+ Meer informatie

TER OVERWEGING

19 minuten leestijd

Ton Valkenburg, Soms ben ik bang dat het mij overkomt. De angst voor gebrekkig oud worden. Uitg. Kok, Kampen 1992. 141 blz. f 24, 50.

Dit boekje handelt over de angst om oud te worden. Die angst begint al vaak op middelbare leeftijd. Ondanks het feit dat iedereen oud wil worden, willen velen het niet zijn. Oud worden heeft een negatieve klank. Bijna automatisch wordt oud worden gekoppeid aan lichamelijke en psychische aftakeling. Verpleging en verzorging zijn synoniemen. In werkelijkheid woont slechts 8% van de ouderen (men zegt liever Senioren) in een tehuis. De auteur, directeur van een verzorgingscentrum, laat zien dat ouderdom ook heel positief beleefd kan worden. ‘Oud zijn mag een periode zijn van oogsten, nagenieten van wat je gedaan hebt en het overdragen van kennis en vaardigheden op een volgende generatie’. ‘Als mensen hun levenseinde voelen naderen, mag men in een gelovig Godsvertrouwen een innerlijk houvast en gevoel van geborgenheid vinden in Hern die de hele lange weg door alle fasen is meegegaan’. Wie een boek zoekt over de angst voor oud worden en alles wat daamnee samenhangt, kan hierin het nodige lezen. De pastorale kant is echter onderbelicht en dat maakt het boek incompleet.

C.A. van Harten, Ik geloof ….. De Apostolische Geloofsbelijdenis uitgelegd voor de gemeente. Uitg. Groen, Leiden 1992. 255 blz. f 24, 50.

Deze uitleg van de 12 Artikelen van het Geloof sluit aan bij de verklaring die daarvan gegeven wordt in zondag 7 - 22 van de Heidelbergse Catechismus. Toch kan dit boek niet zonder meer als catechismusverklaring worden beschouwd. Het biedt meer, maar in een bepaald opzicht ook minder. Het meerdere bestaat in de oriëntatie die wij ontvangen in de geschiedenis van de leer der kerk. De vaak ingewikkelde discussies in de vroege kerk over de schepping, de Drieëenheid van God, de persoon van Christus en het werk van de Heilige Geest worden op een eenvoudige manier uiteengezet, toegankelijk voor niet-theologen. Aan de andere kant geeft het boek minder dan een catechismusverklaring. Sommige noties uit de Catechismus blijven onderbelicht. Zo lezen wij dat de maagdelijke geboorte van Jezus niet kan dienen als verklaring van het feit dat Hij God en mens is, of van het feit dat Hij vrij is van erfzonde (blz. 90). Intussen tendeert de Catechismus in antwoord 35 en 36 wel in deze richting. Verder is het jammer dat de schrijver niet wil ingaan op de vraag of God de zonde niet kon vergeven zonder dat er een zoenoffer gebracht werd (blz. 106). Het belang van de genoegdoening aan Gods gerechtigheid, waarover antwoord 11 en 16 van de Catechismus spreken, blijft daardoor onduidelijk. In het algemeen ontbreekt naar mijn indruk de scherpte in de prediking van de gerechtigheid, zowel in haar bevrijdende als in haar oordelende kracht, en daardoor mis ik ook te veel de spankracht van de hoop. Het meest werd ik geboeid door het gedeelte over Gods voorzienigheid. Dit Staat middenin de vaak schrijnende vragen over de zin van wat er gebeurt. Aangrijpende voorbeelden worden gegeven. In aansluiting aan artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wijst de schrijver de weg niet van het begrijpen, maar van het geloven (blz. 57). De kracht van dit boek ligt niet zozeer in dogmatische diepgang, maar meer in de catechetische kwaliteit en de praktische inslag. Het is helder geschreven en bevat vele rake typeringen.

Dr. D.Th. Kuiper e.a. (red.), Jaarboek voor de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Jaargang 5. Uitg. Kok, Kampen. 181 blz. f 35,-.

Opnieuw een bundel waardevolle opstellen met betrekking tot de geschiedenis van de Geref. Kerken. Dr. J. Vree Azn. biedt het vervolg op zijn bijdrage aan het vorige Jaarboek: ‘Hendrik de Cock en de Groninger vrienden. Een onderzoek naar de overeenkomst en samenhang tussen Afscheiding en Groninger richting in haar oorsprong’. Ook nu een boeiend betoog waarin het resultaat van dat onderzoek wordt verwoord. Samenhang laat zich niet ontkennen, maar overeenkomst lijkt mij moeilijk aantoonbaar als het gaat om het wezen van de zaak. Als er gesproken wordt over beiderzijds verzet tegen de liberale theologie van die dagen, dan moge er samenhang in dat verzet zijn, maar de anticonfessionele inzet van de Groninger richting komt juist behoorlijk overeen met die theologie. In beider bijna panische angst voor de confessie kunnen noch de Groninger richting noch de liberale theologie die confessie anders zien dan als een knellende band waarmee men elkaar wil beheersen. Dat ‘binding’ aan de confessie te maken heeft met ‘verbond’, is beiden - haast gelijkelijk - vreemd, ‘verbond’ waarin het gaat om trouw jegens God naar Zijn Woord en jegens elkaar naar het grote gebod van de liefde, trouw aan het gegeven Woord/woord waarop men de ander kan aanspreken en bereid is aangesproken te worden. Dit aspect komt m.i. minder duidelijk naar voren in deze overigens interessante en informatieve bijdrage. Dat laatste kan ook gezegd worden van de bijdrage van drs. J. van Gelderen over ‘Petrus Biesterveid, praktisch theoloog’. Biesterveid - geboren 1863, op 20-jarige leeftijd predikant geworden - werd in 1894 hoogleraar te Kampen en ging in 1902 met Bavinck over naar de Vrije Universiteit, waar hij - tot zijn overlijden in 1908 - de ‘ambtelijke vakken’ doceerde. Hij wordt terecht de ‘vader’ van de praktische theologie genoemd. Drs. Nynke Gerritsma schrijft over ‘Vrouwen achter ’t theeblad vandaan. Gereformeerd denken over vrouwen, 1920-1940’. Zijn de gevolgen van de economische en sociale crisis van de jaren dertig ‘op de sexe-verhoudingen en het huwelijk’ zó duidelijk als de schrijfster ons wil doen geloven? De volgende bijdrage is van drs. E. Hoogerwerf: ‘De Gereformeerde Kerk van Palembang als zendingskerk. De inzet van Gereformeerd Palembang voor het werk onder Javaanse transmigranten in Zuidelijk Sumatra (1936-1959)’ - een boeiend stukje zendingsgeschiedenis. De laatste bijdrage is van dr. F. Tobias Bos: ‘Van scheurmaking tot broedertwist. De houding van de synoden van de Gereformeerde Kerken ten opzichte van de Vrijmaking’. Tot de jaren ‘70 bleven de synoden op de een of andere manier bezig met de in 1944 ontstane breuk. Deze bleek toen onherstelbaar geworden: steeds meer openheid naar andere kerken; de belijdenis niet los van de ontstaanstijd bij de GKN. Maar is de Schriftvraag hier niet allereerst in geding, waardoor de kloof onoverbrugbaar wordt? Ook deze 5e jaargang is alleszins de moeite waard. Rest nog de aandacht te vestigen op de brede ‘Inleiding’: inleidend èn aanvullend op hetgeen in deze jaargang geboden wordt.

Dr. A.N. Hendriks, Tot alle rijkdom van een volledig inzicht Meditatieve studies over gedeelten uit het Nieuwe Testament. Uitg. Van den Berg, Kampen. 157 blz. f 26, 50.

Onder de aan Col. 2 : 2 ontleende titel zijn zeventien ‘meditatieve studies’ bijeengebracht die over het algemeen als ‘gedegen’ aangemerkt kunnen worden. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen opmerkingen gemaakt of vragen gesteld kunnen worden. Als de schrijver ‘betere’ vertalingen biedt, dan kan er wel eens een vraagteken gesteld worden. En als het over het Joodse volk gaat - bijv. dat het de Romeinen het ‘vuile werk’ laat doen (56) - dan kon de ‘studie’ wel wat genuanceerder zijn. Is het betoog van Paulus in Rom. 11 : 25-33 zó opgevat in feite niet overbodig - ‘Israël’ = de individuele Jood - (956v.)? Opmerkingen en vragen blijven er natuurlijk altijd en zeker niet in de laatste plaats bij gespreks- en studiegroepen die een Studie als deze ‘zeer goed’ kunnen gebruiken.

Ds. M.R. van den Berg, De tweede brief aan de Korinthiërs. Machtig zijn in zwakheid. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. 167 blz. f 21, 90.

In kort bestek wordt de tweede brief aan de Korinthiërs verklaard. De schrijver heeft reeds verschillende - om het zo eens te noemen - ‘korte verklaringen’ op zijn naam staan die voor een snelle oriëntatie heel geschikt zijn. Dat geldt ook van dit deeltje. Wat het betekent geméénte te zijn en wat het inhoudt lid van die gemeente te zijn, komt nu duidelijk aan de orde. Gespreksgroepen enz. zullen dit deeltje goed kunnen benutten.

Dr. Joh. Verkuyl, De kern van het christelijk geloof. Uitg. Kok, Kampen 1992. 424 blz. f 45,-.

Dit boek is een bewerking en uitbreiding van het vroegere werk van de auteur ‘Credo’, een boek dat zijn weg heeft gevonden. Professor Verkuyl geeft een populaire dogmatiek die een tegenhanger mag heten van Kuiterts ‘Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een grondstelling uit Kuiterts boek, namelijk dat het kwaad ook van God komt, noemt Verkuyl zelfs goddeloos. Populair is dit boek in dit opzicht, dat er naar geen enkele theologische bron wordt verwezen en dat er geen verantwoording van de exegese wordt gegeven. Al verteilend en met de lezer in gesprek rakend wordt de leer van het christelijk geloof uiteengezet, vlot en begrijpelijk, helder en tegelijk op de hoogte van de tijd. De schrijver is veelszins orthodox-gereformeerd. Alleen op het punt van de uitverkiezing laat hij een ander (modern-gereformeerd) geluid horen. Dit heeft consequences voor zijn visie op de afloop van de geschiedenis. Hij noemt de gedachte van een altijddurende straf afkomstig uit bepaalde Griekse voorstellingen en de middeleeuwse verwerking daarvan. Deze Stelling is in strijd met de tekst van de Bijbel en de geschiedenis van de kerk. Het boek tendeert in de richting van een alverzoening. Op dit punt heeft de schrijver de gereformeerde belijdenis losgelaten. Er Staat veel in het boek dat een tegenwicht biedt tegen Kuitert, zonder dat Verkuyl met hem polemiseert. Beiden schreven hun boek ongeveer tegelijkertijd, lijkt me. In zake het hierboven genoemde punt en op dat van de Schriftbeschouwing kan ik de schrijver niet volgen.

Dr. G. Dekker, De stille revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in Nederland tussen 1950 en 1990. Uitg. Kok, Kampen 1992. 254 blz. f 35,-.

De auteur is hoogleraar in de godsdienstsociologie aan de V.U. Wij zijn van hem gewend, dat hij zijn betoog bouwt op gegevens die resultaat zijn van onderzoek. Dat gebeurt hier ook. Het hele veranderingsproces in de Gereformeerde Kerken wordt beschreven aan de hand van officiële uitspraken van synoden. Er wordt dikwijls naar de Acta verwezen. Verder leveren enquêtes onder kerkleden een onthullend en onthutsend beeld op van de veranderingen in denken en doen. De conclusie is, dat de Gereformeerde Kerken geseculariseerd zijn. De auteur wijst duidelijk aan, waar dat proces is begonnen. Toen men de belijdenis losliet, is het pluralisme gelegitimeerd. Het eind is dat niemand meer weet wat gereformeerd is. Het is in elk geval duidelijk dat de auteur zegt: Deze Kerken zijn niet meer confessioneel gereformeerd. Hij ziet geen mogelijkheid om tot de situatie van vóór 1950 terug te keren. Hij ziet er ook geen heil in. Laten de Gereformeerde Kerken met hun moed tot veranderingen anderen ten voorbeeld zijn en een handreiking bieden, is zijn devies. De feiten maken duidelijk dat dit metterdaad het einde van de Gereformeerde Kerken betekent. Het Samen-op-weg proces zal een definitieve streep achter deze geschiedenis van ontmanteling en verval zetten. Merkwaardig dat dit laatste feit vrijwel niet aan de orde komt.

Drs. G. Harinck, Diakonie in verleden en heden. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1992. 288 blz. f 29, 75.

Dit boek beschrijft de geschiedenis van de diaconie in de (Vrijgemaakt) Gereformeerde Kerken vanaf 1886 tot 1992. Vier brede hoofdstukken met veel noten. Een overzicht over organiseren, informeren en confereren. Een besluit van prof. Trimp en verder bijlagen. Het is een waardevol boek als historisch overzicht. De indeling in vier perioden is goed gekozen. Het is onthullend wat de eerste periode betreft. In vrijgemaakte kring zijn de sociale voorzieningen van de zijde van de overheid aanvankelijk afgewezen. Dat komt goed uit de verf. Het beleid wordt niet door de beleidmakers zelf toegelicht, verdedigd noch bijgesteld. De historici zijn aan het woord. De conclusies van prof. Trimp zijn waardevol. Toch meen ik dat de betekenis van het boek groter zou zijn, als het beleid voor de toekomst duidelijker was uitgestippeld. Niettemin is het een boek, waarvoor ik veel respect heb en dat door elke diaconie in hoofdlijnen besproken zou moeten worden. Misschien is het wel mogelijk er nog eens op terug te komen.

D. Deddens, M. te Velde (red.), Vereniging en Wederkeer. Opstellen over de Vereeniging van 1892. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1992. 221 blz. f 34, 75.

Een voornaam uitgegeven bundel van (vrijgemaakt) gereformeerde zijde over de Vereeniging van 1892. Een bundel met verscheidenheid. Prof. Deddens schrijft over de Gereformeerde Kerken in Nederland, een bond, geen kerk; prof. Kamphuis over Kuypers begeerte naar de eenheid van de gereformeerde belijders; prof. Schutte over Helenius de Cock; dr. Bremmer over Lucas Lindeboom. Verder artikelen over de plaats van de V.U.; over buitenlandse contacten en de zending. Natuurlijk ook over gesprekken met de christelijke gereformeerden (‘Twee synoden in een vruchteloos gesprek’). Prof. Te Velde sluit af met ‘Confrontatie en perspectief. Na honderd jaar’. Een opvallende verdediging van de vereniging, en een vrij scherpe weerlegging van de bezwaren van degenen die niet meegingen. Zij deden er (ook achteraf gezien) verkeerd aan, al wordt de geschiedenis van de Verenigde Kerken niet verheerlijkt. Dit artikel heeft mij getroffen door zijn overtuiging, de toon van het gelijk van de vereniging. Hierop zou van christelijk-gereformeerde zijde moeten worden ingegaan. Daarvoor is het hier niet de plaats. De bundel bevat interessante en soms ook waardevolle bijdragen. Hij wordt mijns inziens door het slot gedomineerd en bepaald.

Dr. W. ter Horst, Eerherstel van de Liefde. Uitg. Kok, Kampen 1992. 218 blz. f 32, 50.

De auteur heeft enkele vaak herdrukte werken op zijn naam staan. Hij is hoogleraar orthopedagogiek (geweest). Hij is geïnteresseerd in mensen, hun gevoelsbelevingen, hun moeiten en vreugden. In dit boek analyseert hij het verschijnsel liefde, waarbij ook de seksualiteit (maar niet als eerste) ter sprake komt. Zijn bedoeling is te laten zien dat niet alles wat voor liefde wordt uitgegeven of aangezien, ook echte liefde is. Het gaat om de relatie met de ander, waarbinnen ikzelf mij wil geven en tegelijk mijzelf kan zijn. Die tweeheid is essentieel, ook voor de seksuele omgang. De schrijver gebruikt veel bladzijden, veel woorden en veel voorbeelden om deze boodschap over te brengen. Men moet zich door heel wat heen lezen om deze boodschap op te vangen. Zelf zou ik de liefde van Christus en de schepping van de mens naar het beeld van God meer centraal gesteld hebben, al ontbreken deze noties niet. Een boek dat inspanning vraagt, maar wel onderscheidend inzicht geeft.

H.C. van der Meulen, Die wondt en heelt, doodt en levend maakt Een struktuuranalyse van de theologie van Helmut Thielicke (1908-1986). Druk en uitgave: Drukkerij Hagen, Hoogeveen 1992. f 39, 50. In de handel via Boekhandel Wever, Franeker.

Dit is een Gronings proefschrift over de bekende theoloog Thielicke. De titel doelt op de dialectiek die Thielicke’s theologie typeert. Wet en Evangelie, Leven en dood, de mens het beeld van God, op een heel eigen wijze verwoord in de context van het naoorlogse Duitsland. Thielicke is geen Barthiaan, geen vooroorlogse lutheraan, maar Luther in naoorlogse gestalle. Het is hier niet de plaats om het proefschrift theologisch te evalueren. Het doet ons sympathiek aan, dat er van het werk van Apeldoornse hoogleraren is gebruik gemaakt - en dat in Groningen! De schrijver voelt zich in Thielicke, met alle waardering, teleurgesteld. Ik begrijp door zijn boek beter waarom Thielicke, ondanks zijn grote geleerdheid, mij nooit echt gepakt heeft, terwijl ik wel waardering voor hem heb. In dit proefschrift merk ik twee punten op die mij onvoldaan laten. Eerst: wat kunnen we ermee naar de praktijk? De lezer moet tussen de regels door zelf maar formuleren. Vervolgens: zou de stof niet dichter bij ons gekomen zijn, als de vele bundels preken in het onderzoek waren betrokken? Er is in Nederland niet veel over Thielicke geschreven. Alleen daarom al heb ik waardering voor dit proefschrift.

J.H. van der Ven, Entwurf einer empirischer Theologie. Uitg. Kok, Kampen 1990. 277 blz. f 65,-.

In dit boek geeft de auteur een overzicht van de in Nijmegen toegepaste empirische méthode bij allerlei pastoraal-theologische onderzoeken. Vooral het laatste deel van het boek is hiermee gevuld. Eraan vooraf gaat een historisch overzicht van opvattingen over theologie en van hermeneutische concepties. De schrijver ziet theologie als reflexie op het geloof van mensen; en in zoverre ook op God in Wie mensen geloven. Dit is een empirische theologie-opvatting. Hiervan is het boek doortrokken. Er is veel mate-riaal in dit boek verwerkt, ook materiaal in verband met onderzoekingen. Ik vraag mij af of dit boek door dat alles niet te vol is geworden. Het heeft veel weg van een compendium! Wij gaan uit van de openbaring en niet van de ervaring. Dat brengt ons tot een heel andere beschouwing van theologie. Aan het einde van het boek (evenals van proefschriften die met behulp van deze methode in Nijmegen zijn geschreven) vraagt men zich af: wat is nu de pastorale betekenis van dit werk. Helpt het de onderzoekers inderdaad om het evangelie duidelijker en directer te brengen? Die vraag blijft achter.

F.A. van Lieburg, Levens van vromen. Gereformeerd piëtisme in de achttiende eeuw. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen 1992. 252 blz. f 39, 50.

De schrijver is bekend om zijn publikaties over de Nadere Reformatie en de invloed van het piëtisme daarop. In dit boek wordt uit twintig autobiografieën van bekeerde mensen, hun visie op vele onderdelen van het leven beschreven. Terwijl ik het boek las, dacht ik dat de titel ‘God verandert mensen’ voor deze bekerings- en levensbeschrijvingen op zijn plaats zou zijn. Het gaat om mensen, die de schrijver tot het piëtisme rekent, terwijl hij zelf zegt dat niet alien ertoe behoren. Het is een interessant boek, dat veel weg heeft van een opsomming. Het geeft wel een goede indruk van het leven van deze mensen onder het gezichtspunt van hun bekering. Andere gegevens komen niet of nauwelijks aan de orde. De schrijver geeft in het slothoofdstuk zijn visie op de Nadere Reformatie en het piëtisme. Dat is een soort programma voor theologen en historici. Het boek telt 1000 noten. Een blijk van grote belezenheid.

Ds. Keimpke Dijk, De invloed van God. De concrete waarde van het geloof in de Heilige Geest. Uitg. Kok, Kampen 1992. 174 blz. f 29, 50.

De auteur is gereformeerd predikant in Velp. Hij heeft in dit boek blijkens het Woord Achteraf artikelen bewerkt, die hij in de zeventiger jaren heeft geschreven. Die herkomst blijkt ook uit het feit dat veel oudere literatuur wordt vermeld. Overigens ook heel wat boeken uit later tijd. De schrijver meent dat we vanuit de derde Persoon, de Geest, tereug moeten denken naar de Zoon en de Vader. Dat levert een conceptie op van inclusief denken. Het is moeilijk het boek te typeren: dynamisch, breed, universalistisch. Okke Jager en de Leidse prof. Van de Beek worden hier gecombineerd in een brede conceptie. Gods straffende gerechtigheid komt nauwelijks aan de orde. De mens is goed en siecht. Een synthese in plaats van de radicale tegenstelling. Het meest opvallend is, dat het eigene van het werk van de Geest (ons toeëigenen wat Christus voor ons heeft verworven) niet het centrum van ons geloof is. De titel wijst op de algemeen opgevatte dynamiek van bijbels gedachtengoed. De Drieëenheid betekent dat God en mens onder één dak wonen (blz. 82). De mens is derhalve in de Drieëenheid Gods besloten. Dat is de diepste intentie van de vaak gebruikte uitdrukking ‘inclusief denken’. De stijl is boeiend. De inhoud merkwaardig.

BOEKAANKONDIGINGEN

Aad W. van der Kooi, Beestje Majesteit. Belevenissen van een vader met zijn babydochter. Uitg. Kok, Kampen 1992. 70 blz. f 12, 50.

In dit boekje vertelt een vader over zijn ervaringen van de eerste anderhalf jaar met zijn dochter. Levensecht, blij en trots. Ook aardig zijn de tekeningen die de schrijver zelf gemaakt heeft. Een leuk cadeautje.

Ineke van Herk-van Rijssel (tekst), Marianne Witvliet (tekeningen), Mam, waar was ik toen? Uitg. Groen, Leiden 1992. 44 (45) blz. f 19, 95.

Een aardig boekje over twee kinderen uit een gezin. Het gaat over wat de kinderen beleven en over de komst van een baby. Er wordt heel eenvoudig, duidelijk en kies over verteld. De tekst is op rijm gezet. Een aardig cadeautje.

Drs. N.C. van Velzen, Tot Zijn gedachtenis. Voor de week van voorbereiding. Teksten rond de viering van het Heilig Avondmaal uit de Kerk der eeuwen. Uitg. Groen, Leiden. f 12, 50.

Dit is een praktisch, pastoraal en fijnzinnig boekje. Voor elke dag van de voorbereidingsweek een tekst, schriftlezing voor de morgen en de avond, een gebed, een lied, een onderwijzing en een woord voor onderweg. Dan ben ik nog niet volledig. Het boekje wil helpen de voorbereidingsweek praktisch te beleven. Er Staat per dag zoveel in dit boekje dat men er in een voorbereidingsweek niet doorheen komt, vrees ik. Maar verder is het een prachtig hulpmiddel om zich op de viering van het Avondmaal voor te berei-den. Teksten uit vele eeuwen vindt men hier bijeen gebracht! Hartelijk aanbevolen.

Dr. K. Runia, Schuldig. Hoe zo? Over schuld en vergeving. Uitg. Kok, Kampen 1992. 96 blz. f 17, 50.

Een boekje dat concreet ingaat op schuld en vergeving. De auteur zoekt een bijbels standpunt. Voor hem behoort daarbij dat ‘verzoening als genoegdoening’ niet naar het Nieuwe Testament is. Daar wordt geen enkele theorie gepresenteerd (blz. 90). Ik betreur deze stelling en de inkleding ervan. Zo kom je aan moderne gedachten tegemoet, zonder dat de schrijver daar wil uitkomen. In het algemeen valt het op dat het beroep op schrijvers eenzijdig is. Hij verwijst naar theologen, met wie hij het ten principale niet eens is. Er zouden auteurs genoemd kunnen worden, die beter fundament voor het betoog leveren. Ik noem met name prof. Van Genderen. Waarom is hij niet genoemd? Jammer. Een dergelijke verwijzing zou de sfeer van het betoog ten goede komen.

Drs. Th. Haasdijk e.a., Zo zijn we niet getrouwd. Over de registratie van niet-huwelijkse samenlevingsvormen. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1992. f 14, 90. (Groen van Prinstererreeks 70).

Vanuit het G.P.V. is dit geschrift opgezet. Het wil onvoorwaardelijke erkenning van het huwelijk en tegelijk - om de chaos te ordenen - een officiële registratie van zeer onderscheiden samenlevingsvormen. Het doel is ons sympathiek. Men moet echter de vraag stellen: waarom en waartoe deze registratie? Het antwoord vanuit de samenleving kan geen ander zijn dan dat deze registratie een bruikbaar allernatief is voor het huwelijk. Het komt bij mij wat vreemd over, dat de schrijvers aan dit probleem voorbij denken te kunnen gaan. Het goede doel lijkt mij vanwege de praktijk niet haalbaar. Deze tussenweg biedt onzes inziens niet de gewenste oplossing.

G.A. Werner, Vechten met je tranen. Rouwverwerking, verdriet en troost. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1992. 96 blz. f 17, 50.

Dit boekje is geschreven door iemand die zelf een zwaar verlies heeft moeten verwerken. Het is een getuigenis, een kreet van smart, een gebed en een advies aan helpers en hulpbehoevenden. Dat alles in een heel persoonlijke stijl. Ik kan dit boekje niet recenseren, alleen maar onder de aandacht van de lezer brengen als een handreiking tot hulp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.