+ Meer informatie

DE LENGTE VAN DE PREEK

7 minuten leestijd

Het is een feit dat in onze kerken de preken in lengte variëren. Er zijn predikanen die lang preken: zeg maar bijna drie kwartier en er zijn voorgangers die bij voorbeeld al na vijfentwintig minuten amen zeggen. De gedrukte preken in ‘Uit de Levensbron’ bewijzen de gevarieerdheid overduidelijk. Niet zelden wordt een preek om haar korte of lange lengte door de ouderling die moet lezen, als onbruikbaar opzij gelegd. Laat ik bij voorbaat mogen benadrukken dat een zogenaamde korte preek per definitie geen slechte preek behoeft te zijn. Evenmin mag een niet-korte preek, een lange preek alleen daarom al als een goede preek gekwalificeerd worden. Voor de waardebepaling van een preek gelden geen lengtematen maar andere maatstaven, opgeslagen in de Heilige Schrift en nagesproken in onze gereformeerde belijdenisgeschriften.

In de Bijbel wordt ons geen aanwijzing gegeven over de duur van de preek. In Handelingen 20: 9 lezen we enkel dat Paulus langer dan normaal was, preekte. We worden niet geïnformeerd over de normale lengte. Overigens was de lange preek niet de oorzaak van Eutychus’ dood!

Ook in de voor ons gebruikelijke officiële standaardwerken en collegedictaten voor de predikkunde (homiletiek) zoek je tevergeefs naar een paragraaf over de preeklengte. Wel vind je in diverse praktische werken en werkjes bepaalde opmerkingen. Wie wel eens preken heeft gezien van de zogenaamde ‘oude schrijvers’ weet, dat ze flink lang zijn. In zijn ‘Prediking en vroomheid bij de Reformatie en Nadere Refrmatie’ (Kok, Kampen z.j.) schrijft dr. T. Brienen dat het lange preken een typisch tijdsverschijnsel was. ‘Ook bij de coccejanen, bij de luthersen en de dopersen kon men er wat van. Je moet rustig op twee uur rekenen….. Later gaat de overheid er wat aan doen en worden er zandlopers in de kerk geplaatst om het lange preken wat in te dammen.’

De bekende Engelse baptistenprediker Charles H. Spurgeon (1834 - 1892) geeft aan zijn studenten het advies: ‘We moeten zelden die veertig minuten of de drie kwartier overschrijden. Als iemand in die tijd niet kan zeggen wat hij te zeggen heeft, wanneer wil hij het dan zeggen?….. Iemand die zijn stof goed overdacht heeft, zal de veertig minuten wel niet overschrijden’ (Pastorale Adviezen. Kok, Kampen 1957).

In 1944 kwam bij Oosterbaan & Le Cointre N.V., Goes ‘Van de dienst des Woords’ uit, een boek over de prediking naar gereformeerde belijdenis. Daarin schrijft ds. D. van Dijk: ”t Is onmogelijk dat men langer dan drie kwartier metterdaad luistert en in zich opneemt en verwerkt wat er gezegd wordt’.

Prof.dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Swenkel bepleit in ‘De prediking, de prediker en de kerkganger’ (Boekencentrum N.V., ’s-Gravenhage 1957) op pagina 85 een prediking van niet langer dan een klein half uur.

In ‘En tòch preken’ (Callenbach B.V., Nijkerk 1973) noemt prof.dr. H. Jonker een tijdsduur van een half uur aanbevelenswaardig, tenzij men erin slaagt de aandacht langer geboeid te houden.

Ik vond ook enkele kerkelijke uitspraken.

Zo besloot het convent van Wezel (1568): De predikanten zullen ook niet met al te lange predikaties de memorie der toehoorders belasten, noch hun ijver breken, en alzo als een walging der maag toebrengen, en dat voornamelijk op werkdagen in de week voor het gemene volk, en als men de profetische oefeningen zal plegen. Daarom zullen zij hun predikaties met een uur afhandelen (II, kapittel XXIV).

In de Acta van de synode van Dordrecht 1574 staat onder artikel XXXVIII: De dienaren zullen vermaand wezen, hun toehoorders met al te lange predikatiën niet te bezwaren, en dezelve over het uur zoveel mogelijk is, niet te vertrekken.

Inzake de catechismusprediking sprak de synode van Dordrecht (1618/19) uit: De herders zullen de catechismuspredikatiën op die wijze inrichten, dat zij zowel de kortheid betrachten en tegelijk ook de duidelijkheid, en kunnen tonen, dat zij rekening gehouden hebben niet slechts met de ouderen, maar ook met de onkundiger en tedere jeugd.

Valt nu aan te geven hoe lang er gepreekt moet worden? Om te beginnen zullen wij als predikanten moeten beseffen dat we niet meer leven in 1700, 1800, 1900 of 1965. We schrijven het jaar onzes Heren 1993. De mens van vandaag heeft grote moeite zich lang op iets te concentreren. Allereerst leven we in een jachtige tijd, vol afwisseling. Bovendien is men meer ingesteld op het zien, op het waarneembare dan op het horen. Aan dit gegeven ontkomen ook ónze mensen en met name onze jongeren niet. Volgens deskundigen kan de moderne mens hoogstens twintig minuten naar een betoog met aandacht luisteren. Natuurlijk werkt deze tijdstypering voor ons niet als een norm. Uiteindelijk bedienen we zondags niet een mensenwoord maar het Woord van God, het Woord van de levende God. We weten van de macht van de heilige Geest. Toch spreken we het Woord van God tot mensen van déze tijd. Daarom getuigt het enkel van onverstand als we met dit gegeven geen rekening houden. Ook de wensen van gemeenteleden fungeren niet als maatstaf voor de preeklengte. Voor jongeren preek je al gauw te lang. Zij houden van korte en krachtige preken. Kritiek op de kortheid van preken komt veelal van de kant van oudere gemeenteleden.

Wanneer wordt de lengte van een preek ook snel als lang ervaren? Als onze preken moeilijk zijn, langdradig, saai, onoverzichtelijk, afstandelijk, niet concreet enzovoort. Zeker, we mogen onszelf zijn; we behoeven allemaal geen kanselredenaar te zijn. We hebben ook niet te wedijveren met de welsprekendheid van bepaalde TV-sterren. We dienen als verkondigers wel ons best te doen. Niet enkel wat de inhoud betreft, maar ook wat de presentatie aangaat. Zij die uit-het-hoofd-preken dienen extra op de tijd bedacht te zijn! Vooral als we met het preken beginnen, hebben we de neiging om er van alles in te stoppen, bang om maar iets te vergeten. Langzamerhand leer je je gemeente niet te overvoeren. Diverse elementen laten we tot een volgende keer liggen.

Wat speelt nog meer een rol in het beoordelen van de preeklengte? Hoe wij als gemeenteleden zijn ingesteld. Als wij bijvoorbeeld dik in de zorgen zitten, de levende band met de Here niet kennen of geestelijk ver van huis zijn, zal een preek ons eerder vervelen dan boeien en snel als lang uitvallen. Zo gebeurt het ook meer dan eens andersom dat een geestelijk mens die zich in de preek herkend heeft en vertroosting ontving, de opmerking plaatst: ‘U had van mij nog best een poos mogen doorgaan’.

Ik ga nu de vraag beantwoorden: wat is de gewenste maat voor de preken van vandaag? Ik zeg dan - verbonden met ‘Medicijnmeester, genees uzelf’ -: plusminus vijfendertig minuten. Wie zijn preek uitschrijft of grof schetst of op de kansel memoriseert, kan zich in de preekvoorbereiding daarop instellen. Uiteraard houden we in ons achterhoofd vast dat de heilige Geest om Wiens leiding wij baden, ons aanstaande zondag best iets kan laten zeggen wat we niet overdacht hebben.

Moet de aangegeven wenselijke tijdsaanduiding nu gezien worden als een ijzeren harnas? Beslist niet! Ik gaf het al aan via het bijwoord plusminus dat min of meer betekent. Dat is geconcretiseerd: de ene stof vraagt meer tijd dan de andere. De leer bijvoorbeeld van de kinderdoop in Zondag 27 van de Heidelbergse Catechismus kunnen we in onze tijd beslist niet met een vluggertje afdoen. Integendeel! Zo’n preek valt langer uit. Het is dan wel een heel veeg teken als over de lengte van zo’n preek geklaagd wordt.

Treden collega’s die korter preken dan vijfendertig minuten, nu ongunstig te voorschijn? Beslist niet. Opleiding, instelling, leeftijd, gewoonte en gemeentekleur spelen een rol. Korte preken behoeven echt geen bewijs te zijn van geringe studie. Op zich heb ik alle respect voor hen die in een korte tijd iets goeds uit en naar het Woord weten te zeggen tot Gods eer, tot onze troost en tot opbouw van de gemeente. Dat is een gave, een charisma. Als een luisteraar dan door het amen verrast wordt, is dat altijd beter dan dat hij ernaar zou verlangen.

Wat moet in een gesprek over de lengte van de preek altijd als onbetwist uitgangspunt vaststaan? Dat we als predikanten geroepen zijn om het Woord van de HERE onze God uit te leggen en toe te passen. We mogen uitdelers zijn van de menigerlei genade Gods. Met onze preken - kort of middelmatig of lang van duur - moeten onze kerkgangers getroost kunnen leven en eens zalig kunnen sterven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.