+ Meer informatie

Indrukken van de jeugdouderlingen-conferentie 1972

8 minuten leestijd

Mistig

Op zaterdag 26 februari kwamen ruim 40 jeugdouderlingen richting Amersfoort om zich daar samen met de deputaten voor het contact met de kerkjeugd te bezinnen op hun vragen en mogelijkheden.

Voor wat de reizigers uit het zuiden betreft kwamen ze uit de mist, terwijl het noorden daarvan op die dag althans gevrijwaard was. Ieder begrijpt, dat deze weerkundige situatie bij sommigen ietwat ondeugende en exemplarische opmerkingen ontlokte over kerkelijke verhoudingen.

Thema

Op deze dag is samen gesproken over de positie en functionering van de jeugdouderling binnen de kerkeraad. De redactie van AC had bij voorbaat reeds de nodige ruimte toegezegd om de hoofdmomenten van deze conferentie vast te leggen.

Op deze wijze beschikken de jeugdouderlingen over een geheugensteun van het besprokene, terwijl een en ander nu meteen binnen het bereik van de andere kerkeraadsleden komt en daardoor aanzet kan vormen tot een gesprek binnen de kerkeraad. In dit artikel wil ik dan ook die aspecten van deze dag belichten, die voor dat kerkeraadsgesprek van belang kunnen zijn.

Handreiking

Het gesprek van deze dag werd ingeleid door mijzelf, terwijl aan twee jeugdouderlingen gevraagd was hun visie op het thema te geven vanuit de praktijk van het jeugdpastoraat.

Duidelijk bedoelde deze dag een handreiking naar de praktische situatie te zijn. Deputaten hebben voor dit thema gekozen omdat zij het vermoeden hebben, dat er in de onderlinge communicatie binnen de kerkeraad nogal wat storingen aanwezig zijn. Het zou in dit verband wellicht ontdekkend zijn te weten in hoeveel — of misschien beter: in hoe weinig — gevallen de jeugdouderling een instructie van de kerkeraad meekreeg. Vaak worden ze zo maar het bos ingestuurd. Bepaald ook niet overbodig zou het wezen eens na te gaan in hoeveel gevallen binnen de kerkeraad de vragen rondom het beleid en de planning van dat beleid aan de orde komen. Wie immers leiding geeft, heeft met beleid te maken.

Ontwikkeling

In de laatste tijd valt binnen het jeugdpastoraat een — m.i. gunstige — ontwikkeling te bespeuren. Tot voor kort was voor de jeugdouderling een verzorgende taak weggelegd. Hij had de zorg voor de jongeren der gemeente. Jeugdouderlingen moesten contact met jongeren zoeken en onderhouden, met moeilijke jongeren een gesprekssituatie opbouwen, alleenstaande en vereenzaamde jongeren opzoeken en inschakelen. Zij bezochten de zieke jongeren, feliciteerden de geslaagde examenkandidaten, enz.

Al met al uiteraard legitieme aspecten van het jeugdpastoraat. Bovendien wordt dit ook door jongeren gewaardeerd. Intussen echter zitten we met ons werk in een volgende fase. Het uitgangspunt lag teveel alleen in de zorg voor de jeugd. De jeugd was voorwerp van zorg, maar wordt nu steeds meer onderwerp van handelen. De jeugdouderling gaat er in zijn werk niet alleen meer van uit, wat de ouderen nuttig en goed voor jongeren vinden, maar hij staat naast hen, midden onder hen en werkt met hen vanuit hun situatie. Het bevoogdend element, wat in „zorgen voor” toch altijd weer zit en bij jongeren vandaag moeilijk overkomt, heeft plaats gemaakt voor het mee-activerend aspect.

Profiel

Zelf kwam ik hierbij tot een vrij ruwe schets van de jeugdouderling. Zonder hierin volledig te zijn, kunnen de volgende elementen genoemd worden:

1. hij moet mee door zijn maatschappelijke positie en/of interesse een brede horizont hebben. Wie zich eng, misschien wel streng en star kerkelijk en geestelijk opstelt, mist vele, zo niet alle verbindingen.

2. hij ,moet kunnen communiceren. De jeugdouderling heeft iets van een bruggenbouwer. Vanuit eigen persoonlijke openheid en eerlijkheid liggen er pijlers voor een goede verbinding.

3. hij moet kunnen incasseren. Ik wil dit het spons-effect noemen, d.w.z. opnemen van wat in de omgeving aan de orde is en toch eigen vorm weer terug vinden.

4. hij moet kunnen relativeren, dat is de bereidheid bezitten kritisch te staan tegenover bepaalde kerkelijke verworvenheden, tegenover het gangbare. Veel is geijkt als de waarheid, wat in feite niet meer is dan menselijke verordening. Veel kan anders en misschien zelfs wel beter. Zo voorkom je de houding van de dubbele advocatuur, nl. van de kerkeraad tegenover de jeugd èn van de jeugd binnen de kerkeraad.

5. hij moet kunnen experimenteren, niet als een middel om er bijv. met de glamour van de progressiviteit bij de jongeren „in” te komen, maar hij moet de moed hebben met die jongeren op weg te gaan. Het experiment werpt geen barricaden op, maar zet deuren open.

6. en tenslotte moet hij gegrepen zijn van het geloof in Christus. Dat geloof dient het zout in z’n leven te zijn. Dat dàt erin zit, kan ik niet zien, alleen maar proeven. Maar dat zout geeft er dan ook wel de smaak aan, zodat de ander ervan de smaak te pakken krijgt.

Naar de kerkeraad toe

In de gesprekken van die dag werd duidelijk, dat de jeugdouderling zo langzamerhand een legitieme plaats binnen de kerkeraad heeft ontvangen.

Hij wordt derhalve afgevaardigd naar een classis en onderscheidt zich binnen de kerkeraad niet van de andere ambtsdragers. Wel werd de vraag gesteld of iedere ambtsdrager wel een juist zicht op dit werk heeft.

Een kerkeraad vormt een team. In een team spreken nu eenmaal geen individualisten, maar mensen, die hebben leren samenwerken. Daar heb je elkaar nodig. Je vult elkaar aan.

Zo zal er bij alle samenspel plaats moeten blijven voor eigen inbreng. Het aanstellen van een jeugdouderling, die daarnaast geen neventaken van de kerkeraad opgedragen krijgt, betekent een eerste stap op de weg naar een stuk beweeglijkheid. Voor elke jeugdouderling binnen de kerkeraad geldt, ongeacht zijn positie — sommigen buiten onze kring spreken van „links-buiten” — dat hij zich moet houden binnen de lijnen en aan de regels.

Noodzakelijk is de agendering van het werk van een jeugdouderling. Minstens eenmaal in de drie maanden moet er een schriftelijk rapport worden uitgebracht, waarvan de andere kerkeraadsleden van te voren kennis hebben kunnen nemen.

Een team vereist goed samenspel met de andere „spelers”. Te noemen valt allereerst de predikant. Met hem dient een regelmatig contact te bestaan, waarbij de jeugdouderling niet functioneert als een „herdershond”, die achter moeilijke gevallen aanloopt. Met de predikant wordt het jeugdwerk doorgesproken, zowel voor georganiseerden als voor ongeorganiseerden. Bezinning op de catechese zal met hem gevoerd worden. Misschien is het mogelijk, dat hij een deel van de catechese van de predikant overneemt. In ieder geval voert hij samen met de predikant het gesprek met de ouders over de catechese.

Daarnaast werkt de huisbezoek-ouderling. Teveel wordt het huisbezoek nog gericht op de ouderen. Aandacht voor de jeugd moet gevraagd worden. Samen met de wijkouderling zou erover gedacht kunnen worden in hoeverre hier een stuk toerusting van de ouders te realiseren valt ten aanzien van specifieke jeugdproblemen, als druggebruik, sexualiteit en teenercultuur.

Met name in onze tijd kan een goed contact worden opgebouwd met de diaken. Het diaconaat spreekt jongeren aan. We mogen dat niet negatief beoordelen, maar positief vorm geven. Gewezen wordt op de brochure, die binnenkort vanuit een interkerkelijke commissie over Jongeren en diaconaat verschijnt.

Wel echter wordt duidelijk, dat de kerkeraden toch nog onvoldoende begrip hebben voor de feitelijke situatie van de jeugd. Speelt daarin onbewust en tegen eigen wil toch nog een vorm van angst mee, dat men eigen zekerheden zal verliezen? Hebben wij muren rondom ons opgetrokken, die afgebroken moeten worden? Houden wij uit vrees voor het licht opzettelijk onze ogen dicht? Is er bij de kerkeraden een doelbewust beleid aanwezig? Waar willen we met de gemeente, de jeugd heen? We zijn het er allen over eens: ook onze jongeren moeten we bij Jezus zien te krijgen. Hoe doen we dat? Vandaag?

Naar de gemeente toe

Wie zo met de kerkeraad en jeugd bezig is, kan langs de vragen van de gemeente niet heen. Het eigenlijke probleem — en ook de vraag, die van de kant van de jeugd komt — is dat van de levende gemeente.

Hoe worden we levende gemeente zowel naar God als naar de samenleving toe?

De gemeente is het lichaam van Christus. Iets van Hem maken we zichtbaar. Christus is niet een idee, niet een leerstuk uit de dogmatiek. Hij krijgt gestalte in ons. Dat wil de jeugd in de gemeente zien. Hoe krijgt Hij gestalte? Waar sturen we in ons gemeente-zijn op aan? Wat houden we jongeren voor? In hoeverre realiseren we voor onze jongeren ook als ambtsdragers de toerusting tot dienstbetoon?

Vele vragen

Het was bepaald niet een dag van vele antwoorden. Zo zeker wisten we het nu ook allemaal weer niet. Wel werden we allen overtuigd van de opdracht en de geweldige mogelijkheden tot realisering van de opdracht. Een confrontatie met andere situaties en ideeën werkt verfrissend voor eigen werk. Dit alles leert ons doelgericht werken binnen de kerk. En — aldus de voorzitter van deputaten bij de afsluiting van de conferentie — staande in het veld moogt u weten, dat de kerk geen aflopende zaak is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.