opgehouden, beëindigd. We lezen in 11 Petr. 1:21: betreffende de O. T.-profetie: „Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken”.

Dat de ethischen uitgaan van de „leer van Christus” houdt verband met heel hun godsdienstige levensbeschouwing. De „leer” is bij hen niet het allereerste en voornaamste, wel het „leven” van de christen. Het gaat om de „levende Christus in het hart”.

De Bijbel is vanzelf noodzakelijk. De zwakken in het geloof hebben die vooral nodig. Het „leven” gaat dus boven de „leer”.

Wanneer wij zo hun uitgangspunt bezien, zouden we zeggen: Juist, zo moet het zijn; de levende Christus in het hart! Daarom gaat het ook bij al Gods kinderen.

Het is ook opmerkelijk, dat in onze tijd steeds meer naar voren komt het streven om toch niet zo strak meer aan de leer vast te houden maar dat men een meer soepel praktisch christendom wil zijn. Dit klinkt erg vroom, doch is in het wezen der zaak gevaarlijk en misleidend.

Vanzelfsprekend komt het aan op de praktijk der beleving, maar dan op de praktijk der godzaligheid!

Maar wat houdt de godzaligheid in? Neen, niet zich losmaken van de leer der waarheid, maar dat zij daarop gegrond ligt en daaruit voortvloeit.

„Heb de waarheid en de vrede lief”. Dewaarheid gaat voorop.

Van de eerste pinksterkerk lezen we, dat zij „volhardende waren (niet eerst in de gemeenschap), maar in de leer der apostelen en in de gemeenschap”. Ook hier weer de „leer der apostelen” eerst.

Dan nog iets.

Uitgangspunt van de ethischen is: de leer van Christus. En ook hier geldt het weer: Christus is onmisbaar nodig tot zaligheid. Hij is de alvervullende Inhoud der belofte Gods.

Maar Christus is de „Christus.... Gods” zo lezen we in 1 Kor. 3 : 23. „Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods”.

We moeten door Christus met God worden verzoend.

Met eerbied gezegd: Christus is niet het eindpunt, maar God Zelf, 1 Kor. 15 : 28: „En wanneer Hem alle dingen onderworpen zullen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”. Daarom .heeft de gereformeerde belijdenis haar uitgangspunt genomen in de leer van God.

„Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen” (Rom. 11 : 36a).

R'dam-West

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.