+ Meer informatie

WIE BEN IK? PERSOONLIJKE IDENTITEIT IN HET LICHT VAN DE BIJBEL1

44 minuten leestijd

Inleiding
“Wie ben ik?” - die vraag wordt nooit helemaal beantwoord, tenminste niet in ons bestaan hier en nu. Dat geldt voor mij als de unieke persoon die ik ben; het geldt ook voor mij als mens. In beide opzichten blijf ik ten diepste een geheim, soms een raadsel. Toch heb ik altijd een besef van wie ik ben, als unieke persoon en mens. Wie ik ben, ontdek ik niet in de eerste plaats door te zoeken in mijzelf. Het is zeker van belang ook naar mijzelf te luisteren, open te zijn voor wat er in mij leeft en dat onder ogen te zien, maar ik heb mijzelf niet gemaakt. Ik kan daarom zelf ook niet de bron zijn waaruit ik leef. Het perspectief van de eerste persoon schiet tekort als toegang tot het geheim van mijn bestaan. Veel kennis over mijzelf ontdek ik door mij te verdiepen in wat er door allerlei wetenschappen over de mens is gezegd. Psychische mechanismen, sociale en genetische factoren, neurofysiologische processen, lichaamsfuncties - soms is het weet krijgen ervan fascinerend, soms ook beangstigend, want waar blijf ik zelf te midden van al deze structurele bepaaldheden? Het objectiverende perspectief van de derde persoon kan mij gemakkelijk vervreemden van mijzelf als verantwoordelijke persoon.2 Het besef van wie ik ben komt vanaf het begin mee in mijn bestaan omdat ik besta als mens en het ontwikkelt zich in de veelheid van de relaties waarbinnen ik opgroei. Van fundamentele betekenis is hoe ik word aangesproken, word aanvaard, gerespecteerd, geborgenheid vind en liefde ontvang. Mijn zelfbesef groeit mee als antwoord daarop. Mijn bestaan en de omstandigheden daarvan zijn voor mij gegeven. Veel van wie en wat ik ben is daardoor bepaald.3 Maar ik ga daarin niet op. Essentieel voor mij als mens is dat ik zelf antwoord geef op mijn bestaan en de omstandigheden daarvan. Het perspectief van de eerste persoon en dat van de derde persoon komen samen in het perspectief van de tweede persoon: mijn bestaan als antwoord. Verschillende, vooral Joodse denkers hebben in de eeuw die nu achter ons ligt, aandacht gevraagd voor dit perspectief. Ik denk met name aan Eugen Rosenstock- Huessy, Frans Rosenzweig, Abraham J. Heschel, Martin Buber en Emmanuel Levinas. In alle gevallen gaat dit denken terug op bijbelse bronnen. In dit artikel wil ik proberen in reactie op Musschenga en in directe aansluiting bij enkele bijbelse noties het perspectief van de tweede persoon uit te werken om op die manier enig zicht te krijgen op onze identiteit als mens. Ik citeer driemaal centrale bijbelse passages: over de mens als schepsel van God, over de mens als gevallen en geroepen tot geloof en navolging, en over de mens in vrijheid onderweg. In aansluiting op deze punten maak ik telkens een aantal opmerkingen, toegespitst op het betoog van Musschenga, waarbij ik inga op de vraag hoe het mogelijk is in de veelheid van situaties en relaties van onze (post)moderne tijd ons bestaan nog als een eenheid te beleven.

1. De mens - schepsel van God
En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis ... En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zei tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt. (Genesis 1,26-28)

Welk gebod is het eerste van alle? Jezus antwoordde: Het eerste is: Hoor, Israël, de Heer, onze God, de Heer is één, en gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet. (Marcus 12,28-31)

Geliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. (1 Johannes 4,7-8)

Geroepen tot bestaan
Er is een lange traditie in de christelijke kerk waarin wordt aangenomen dat door de zondeval de mens het beeld van God geheel of voor een groot deel verloren heeft. Door de zonde spiegelen mensen niet meer de eigenschappen van God waardoor hij oorspronkelijk het beeld van God was. In deze opvatting wordt het beeld van God verbonden met bepaalde eigenschappen van God. Eigenschappen van de mens moeten verwijzen naar eigenschappen van God die door de zonde verloren zijn, maar door Christus in ons hersteld worden. Het is de vraag of op deze wijze helemaal aan het verhaal van de schepping van de mens recht kan worden gedaan. Blijft de typering van de mens als beeld van God die in Genesis 1 wordt gegeven, niet gelden, ook na de zondeval? In ieder geval is de opdracht die aan de mens gegeven wordt vruchtbaar te zijn en een bijzondere plaats op de aarde in te nemen niet opgeheven na Genesis 3. Zou dat niet ook kunnen gelden van het beeld-zijn van God, namelijk dat het een opdracht is die wij mensen moeten vervullen, die ons als mensen kenmerkt, ook als wij haar niet of slechts heel gebrekkig uitvoeren? Er is meer dan één reden om in die richting te denken. Behalve het blijvende van de opdracht aan de mens is er ook de aard van het scheppend spreken. In Genesis 1 worden verschillende uitdrukkingen voor ‘scheppen’ gebruikt: maken, scheiden, laten voortbrengen, scheppen.4 Maar steeds wordt het scheppend handelen van God ingeleid met de woorden ‘en God zei’. Het scheppen van God kan daarom worden begrepen als ‘tot bestaan roepen’. Daardoor komt het scheppend spreken in de buurt van het geven van een gebod: een gebod tot bestaan. Nu zijn geboden in de bijbelse zin in de eerste plaats richtingwijzers naar het leven. Zij geven aan hoe het menselijk bestaan naar zijn oorspronkelijk bedoelde aard tot ontplooiing kan komen. Een gebod in bijbelse zin houdt daarom op zich altijd al een belofte in. Wanneer het scheppend spreken van God wordt opgevat als een ‘tot bestaan roepen’, houdt dit in dat met ons bestaan als zodanig een belofte is verbonden. Wanneer we dit toepassen op de schepping van de mens, betekent dit in de eerste plaats dat het bestaan als zodanig voor ons mensen een opdracht, een opgave is. Met ons bestaan antwoorden wij onvermijdelijk op het gegeven van ons bestaan. Onder normale omstandigheden zullen we ons daarvan niet direct bewust zijn, maar soms wordt het leven tot een last. Dan ervaren we de opdracht ons bestaan op ons te nemen en er in verantwoordelijkheid vorm aan te geven heel uitdrukkelijk. In de tweede plaats betekent dit dat met ons bestaan een verwachting verbonden is. Mens zijn is niet alleen een opdracht, maar ook verlangen, gebaseerd op de oorspronkelijke betekenis van tot bestaan geroepen te zijn door het spreken van God.5 Roeping en belofte zijn nauw met elkaar verbonden. Erkend worden in roeping en verantwoordelijkheid behoort tot de verwachting en het verlangen die ons als mens kenmerken. Tegelijk zijn we verantwoordelijk voor de verwachtingen en verlangens van waaruit we ons leven richting geven. Beeld zijn van God betekent dat we geroepen zijn op de aarde God te vertegenwoordigen, met ons bestaan naar Hem te verwijzen. Genesis 1 typeert het eigene van de mens als ‘geschapen zijn naar het beeld van God’. Jezus gebruikt die uitdrukking niet bij de formulering van het liefdegebod. Toch kan Jezus’ antwoord op de vraag naar het eerste gebod opgevat worden als het aangeven van de bestemming van de mens. Hiervoor zijn wij tot bestaan geroepen: God lief te hebben en de naaste. Dit gebod houdt tegelijk de grootst mogelijke belofte in. Wie de vervulling van dit gebod in zijn leven meemaakt, ervaart de vervulling van het diepste menselijke verlangen. Grotere vreugde is in het menselijk bestaan niet mogelijk. Zou daarin dan ook niet de kern van het beeld zijn van God liggen? Hoe dicht dit gebod ons brengt bij het diepste van God zelf, wordt duidelijk als we er de woorden van 1 Johannes 4 naast leggen: “God is liefde.” Liefde is het kernwoord om de bestemming van de mens aan te geven; het is ook het diepste woord over God. Het liefdegebod geeft aan waarom het ten diepste gaat in de roeping van de mens beeld van God te zijn. Hoe nauw het menselijk bestaan met het zijn van God is verbonden blijkt ook uit de tekst van Genesis 1. Steeds volgt er in dit hoofdstuk op de woorden “En God zei:” een oproep tot bestaan, bijvoorbeeld: “Er zij licht”. Alleen wanneer het gaat om de schepping van de mens, volgt er op het “En God zei” een oproep tot God zelf: “Laat Ons mensen maken”. Bij de schepping van de mens is God op een heel bijzondere manier betrokken. Indien dit ten diepste de oorsprong van ons als mens is, dan is duidelijk dat onze zelfkennis ten diepste ook alleen in relatie tot God mogelijk is. Dat betekent natuurlijk niet dat wie deze relatie niet kent geen enkele zelfkennis kan verwerven, of dat wie God kent zichzelf beter kent dan anderen. Het betekent eerder dat zelfs wie God kent, nog maar een begin van echte zelfkennis zal hebben. Het is voor ons zelfverstaan van grote betekenis te weten dat God onze Schepper is, belangrijker is ook in die relatie te leven, ons de richting te laten wijzen door het grote gebod en zo te antwoorden op het woord dat ons tot bestaan heeft geroepen. Wie ik ben, als unieke persoon en als mens, ontsluit zich voor mij als ik mijn leven op mij neem in de relatie tot God als antwoord op zijn belofte en gebod.

Verantwoordelijk voor de aarde
“Vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over ...” - kennelijk probeert Genesis 1 niet de indruk te wekken dat met de schepping de wereld kant en klaar is. Zij is aangelegd op ontsluiting en beheer door de mens. Tegen de achtergrond van wat wij met de aarde en de dieren gedaan hebben, bijvoorbeeld in de bio-industrie, zullen we zorgvuldig met deze woorden moeten omgaan. Gezien het geheel van Genesis 1 kan de aan de mens gerichte opdracht moeilijk als een vrijbrief worden gezien naar willekeur met de aarde en de andere schepselen te handelen. Het herhaalde “En God zag dat het goed was” maakt duidelijk dat de opdracht voor de mens de aarde te onderwerpen in het verlengde ligt van het scheppen van God zelf. De zorgvuldigheid en liefde die kenmerkend zijn voor het scheppend handelen van God dienen ook het omgaan met de schepping van ons als mensen te karakteriseren. Wij mensen zijn overigens niet alleen vanwege onze opdracht met de aarde en de andere schepselen verbonden. We delen ons bestaan met de overige schepselen in allerlei opzichten. Evenals rotsen, planten, dieren, sterren en planeten zijn wij onderworpen aan fysische wetten, die een voorwaarde vormen voor ons menselijk bestaan. Zoals Genesis 2 zegt: God heeft ons gevormd uit het stof - het materiaal - van de aarde. Het eigene van ons als mens ligt niet in deze structuren als zodanig. Wel hebben ze een plaats in ons bestaan als persoon. Daartoe behoren ook andere aspecten zoals taal, economie, recht. Ook die verbinden ons met de andere schepselen. 6 Al deze aspecten krijgen een eenheid in de verantwoordelijkheid waarmee wij ons bestaan op ons nemen en er vorm aan geven.7 De structuren krijgen een plaats in ons bestaan als antwoord en kunnen daarom antwoord-structuren worden genoemd. Zo maken zij deel uit van ons bestaan als persoon. Ook daarbij gaan verantwoordelijkheid en verlangen samen. Wij hebben verantwoordelijkheid voor het geschapene en in die verantwoordelijkheid komen we ook zelf tot ontplooiing.

Samen met anderen
“Man en vrouw schiep Hij hen.” - van meet af is duidelijk dat de mens niet alleen geroepen is. Relaties zijn niet iets dat wordt toegevoegd aan een oorspronkelijke individualiteit. Wij bestaan altijd al in relaties. Dat geldt in de eerste plaats van de tweeheid van mannelijk en vrouwelijk, maar het geldt ook breder. Vanuit de schepping gezien is de roeping samen beeld van God te zijn zo breed als de mensheid. Zou de opdracht vruchtbaar te zijn en de aarde te vervullen niet verstaan moeten worden als dienstbaar aan de roeping van de mens op aarde: heel de aarde te maken tot een ruimte waarin de Naam van de Schepper voor iedereen duidelijk herkenbaar is? Ook met de opdracht om samen antwoord te zijn op de roeping tot bestaan is een belofte verbonden. Dat geldt voor de relatie van man en vrouw binnen het huwelijk. Het geldt voor de relatie van ouders en kinderen. Het geldt ook voor het spreken met elkaar, in de politiek, de economie, het recht, het onderwijs, de wetenschap en de kunst. Op al deze gebieden is de roeping ons mens zijn te ontsluiten door de bedoeling van God zichtbaar te maken. Op die wijze komt op al die gebieden ook het mens zijn zelf tot ontplooiing en wordt de vreugde ervan ervaren. Daarbij wijst het bijbelse onderwijs de richting, maar voor het gaan van de weg op al deze gebieden is tegelijk nodig het zoeken naar wijsheid en inzicht door onderweg zorgvuldig te luisteren en te kijken. In dit verband moet ook het liefdegebod opnieuw worden genoemd. De veelheid van opgaven, waarvoor wij in het leven kunnen komen te staan, vinden hierin hun eenheid. De liefde voor God als het allesbepalende en onmiddellijk daarmee verbonden de liefde voor de mens naast ons verhinderen dat het leven uiteenvalt in een veelheid van opgaven zonder innerlijk verband. “De HEER, onze God, de HEER is één.” Dat geldt ook voor zijn geboden en beloften. De grote verscheidenheid van menselijke verantwoordelijkheden en de veelheid van menselijke verlangens vinden hier hun eenheid en uiteindelijke vervulling.

Geroepen in relaties of ‘ik en mijn rollen’
In zijn bijdrage “Leven in brokstukken. Eenheid en heelheid van de persoon in een gefragmenteerde werkelijkheid” schetst Musschenga een begrippenkader waardoor het probleem van persoonlijke identiteit in een geïndividualiseerde samenleving analyseerbaar wordt. Daarin staat de metafoor van het ik en zijn rollen centraal. Verder heeft het onderscheid tussen persoonlijke en sociale identiteit een belangrijke functie. Persoonlijke identiteit verwijst naar “degene die iemand denkt in wezen te zijn en die hij ook wil zijn en/of wil worden”. Daarnaast is er “een veelheid van natuurlijke (vader/moeder/kind), verplichte (werk) en zelfgekozen sociale rollen (politiek, vrijetijdsactiviteiten)”. Zowel de wijze waarop iemand zich presenteert in en door deze sociale rollen als het beeld dat hij daardoor bij anderen oproept wordt de sociale identiteit genoemd. De spanning die zich kan voordoen tussen de persoonlijke identiteit en de veelheid van sociale rollen schetst Musschenga aan de hand van drie voorbeelden: Anna, John en Mark. Anna loopt gevaar zich voortdurend aan te passen aan wat van haar in een bepaalde rol wordt verwacht en daardoor oppervlakkig te worden. John is steeds op zoek naar zichzelf in een veelheid van activiteiten zonder ooit zichzelf echt te vinden. Mark ontkomt er niet aan verschillende dingen te ondernemen maar hij vermijdt daarbij steeds zich innerlijk te binden. Bij geen van drieën worden persoonlijke identiteit en sociale rollen echt tot een eenheid. Bij alle drie dreigt daardoor het gevaar van een gefragmenteerd bestaan. Daartegenover erkent Musschenga de noodzaak van een bepaalde mate van eenheid. Deze kan worden bereikt door een verhaal te construeren waarin de veelheid van gebeurtenissen en aspecten van ons bestaan tot een zinvol geheel wordt verbonden. Nodig daarbij is wel ‘de oriëntatie van een overkoepelend idee van goed en waardevol leven’. Anders kan de morele kwaliteit van iemands handelen in zijn verschillende rollen tekort schieten. Drie punten uit het betoog van Musschenga zal ik hier bespreken: (1) de metafoor van het ik en zijn rollen; (2) de achtergrond van de metafoor in de idee van een oorspronkelijk geïsoleerd ik; (3) de betekenis van het verhaal voor de eenheid van de persoonlijke identiteit. Ik wil proberen duidelijk te maken dat het gebruikte begrippenkader zelf het zicht krijgen op eenheid in het leven in de weg staat en dat met het eerder geschetste perspectief vanuit bijbelse noties een ander begrippenkader is verbonden dat in dit opzicht vruchtbaarder is.

De metafoor van de acteur
Wanneer we zeggen dat iemand een rol speelt, dan bedoelen we daarmee dat hij niet helemaal zichzelf is. De uitdrukking ‘een rol spelen’ als zodanig geeft aan dat er een spanning is tussen wie iemand echt is en hoe hij zich voordoet. De achtergrond van de metafoor kan dit verder duidelijk maken: het spelen van een rol door een acteur op het toneel. Een acteur leeft zich zo goed mogelijk in in de rol van de persoon die hij moet spelen. In principe zijn er daarbij twee mogelijkheden. De acteur kan zich inleven door zich helemaal te identificeren met het personage dat hij tot leven moet brengen. Hij speelt dan een rol vanuit de mogelijkheden van de eigen persoon. Hij wordt als het ware de persoon die hij moet spelen. Hij is op het toneel de rol die hij speelt. De vraag wordt dan wel: wie is hij buiten het toneel? Heeft hij daar nog een eigen identiteit? Wie als acteur ervoor kiest zich helemaal te identificeren met de rol die hij speelt, zal grote moeite hebben buiten het toneel een eigen identiteit te behouden. Naarmate hij meer verschillende rollen speelt wordt het probleem steeds groter. Enerzijds moet elke rol deel van de eigen persoonlijkheid worden of van daaruit vorm krijgen, anderzijds zullen de verschillende personages niet dezelfde zijn. De acteur loopt gevaar zich in een veelheid van rollen te verliezen. De eigen persoonlijkheid kan niet zelfstandig tot ontwikkeling komen. De andere mogelijkheid is dat een acteur zich wel zo goed mogelijk in een rol inleeft maar tegelijk zijn eigen persoon bewust blijft onderscheiden van het personage dat wordt gespeeld. De rol blijft een rol. De eigen identiteit wordt niet verward met die van de gespeelde rol. Wie de acteur zelf is wordt niet bepaald door de rollen die hij speelt.8 Hij is vrij de eigen persoonlijkheid te ontwikkelen en daarin zichzelf te zijn. De spanning tussen de persoonlijke identiteit en de sociale rollen die Musschenga schetst in verband met Anna, John en Mark, zijn te herkennen in de relatie tussen een acteur en de rollen die hij speelt. De een gaat op in de sociale rollen, de ander neemt innerlijk afstand. In beide gevallen signaleert Musschenga een probleem: er is geen innerlijke eenheid tussen de persoonlijke identiteit en het functioneren in de samenleving. Maar wanneer het begrip ‘sociale rol’ zelf als de sleutelmetafoor functioneert in termen waarvan het probleem van de verhouding tussen mijn persoonlijke en mijn sociale identiteit wordt geanalyseerd, wordt een oplossing in feite ook onmogelijk. Of ik identificeer me met mijn rollen - maar dan verlies ik mijzelf erin en kan ik geen eigen identiteit ontwikkelen - of ik blijf mij onderscheiden van de rollen die ik speel - maar dan ben ik daarin ook niet mijzelf. De metafoor van ‘het ik’ en ‘zijn rollen’ staat, kortom, een oplossing in de weg.

De achtergrond van het probleem
Gaat het alleen om een ongelukkige metafoor? Ik denk het niet. De keuze voor deze metafoor is niet toevallig, maar lijkt voort te komen uit de moderne opvatting van de mens als ‘zelfbepalend subject’.9 Kenmerkend voor deze opvatting is dat de mens niet gezien wordt als deel uitmakend van een omvattend zinvol en normatief verband, maar dat hij zich primair verstaat vanuit zichzelf en vanuit de betekenis die hij zelf aan zijn bestaan geeft. De mens bestaat niet van meet af in relaties; hij gaat relaties aan om daarin zichzelf te verwerkelijken. Tegen deze achtergrond wordt duidelijk waarom er gesproken wordt van aanpassing aan de verwachtingen en eisen die de samenleving stelt. Zelfbepaling houdt zelfverwerkelijking in en daarvoor is de samenleving nodig. Maar de samenleving stelt zelf ook eisen. Om mezelf te kunnen verwerkelijken zal ik me daarom moeten aanpassen. Tegelijk komt mijn zelfbepaling en mijn identiteit daarmee in de knel. Aanpassing aan verwachtingen en eisen komt immers niet voort uit zelfbepaling, maar is noodzakelijk doordat anderen iets vragen. Op deze wijze wordt de spanning in ons bestaan tussen persoonlijke en sociale identiteit haast onvermijdelijk. Enerzijds heb ik de samenleving nodig om mijzelf te verwerkelijken, om vorm te geven aan mijn persoonlijke identiteit. Anderzijds stelt de samenleving grenzen aan mijn zelfbepaling. Van hieruit is de voorkeur voor de metafoor van het rollenspel goed te begrijpen: als acteur kan ik enerzijds mijn eigen spel proberen te spelen en anderzijds het spel dat de anderen van mij verwachten, maar uiteindelijk onttrekt het ik als het eigenlijke subject zich aan de rollen die het speelt. Een acteur gaat immers nooit helemaal in zijn rollen op. De rollen zijn slechts uitwendig; er blijft een onbepaald ‘ik’ achter alle zelfverlies in de sociale rollen over.10 Vanuit het eerder geschetste perspectief van het bestaan als antwoord ontstaat een heel ander beeld. Relaties zijn niet secundair. Ik besta altijd al in relaties. Zij vormen mee de opgave van mijn bestaan als antwoord. Ik bepaal mijn zijn niet oorspronkelijk zelf, maar ben tot bestaan geroepen. Zowel de situatie waarin ik besta als mijn bestaan zelf zijn voor mij een gegeven, gegeven als opdracht en als belofte met een eveneens gegeven richting waarin mijn bestaan tot vervulling kan komen. Het gaat dus niet om een acteur die bepaalde rollen op zich neemt hetzij vrijwillig hetzij gedwongen, maar om bestaan in relaties en situaties die als opdracht en als belofte met mijn bestaan zijn gegeven. Daarom is het mogelijk in situaties en relaties die ik niet zelf heb veroorzaakt toch mijzelf te zijn. In het antwoord geven in die situaties en relaties is het mogelijk zelf tot vervulling te komen. Moet ik mij dan niet aanpassen en daarmee mijzelf geweld aandoen? Op zichzelf niet.11 Wie zich in een ontmoeting echt openstelt voor de ander, naar die ander luistert, en zo op de ander reageert, hoeft zich geen geweld aan te doen als hij voluit met de ander rekening houdt. Wie een ander respecteert, liefheeft en van daaruit handelt, zal niet het gevoel hebben zichzelf innerlijk geweld aan te moeten doen. Bestaan als antwoord betekent dat ik juist in relaties zelf tot ontplooiing kan komen. Tegen deze achtergrond verliest de spanning tussen de eenheid van mijn bestaan enerzijds en de verschillende eisen van een veelheid van sociale situaties anderzijds haar onvermijdelijk karakter. Ook als ik echt mijzelf ben, zal ik in verschillende situaties niet precies hetzelfde doen. Het gaat erom dat ik in elke situatie datgene kan doen waarvan ik geloof dat het goed is. Daarmee kom ik bij een ander punt in het betoog van Musschenga: de eenheid in ons bestaan en het verhaal.

Het verhaal en de eenheid in ons bestaan
Musschenga geeft zelf aan dat er meer nodig is voor het aanbrengen van eenheid in ons bestaan dan alleen het verhaal dat we construeren, namelijk een overkoepelend idee van een goed en waardevol leven. Toch valt in verband met de vraag naar eenheid in ons bestaan de nadruk op het construeren van een verhaal waarin we de verschillende gebeurtenissen en ervaringen van ons leven tot een betekenisvolle eenheid verbinden. Zoals de metafoor van de acteur en zijn rollen een zekere zin heeft - al was het alleen omdat de wijze waarop wij ons bestaan ten diepste opvatten ook gevolgen heeft voor de wijze waarop we bestaan - zo kan ook met de metafoor van het verhaal een aspect van ons bestaan worden verhelderd. In een verhaal gaat het inderdaad om een zinvol verband waarin een veelheid van feiten en gebeurtenissen tot een betekeniseenheid worden verbonden. Toch suggereert ook de metafoor van het verhaal een subject dat op de een of andere manier boven of buiten het concrete bestaan staat. Aan de ene kant zijn er de gebeurtenissen - wat mij is overkomen of wat ik heb gedaan - maar deze hebben als zodanig nog geen betekenis. Aan de andere kant sta ikzelf met de opgave aan die gebeurtenissen een betekenis te geven door ze in een omvattend verhaal te plaatsen. Opvallend is daarbij ook de term ‘construeren’, die aangeeft dat ‘objectieve’ feiten ‘subjectief’ zin krijgen. Dit schema is nauw verbonden met de eerder genoemde idee van het zelfbepalende subject.12 Ik moet kennelijk zelf de auteur zijn van de eenheid en zin van mijn bestaan. Maar wat is de aard van die eenheid? Kan ik zelf mijn bestaan uiteindelijk zin en betekenis geven? Als ik voor mijn eigen besef een veelheid van rollen speel, in welke zin kan een geconstrueerd verhaal daaraan dan eenheid verlenen? Het is niet voor niets dat de noodzaak van een overkoepelende idee van een goed en waardevol leven daarbij naar voren komt. In mijn eerdere opmerkingen heb ik gewezen op de betekenis van het liefdegebod in verband met de eenheid van het leven. Situaties en relaties houden een opdracht in en die opdracht is tegelijk een belofte. Richting gevend voor beide zijn de geboden van God. Tussen de geboden zelf bestaat niet een innerlijke spanning.

Zij vinden hun eenheid in het liefdegebod, in de eenheid van God zelf. Er bestaat dan ook niet noodzakelijk een spanning tussen de opgave in de ene situatie streng en in de andere soepel te moeten zijn. Wat goed is hangt mee van de situatie af. Het komt er niet op aan dat ik kan doen wat mij het beste ligt maar dat ik in iedere situatie vanuit mijn diepste overtuiging omtrent wat in die situatie goed is, kan handelen. Op die wijze komt de eenheid van mijn bestaan niet in gevaar en kom ik ook zelf het beste tot mijn bestemming. Met andere woorden, de eenheid van ons bestaan ligt in het antwoordkarakter en niet in een verhaal daaromheen.

2. De mens als gevallen en geroepen tot navolging

Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd, door de verlossing in Christus Jezus. (Romeinen 3,23-24)

Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder die zijn leven zal willen behouden die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden. (Matteüs 16,24- 25)

De realiteit van het kwaad
Wie ben ik, als mens en als unieke persoon? Wie mijn perspectief van ‘geroepen tot bestaan in relaties’ naast de werkelijkheid legt, kan niet anders dan een schril contrast constateren. Dat geldt zeker de werkelijkheid van het nieuws in de krant en op het journaal. Geldt het niet ook de dagelijkse werkelijkheid van ons eigen bestaan? Wordt door de wereld met zijn vele vormen van kwaad de opdracht en de daarmee verbonden belofte voor het menszijn zichtbaar en worden menselijke verantwoordelijkheid en menselijk verlangen daarin vervuld? Ben ik zelf zoals ik bedoeld ben in al mijn relaties? Is het geschetste perspectief niet een onbereikbaar ideaal, als het al een ideaal is? Als beschrijving van de werkelijkheid is het perspectief van de roeping tot bestaan zeker niet realistisch. Maar zo is het ook niet bedoeld: het gaat eerder om een maatstaf om ons bestaan te beoordelen. Wij zijn niet zoals we bedoeld zijn. Dat geldt beide kanten van ons bestaan: de opdracht en de belofte. In beide opzichten is vervreemding te constateren. Niet alleen voeren we de opdracht niet uit, in veel opzichten hebben we er ook geen zicht meer op, nog afgezien van de vraag of we er toe bereid zijn. Hetzelfde geldt van de belofte. Verlangen we naar de vervulling van de liefde van God in ons leven, zowel wat betreft zijn liefde voor ons als wat betreft onze liefde voor Hem? Niet voor niets verwijst de Heidelbergse Catechismus in Zondag 2 over de kennis van onze ellende naar het liefdegebod en niet naar de tien geboden.

We zijn niet alleen vervreemd van de vervulling van het gebod en de belofte, we zijn vervreemd van het gebod en de belofte zelf. Dat geldt van het centrale liefdegebod, maar het geldt ook voor de vele aspecten van ons bestaan: in politiek, economie, wetenschap en techniek, kunst, taal, seksualiteit. Tegelijk kunnen het gebod en de belofte nooit geheel uit het leven verdwijnen; het daarmee verbonden verlangen evenmin. Verlangen naar gerechtigheid in de politiek, zorgvuldig beheer en dienstbaarheid in de economie, waarheid en zin in de wetenschap, creativiteit in de kunst, zinvolle ontsluiting van de werkelijkheid in de taal, liefde in de seksualiteit - het zal mensen blijven bewegen, hoezeer ook tegen de werkelijkheid in. Wie verlangt er, in het diepst van zijn of haar ziel, niet naar helemaal zichzelf te kunnen zijn, zich overgevend aan een liefde die onvoorwaardelijk aanvaardt?

Verlossing als gave en opgave
Het geheim van het christelijk geloof is dat ons een nieuwe identiteit wordt geschonken. Hebben wij van de opdracht die ons bestaan inhoudt, een puinhoop gemaakt, vervreemd van de roeping in alle drie relaties en daardoor ook van ons zelf, waardoor de vraag naar wie ik ben als mens en als unieke persoon benauwend is geworden, Paulus spreekt van Iemand die op onze plaats is gaan staan en de opdracht voor ons heeft vervuld. De weg naar het leven, naar een positieve identiteit is daardoor open. Niet dat deze weg gemakkelijk is. Zij kan lijken op een vlucht voor verantwoordelijkheid. Trots kan daarom de overgave van het geloof in de weg staan. Niemand vindt het gemakkelijk om het falen als mens tegenover God, de ander en zichzelf toe te geven en echt van genade te leven. Geloof als overgave is in die zin zelf een opgave - maar ook een geschenk. Er is een mogelijkheid voor een nieuw begin. Het zou echter een misverstand zijn als het christelijk geloof als niet meer dan dat werd opgevat. Geloof vraagt ook om navolging van Christus. Zichzelf verloochenen heeft niet alleen betrekking op het kwaad in ons waarmee we ons gemakkelijk identificeren. Zichzelf verloochenen betekent ook legitieme verlangens en rechten kunnen opgeven als het volgen van Christus daarom vraagt: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.” Wie Christus wil volgen is niet in de eerste plaats gericht op de ontplooiing van eigen leven maar is bereid wat met recht kostbaar voor hem is los te laten, tot het leven zelf toe mocht dat noodzakelijk zijn. Hij mag vertrouwen het leven te ontvangen. Is het zich echt overgeven aan genade al niet gemakkelijk, het gaan van deze weg vraagt om een vertrouwen waarvan het leerproces een heel leven kan duren. Maar ook hier geldt als uitgangspunt het geloof dat de opdracht al voor ons is vervuld door Iemand anders.

Identiteit in een gebroken wereld
De vraag hoe realistisch het door mij gekozen perspectief is, kan ook gesteld worden met betrekking tot mijn kritische bespreking van de opvatting van Musschenga. Los ik de strijdigheid tussen de verschillende verwachtingen die iemand tegenkomt in zijn bestaan, niet te gemakkelijk op met een beroep op de eenheid van de geboden in het liefdegebod? Er zijn immers voorbeelden te over waarin de weerbarstigheid van de werkelijkheid zich verzet tegen dergelijke ideale constructies. Er is inderdaad reden op de discussie met Musschenga nog een keer terug te komen. Ik wil eerst kort ingaan op de idee van het ‘ideale zelf’ bij Musschenga en vervolgens een ander aspect bespreken van de neiging tot aanpassing aan verwachtingen en eisen binnen de samenleving.

Een ‘ideaal zelf’?
Musschenga typeert ‘persoonlijke identiteit’ in termen van het ideale zelf, dat wil zeggen: “Degene die iemand denkt in wezen te zijn en die hij ook wil zijn en/of wil worden”. Hoe realistisch is dit ‘ideale zelf’? Tegen de achtergrond van het ‘ik’ dat zelf bepaalt wat het wil zijn, is het ‘ideale zelf’ de realisering van wat iemand wil zijn. De buitenwereld geeft enerzijds de mogelijkheid dit zelf te realiseren, maar stelt anderzijds ook de grenzen vast omdat de buitenwereld eigen wensen heeft. Vandaar de noodzaak rollen te spelen. Wanneer zich een spanning voordoet, wordt deze veroorzaakt doordat wat ik wil niet samenvalt met wat de samenleving van mij verwacht. Dit beeld suggereert dat ik niet in mij zelf reeds verdeeld zou kunnen zijn en dat het kwaad, voorzover het mij betreft, van buiten komt en niet reeds in mijzelf aanwezig is. De noodzaak een rol te spelen komt dus van buiten, niet van binnen. Maar, ben ik niet soms ook geneigd me voor mijzelf anders voor te doen dan ik werkelijk ben? Is de reden een rol te spelen niet vaak juist dat ik niet goed durf uit te komen voor de verlangens, wensen en driften diep in mij? Leeft het kwaad niet ook in mijzelf? En aan de andere kant, durf ik altijd kwetsbaar te zijn door te laten zien wie ik ben? Kan ik altijd kwetsbaar zijn? Op grond van onze zelfervaring is er reden genoeg tot de vraag of mijn persoonlijke identiteit, wie ik denk te zijn, de karaktertrekken, verlangens en denkbeelden waarmee ik mij identificeer, wel altijd zo ‘ideaal’ zijn. Voor Paulus is dit geen vraag. Het kwaad schuilt ook in mijzelf, ook als ik moeite heb dat toe te geven. De eerste stap om mijzelf echt te vinden ligt in de erkenning dat ik gefaald heb in de relaties waarin ik besta - en daardoor ook in de relatie tot mijzelf - en dat ik onmachtig ben dit zelf te herstellen. Dat is niet gemakkelijk toe te geven voor mijzelf, laat staan voor anderen. Zij kunnen daar ook gemakkelijk misbruik van maken. Het is daarom ook niet verstandig altijd alles van zichzelf te laten zien. De meeste situaties en relaties zijn daarvoor niet geschikt, als zodanig al niet - intimiteit past van nature alleen in bepaalde situaties - laat staan in onze gebroken wereld. Toch hoeft dit nog niet noodzakelijk te leiden tot het spelen van rollen, tot het opzetten van een masker, ook al kan dat een plaats hebben. Ik kan eerlijk zijn zonder dat ik alles van mijzelf laat zien. De vraag is of ik eerlijk ben en mijzelf echt heb gezien. Wat dat in bijbels licht betekent is hierboven aan de orde geweest. De norm ligt niet enerzijds in mijzelf en anderzijds in wat anderen van mij verwachten. De norm is gegeven, zowel voor mij als voor de anderen. Beiden hebben wij gefaald en daarom zijn we van elkaar en van onszelf vervreemd. De weg naar de ander en naar onszelf gaat ten diepste pas weer open door Degene die zich in onze plaats heeft gesteld. Om die reden kan ik eerlijk en kwetsbaar zijn en toch in vertrouwen verder gaan.

Aanpassing
Het is inderdaad te gemakkelijk om te zeggen dat de spanningen die zich voordoen door de verwachtingen die anderen tegenover mij koesteren, uitgesproken of niet, zich vanzelf oplossen wanneer ik mij werkelijk voor hen openstel in een echte ontmoeting. Zo’n voorstelling gaat uit van een ideale situatie, waarin de ander en ikzelf ons willen laten leiden door het richtsnoer van het gebod van God. Het is duidelijk dat dit niet noodzakelijk het geval is. Dat leidt tot de vraag hoe ik handel in een situatie waar iets van mij verwacht of verlangd wordt dat tegen mijn overtuiging ingaat. Het is mogelijk dat mijn verstaan van wat God wil te beperkt is en dat een beter verstaan meer ruimte geeft. Het is mogelijk mijn integriteit te bewaren en mij toch ter wille van de ander aan te passen. Maar het is zeker ook mogelijk dat een aanpassing aan wat verwacht of verlangd wordt inderdaad tegen het gebod van God is, of in strijd met de navolging van Christus. Wat heb ik er dan voor over om aan mijn gegeven identiteit vast te houden? Ben ik bereid mijn leven te verliezen? Misschien nemen we te vanzelfsprekend aan dat dat in onze moderne en beschaafde samenleving niet hoeft. Dat zal zo zijn wat betreft het verliezen van het leven in letterlijke zin, maar hoever ben ik bereid te gaan als het er op aan komt?

3. De mens in vrijheid onderweg - vol onzekerheid
Zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij eigenaar van alles, maar hij staat onder voogdij en toezicht tot op het tijdstip dat door de vader tevoren bepaald was. Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten (stoicheia). Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. (...)

Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn. Nu gij echter God hebt leren kennen, ja, meer nog, door God gekend zijt, hoe kunt gij thans terugkeren tot die zwakke en armelijke wereldgeesten, waaraan gij u weer van meet aan dienstbaar wilt maken? (Galaten 4,1-5; 8-9)

Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen,
Doch straks van aangezicht tot aangezicht.
Nu ken ik onvolkomen,
Maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. (1 Korinthiërs 13,12)

De HERE nu zei tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal (...). (Genesis 12,1)

In dit afsluitende gedeelte wil ik aandacht geven aan het eigene van de vraag waarvoor onze tijd ons stelt, waardoor de vraag wie ik ben als mens en als unieke persoon, een bijzondere urgentie krijgt. Het is terecht dat Musschenga in dit verband de betekenis van het proces van modernisering en de nadruk die daardoor op de individuele persoon is komen te liggen, aan de orde stelt. Ik wil eerst zelf ook een aantal punten noemen die de vraag naar de persoonlijke identiteit in de huidige tijd een eigen karakter geven. Daarna maak ik een aantal opmerkingen in aansluiting bij de geciteerde bijbelpassages.

De onzekerheid van de postmoderne tijd
Het is gangbaar de tegenwoordige tijd als postmodern te onderscheiden van de voorafgaande moderne tijd. De gedachte is dat het moderne denken gekenmerkt wordt door het streven naar eenheid en zekerheid op basis van het geloof in een universele rationaliteit, respectievelijk in de mogelijkheden van de natuurwetenschappelijke methode. Het postmoderne denken daartegenover zou dit geloof verloren hebben en daardoor te typeren zijn door pluraliteit en relativiteit. Daar zit iets in. Tegelijk verdwijnt op deze manier gemakkelijk uit het beeld dat het postmoderne denken voortbouwt op het moderne. Het moderne geloof in de rationaliteit is in de eerste plaats geloof in de mogelijkheden van het kritische denken. Daarom wordt het gezag van elke autoriteit die zich niet tegenover dit denken wil verantwoorden afgewezen.13 Dit uitgangspunt is door het postmoderne denken niet losgelaten. Het is eerder geradicaliseerd. Omdat het vertrouwen in een universele rationaliteit is aangetast, dreigt evenwel het gevaar dat die redelijke verantwoording zelf haar zin verliest. Daarmee heeft het gezag haar autoriteit niet terug, integendeel: elk gezag dreigt nu zonder meer als macht te worden opgevat. De inhoudelijke verantwoording was vanuit het moderne denken al moeilijk geworden. De procedurele rechtvaardiging die dan overblijft, verliest voor het postmoderne denken ook haar overtuigingskracht. Worden procedures niet bepaald enerzijds door belangen van machtsgroepen en anderzijds door de bureaucratie? Gevolg is dat normen en waarden van de samenleving als geheel steeds minder houvast geven bij de oriëntatie voor het bestaan. Ieder wordt teruggeworpen op zichzelf en op de toevallige groepen waar hij mee verbonden is of waarmee hij verwantschap voelt. Op de achtergrond staat opnieuw de idee van zelfbepaling die eerder is genoemd. Met het moderne denken is de overtuiging dat wij als mens bestaan binnen een transcendent gegeven omvattende zinvolle orde ondermijnd. Zin en normatieve orde moeten uit de menselijke subjectiviteit zelf voortkomen. Nu daarbij het redelijke denken niet meer als basis kan dienen, wordt het individu meer dan ooit op zichzelf terug geworpen. Dit proces is versterkt doordat ook in sociaal opzicht de samenleving sterk veranderd is. De traditionele gemeenschappen waarin geloofsovertuiging, morele opvattingen, sociale codes in belangrijke mate gemeenschappelijk waren, waardoor er ook een sterke sociale controle werd uitgeoefend, zijn vervangen door een veelheid van verschillende verbanden die steeds meer afhankelijk zijn van individuele keuze. De moderne media zorgen ervoor dat gesloten gemeenschappen - ook geloofsgemeenschappen - steeds meer worden opengebroken. Daarmee is echter niet alles gezegd. Aan de ene kant worden bepaalde uitgangspunten van het denken van de Verlichting inderdaad steeds meer gemeengoed, ook in hun geradicaliseerde vorm. Aan de andere kant zou het onjuist zijn alle ontwikkelingen hierop terug te voeren. Dit geldt al van het genoemde proces van differentiatie en individualisering. Dit proces heeft een eigen wetmatigheid en kan ook heel anders geïnterpreteerd worden dan vanuit de moderne idee van zelfbepaling. Dooyeweerd verbindt het bijvoorbeeld met de ontsluiting van de schepping - en daar is veel voor te zeggen. Daarnaast zijn er andere ontwikkelingen die het christelijk geloof voor nieuwe opgaven plaatsen waarbij een houding van alleen maar verzet op de duur onvruchtbaar wordt. Ik denk aan de resultaten van de natuurwetenschappen en de gevolgen daarvan voor het verstaan van de schepping en de ontwikkeling van de natuur. Ik denk ook aan het gebruik van wetenschappelijke methoden voor het bijbelonderzoek. De resultaten hiervan kunnen evenmin blijvend worden genegeerd. Bovendien zijn er de veranderingen op het gebied van de moraal. Een zonder meer vasthouden aan de opvattingen van het verleden bevordert op de duur de geloofwaardigheid niet; bijvoorbeeld ten aanzien van vragen rond homoseksualiteit en de positie van de vrouw in de kerk. Wie in de wereld van vandaag oprecht als gelovige zijn weg zoekt komt inderdaad voor allerlei vragen te staan waarop het antwoord niet altijd gemakkelijk te vinden en waarbij het doen van persoonlijke keuzes onvermijdelijk is. Het eigene van deze situatie dienen we onder ogen te zien, juist ook met het oog op de vraag naar persoonlijke identiteit zoals deze in dit artikel aan de orde is. Ook voor de discussie met Musschenga is dit noodzakelijk. De volgende opmerkingen proberen daarom dit eigene van de huidige situatie in een bijbels perspectief te plaatsen.

De nieuwtestamentische vrijheid
In het denken van de Verlichting nemen de ideeën van vrijheid en mondigheid een belangrijke plaats in. Maar hetzelfde geldt voor Paulus. Bij hem zijn vrijheid en mondigheid stellig niet gekoppeld aan de idee van zelfbepaling. Integendeel, Paulus verbindt vrijheid en mondigheid aan het geloof in Christus. Dat betekent een uit handen geven van het eigen leven, niet een radicaal zelf willen beslissen. Toch spreekt Paulus van vrijheid en mondigheid. En het zou kunnen zijn dat de wijze waarop hij deze noties verbindt met het niet langer onderworpen zijn aan de stoicheia (vertaald als ‘wereldgeesten’) hem op een bepaalde manier toch ook in de buurt brengt van het denken van de Verlichting.14 Mondigheid betekent voor de Verlichting het kritisch durven staan tegenover het gezag van de kerk en de staat, met andere woorden tegenover die instituties die orde en houvast geven aan het leven. Wie de gebruiken van de godsdienst en de wetten van de staat ondermijnt tast het fundament van de samenleving aan. Het is niet onaannemelijk dat Paulus met ‘stoicheia’ iets dergelijks heeft bedoeld. Het gaat om ‘elementen’ die het leven richting en houvast geven zoals opvoeders functioneren voor de minderjarige kinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Misschien kunnen we denken aan culturele tradities zoals die zijn belichaamd in godsdienstige en staatkundige opvattingen. Zonder het gezag van die tradities dreigt de samenleving uiteen te vallen. Zij mist dan oriëntatie en houvast. Wil Paulus niet zeggen dat met de komst van Christus niet meer deze culturele tradities het te zeggen hebben, maar Christus zelf? Hij geeft richting en houvast aan het leven. De mens kent mondigheid en vrijheid in Christus, niet als zelfbepaling. Daarmee is de opdracht gegeven om op een nieuwe manier in het leven te staan. Innerlijk vrij te kunnen zijn ten opzichte van traditionele kaders. Op een nieuwe manier over vragen durven nadenken, radicaal geworteld in Christus, levend door de Geest. In de geschiedenis van de christelijke kerk is deze idee vaak met argwaan bejegend. En daar is ook wel aanleiding toe. Zij brengt stellig risico’s met zich mee. De vrijheid kan gemakkelijk misbruikt worden. Paulus waarschuwt daar zelf al tegen (Galaten 5,13vv). Toch blijft zij wezenlijk voor het leven van de gemeente van Christus. Waarschijnlijk hebben wij haar in deze tijd meer dan ooit nodig om onze weg als christen te kunnen vinden. We moeten in vrijheid en mondigheid, de moed hebben om in verantwoordelijkheid een weg te zoeken door de vragen waar het moderne en postmoderne leven ons voor plaatst. Ook als dat betekent dat het antwoord er anders uitziet dan een lange traditie heeft gedacht. Persoonlijke identiteit betekent ook in Christus mondig en vrij te durven leven.15

Onderweg met de belofte
Als de hier voorgestelde uitleg van de ‘stoicheia’ in Galaten 4 recht doet aan de bedoeling van Paulus, dan ontstaat er een onverwachte verbinding met de geschiedenis van Abram. Abram werd geroepen de vertrouwde zekerheden van zijn bestaan los te laten: de veiligheid van het eigen land, de eigen familie, de eigen culturele traditie, en op weg te gaan naar een onbekend land waar hij verder als vreemdeling zou verblijven zonder veel van de vervulling van de hem gegeven belofte te hebben gezien. Zijn opgave was niet op te gaan in de cultuur waarin hij moest leven maar vast te houden aan de belofte. Voor mij is Abram in verschillende opzichten model geworden voor het leven in het geloof in deze tijd. Bepaalde zekerheden van de traditie moeten we loslaten. Moeilijk te ontkennen resultaten van wetenschap stellen ons voor vragen waarop het antwoord niet direct gegeven kan worden. Heeft het gevolgen voor de bijbelse toekomstverwachting, indien de tijd terug gerekend moet worden in miljarden jaren? Wat betekent het voor het leven in vertrouwen op God, wanneer steeds meer ‘natuurlijke’ factoren worden ontdekt die de gang van ons leven beïnvloeden? Wat betekent het voor het omgaan met de bijbel als woord van God als op het oog daarin door God gesanctioneerde praktijken tegenwoordig ethnocide zouden worden genoemd en daarom terecht grondig veroordeeld? De vragen zijn gemakkelijk te vermenigvuldigen.16 In een dergelijke situatie vol onzekerheden komt het er op aan met het oog op onze persoonlijke identiteit vast te houden aan het gebod en de belofte, aan de verbondenheid in geloof met Jezus Christus door de Heilige Geest. Daardoor zal het onmogelijk worden op te gaan in de ons omringende cultuur ook indien we op allerlei manieren daarin betrokken zijn, verantwoordelijk en ons zelf ontplooiend. De belofte die ons is gegeven reikt daar ver bovenuit. Het geheim van wie ik ben, geroepen mens te zijn als beeld van God, zal ik eenmaal ervaren wanneer ik zie van aangezicht tot aangezicht. Heeft Abraham kunnen vermoeden, wanneer hij rondtrok in Kanaän, wat de vervulling van de aan hem gegeven belofte zou inhouden? Kan ik een, al is het ook klein, vermoeden hebben, wat het betekent mij voluit over te geven aan de liefde van God in de directe ontmoeting en daarop in volmaaktheid in liefde te antwoorden en beide met vele anderen te delen? Het leven in de schepping zal in alle opzichten tot ontplooiing komen. En het geheim daarvan zal onuitputtelijk zijn.


Noten
1. Dit artikel is de bewerking van een lezing gehouden voor het paascongres 2001. Een geschreven tekst stelt andere eisen dan het gesproken woord. De hier gegeven tekst is daarom ook niet zonder meer gelijk aan wat indertijd is uitgesproken. Bovendien is de tekst op verzoek van en met behulp van de redactie hier en daar ingekort.

2. Zie voor de spanning tussen het perspectief van de eerste persoon en dat van de derde persoon T. Nagel, The View from Nowhere (Oxford: Oxford University Press, 1986) en bovendien H. G. Geertsema, “Wetenschap en mens zijn in de tweede persoon,” in Willem B. Drees, red., De mens: meer dan materie? Religie en reductionisme (Kampen: Kok, 1997), 169-207.

3. Vergelijk voor het onderscheid tussen de vraag naar ‘wie ik ben’ en naar ‘wat ik ben’ Abraham J. Heschel, Who is Man? (Stanford: Stanford University Press, 1966); Nederlandse vertaling: Wie is de mens? (Baarn: Ten Have, 1992).

4. Vergelijk Claus Westermann, Genesis. (Neukirchen/Vluyn: BKAT, 1974), 117-118.

5. Vergelijk voor het fundamentele van het verlangen voor het mens zijn Plato over de eros in verband met schoonheid in Symposion.

6. In termen van de theorie van de modale aspecten van de reformatorische wijsbegeerte gaat het om modale subject-subjectrelaties (in fysische zin tussen mensen, anorganische dingen, planten, dieren; in biotische zin tussen mensen, planten en dieren; in psychische zin tussen mensen en dieren) en modale subject-objectrelaties (taal, economie, recht in de relatie tussen mens en dingen, planten en dieren). Zowel subject-subjectrelaties als subject-objectrelaties zijn relaties van samenhang die met de structurele orde van de werkelijkheid zijn gegeven. Vooral de subjectobjectrelaties zijn op menselijke ontsluiting aangewezen.

7. In de tekst wordt gezinspeeld op de theorie van het menselijk lichaam als een enkaptisch structuurgeheel bij Dooyeweerd. Vergelijk G. Glas, “Filosofische antropologie,” in R. van Woudenberg, red., Kennis en werkelijkheid. Tweede inleiding in een christelijke filosofie. (Kampen en Amsterdam: Kok en Buijten & Schipperheijn, 1996), 86-142, aldaar 96-98.

8. Ik herinner me een gesprek met een acteur bij de Royal Shakespeare Company in Canada. Hij vertelde me dat hij bij het instuderen van een rol altijd problemen had met zijn eigen identiteit. Wanneer eenmaal de studieperiode was voltooid en het stuk werd gespeeld, waren de problemen voorbij.

9. Zie Charles Taylor, Hegel (Cambridge: Cambridge University Press, 1975), hoofdstuk 1.

10. Zie ook Martin Hollis, “Of masks and men,” in M. Carrithers, S. Collins, S. Lukes, red., The Category of the Person. Anthropology, Philosophy, History. (Cambridge, NJ: Cambridge University Press, 1985), 217-233.

11. In het tweede gedeelte kom ik op het punt van het zich moeten aanpassen terug in verband met de spanningen die zich daarbij kunnen voordoen.

12. Taylor, Hegel, hoofdstuk 1.

13. Zie bijvoorbeeld Immanuel Kant, Was ist Aufklärung? Thesen und Definitionen, Erhard Bahr, hrsg. (Stuttgart: Reclam, 1974).

14. Vergelijk voor het vervolg H. Berkhof, Christus en de machten (Nijkerk: Callenbach, 1953).

15. Persoonlijk lijkt mij de stelling niet te gewaagd dat er een lijn loopt van de vrijheid waarover Paulus spreekt tot de vrijheid en mondigheid die door de denkers van de Verlichting wordt geclaimd. In de Middeleeuwen komt de gedachte op van de drie rijken: het rijk van God de Vader, dat gekenmerkt wordt door de roeping van het volk Israël en de geldigheid van de wet; het rijk van God de Zoon, dat gekenmerkt wordt door de functie van (het ambt van) de kerk en de toedeling van de genademiddelen; het rijk van God de Geest, dat gekenmerkt wordt door de vrijheid van de gelovigen. Degenen die zich tot deze gedachten voelden aangetrokken, zijn in de Middeleeuwen zwaar vervolgd. Via de Renaissance - en mogelijk de Wederdopers - loopt er echter een lijn naar de opvatting van vrijheid in de Verlichting. Alleen is dan de band van vrijheid met de Geest van Christus losgelaten. Vrijheid wordt nu met het kritische denken en de autonomie van de mens verbonden. In deze ontwikkeling is duidelijk de aard van de vrijheid waarvan Paulus spreekt sterk veranderd. Toch denk ik dat de Verlichting behalve van het Griekse denken waarop het zich uitdrukkelijk beroept in verband met het kritische denken voor haar opvatting van vrijheid en mondigheid historisch afhankelijk blijft van de traditie van het christelijk geloof.

16. Zie hiervoor ook H. G. Geertsema, “Achtergronden van en uitweg uit de impasse van de Gereformeerde theologie”. In: G. van den Brink e.a., Filosofie en theologie. Een gesprek tussen christen-filosofen en theologen (Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, 1997), 89vv.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.