+ Meer informatie

DE CLASSIS EN DE DEPUTATEN NAAR ART. 49 K.O.

8 minuten leestijd

In onze kerkorde is geregeld dat er bepaalde zaken zijn, die zozeer de kern van ons kerkverband raken, dat de vergaderingen van de classis daar niet zelfstandig een besluit over nemen. Bij dergelijke agendapunten roepen zij de hulp in van een aantal wijze broeders, die uit de kring van de betreffende particuliere synode komen. Deze heeft namelijk een aantal wijze broeders speciaal daarvoor benoemd; wij noemen hen de deputaten naar art. 49 K.O. (dus als de classis Zwolle hulp nodig heeft, wendt zij zich tot de deputaten naar art. 49 K.O. van het Noorden). In dat artikel van de kerkorde staat te lezen, dat dezen in ieder geval aanwezig te zijn

- bij het examen van een broeder die toegelaten wil worden tot het ambt van predikant (dan moeten ze zelfs bij voorkeur voltallig aanwezig zijn — zie besluiten generale synode 2001),

- bij emeritering van een dienaar des Woords,

- bij ‘voorkomende moeilijkheden’ (te denken is aan schorsing of losmaking van een predikant),

- maar ook bij zaken waarbij ‘eenheid, orde en zuiverheid van de leer’ in geding is; in dat geval is te denken aan een aanvraag om nauwer te mogen samenleven met een gemeente die behoort tot de Ned. Geref. Kerken of de Geref. Kerken (vrijg.).

Kortom: wanneer deze broeders vanwege de particuliere synode zich op uitnodiging melden op de classis, dan weet iedereen: er is iets zwaarwichtigs aan de hand, soms vreugdevol, soms ook verdriet gevend. Het is van belang dat de deputaten een goede kennis van het kerkelijk leven hebben, kerkelijk-geestelijk denken en zo ook hun oordeel geven. Van belang is ook dat het bij alles wat zij beoordelen niet gaat om hun eigen mening, maar om het kerkelijk beoordelen van de handelingen en overwegingen van de classis: is er iets over het hoofd gezien? Blijft een classis objectief? Is alles in overeenstemming met de kerkelijke regels die wij met elkaar hebben afgesproken? Op dit alles heeft prof.dr. H.J. Selderhuis in een artikel in Ambtelijk Contact een aantal jaren geleden gewezen (1998, blz. 245 e.v.).

VERSCHIL VAN MENING

In dit artikel zou ik een zaak willen uitdiepen die prof. Selderhuis in het genoemde artikel aanstipte, maar die — zo blijkt — toch telkens voor verwarring zorgt. Deze vraag namelijk: wat moet er gebeuren wanneer de adviezen van deputaten en de mening van de classis met elkaar in strijd zijn? Dat gebeurt zelden, maar het is toch niet geheel theoretisch; we hebben er in de loop van de jaren een aantal keren mee te maken gehad. Onlangs werd de vraag nog weer eens gesteld in een vergadering van een classis ergens in den lande. Toen bleek opnieuw dat e.e.a. niet echt doorzichtig is.

Hoe kan dat? Men grijpt naar de kerkorde en leest bij art. 49 bij de kleine letters: ‘Bij verschil van mening tussen de classis en de gedeputeerden, beslist de particuliere synode (1941, verg. art. 4 K.O. sub 3)’. Wat is nu de verwarring? Dit, dat men denkt dat bij een dergelijk verschil van mening de zaak altijd door de particuliere synode beslist moet worden, zodat de classis geblokkeerd wordt in haar besluitvorming. Eerlijk is eerlijk: zelf heb ik het ook wel eens zo gelezen. Maar het is niet correct: deze kleine letters gaan over een besluit van de generale synode van 1941, en hebben betrekking op de gang van zaken bij de examens tot toelating als predikant (de zogenaamde peremptoire examens). Vandaar tussen haakjes na het jaartal 1941 ook de verwijzing naar art. 4 K.O., waar dit uitgebreid omschreven staat. Daarover hieronder meer informatie. Op dit moment kan al gesteld worden: de kleine letters gaan alléén over de gang van zaken op classicale examens, wanneer een beroepbaar gestelde kandidaat toegelaten wil worden tot de dienst van Woord en sacramenten en een onverhoopt meningsverschil tussen de (meerderheid van de) classis en de deputaten.

IN ANDERE GEVALLEN…

In alle andere gevallen geldt dat er geen kerkelijke regel is die het handelen van de classis blokkeert. Dat betekent: wanneer de classis een advies aan deputaten vraagt, en dezen dit advies (na afzonderlijk beraad) uitbrengen, weegt de classis dat advies inhoudelijk. Vervolgens neemt de classis in vrijheid een besluit. In vrijheid… dat wil zeggen dat het niet noodzakelijkerwijs in de lijn van het advies behoeft te liggen. Anderzijds: het zal een zaak van hoge uitzondering zijn dat de classis anders besluit dan de deputaten adviseren: het gaat immers niet om een eigen, subjectieve, mening, maar om een kerkelijke weging van de zaken die aan de orde zijn? Als het goed is, hebben deputaten een deugdelijke onderbouwing van hun advies gegeven. Dus verschil van mening komt zelden voor. Toch, als het gebeurt, is een advies niet meer dan het woord zegt: men kan het opvolgen, men kan het — om goede redenen! — niet opvolgen. Dan weegt het besluit van de kerkelijke vergadering (de classis) zwaarder dan het advies van een deputaatschap (art. 49). De zaak vindt dus voortgang in de lijn van het besluit.

Daar is wel één uitzondering op, maar die geldt van alle besluiten die op een kerkelijke vergadering genomen worden: het kan zijn dat de deputaten niet kunnen leven met de afwijzing van hun advies. Dan zullen zij gebruik maken van het recht dat iedereen, (dus ook zij), heeft volgens art. 31 K.O.: ze gaan in appèl en beroepen zich op de particuliere synode. De classis houdt dan tot dat moment ‘pas op de plaats’. Ook leden van de classis (een minderheid) die niet met het genomen besluit kunnen leven, hebben dat recht. En natuurlijk leggen de deputaten verantwoording af van hun werkzaamheden op de vergadering van de particuliere synode, zodat die nog weer eens op de gang van zaken terugkijkt.

DE PEREMPTOIRE EXAMENS

Hoe gaat het nu bij het examen dat een beroepbaar gestelde kandidaat (meestal uit ‘Apeldoorn’) ondergaat? U kunt het allemaal lezen in art. 4 van onze kerkorde: de classis examineert hem, in het bijzijn van (als het goed is) vijf deputaten. Voorafgaand aan de stemming geven deputaten hun advies, al of niet positief. Gelukkig in verreweg de meeste gevallen positief, en gelukkig kan de classis daarmee ook in verreweg de meeste gevallen instemmen. Maar soms ging (gaat?) het anders in het kerkelijk leven. Dan geeft de kerkorde heel duidelijk de route aan, zoals die vanaf 1941 in de kerkorde is opgenomen. In dat jaar kreeg de synode (gehouden in Apeldoorn) een instructie uit het Zuiden te behandelen over de vraag: ‘De generale synode bepale de gedragslijn der classis bij het peremptoir examen in geval van verschil tussen de meerderheid der classis en het advies der deputaten ad art. 49 D.K.O.’ (blz. 81 Acta, op papier net na de oorlog gedrukt, dus niet al te stevig!). Sindsdien is de regel als volgt:

1. als de deputaten een negatief advies geven, maar de classis besluit positief, dan beslist de particuliere synode;

2. als de deputaten een positief advies tot toelating geven, maar de classis besluit negatief, dan is het besluit van de classis geldig, behoudens beroep op art. 31 K.O. (bij dit laatste geval sloot de synode in 1941 zich aan bij het rapport van haar commissie, die hier verwees naar de bekende kerkrechtdeskundige Joh. Jansen).

Alleen punt 1 hiervan is opgenomen in de tekst van de regels van de kerkorde bij art. 4, punt 2 volgt daar rechtstreeks uit per consequentie.

Het principe is dus ook hier: het oordeel van de kerkelijke vergadering heeft een zwaarder gewicht dan dat van het deputaatschap, maar omdat toelating tot de dienst van het Woord zich niet alleen tot een classis uitstrekt, maar gevolgen heeft voor het gehele kerkverband, wordt een positief oordeel van de classis tot toelating (in het bovengenoemde geval) dan toch eerst aan de particuliere synode voorgelegd.

EEN DETAIL

De recente geschiedenis van onze kerken heeft nog voor één detail gezorgd: op enig moment (in de jaren ’80 van de vorige eeuw) kwam de vraag op wat er moet gebeuren indien de deputaten bij hun intern beraad het zodanig oneens zijn dat zij niet in staat zijn om een gezamenlijk advies uit te brengen (het laat zich denken dat er dan sprake moet zijn van principiële verwarring, want anders zal de minderheid zich voegen naar de mening van de meerderheid van deputaten). In 1986 heeft de synode (in Den Haag) bepaald dat in dat geval deze minderheid tijdens de vergadering van de classis zal aangeven of zij dit zó ingrijpend vindt dat zij het wil voorleggen aan de particuliere synode. Die zal met het oog daarop dan (indien mogelijk) vervroegd worden samengeroepen; de classis zal gedurende die termijn ‘geen effect verlenen aan een besluit om een kandidaat toe te laten tot de dienst des Woords en der sacramenten’. Dat laatste spreekt voor zichzelf; opnieuw kan gewezen worden op het ingrijpende van een toelating tot deze dienst, niet alleen m.b.t. tot een gemeente of tot een classis, maar tot het hele kerkverband.

TEN SLOTTE

Misschien denkt u: als de tekst van de kleine letters bij art. 49 K.O. nu voor zoveel verwarring zorgt, waarom wordt die tekst dan niet zó gewijzigd dat het geheel en al helder is? Het antwoord kan luiden: daar wordt aan gewerkt, en bij de nieuwe uitgave van de kerkorde (die in voorbereiding is bij de deputaten kerkorde en de drukker) zal dat gebeuren. Ook overigens kan het trouwens verhelderend zijn om ons eens te verdiepen in praktische vragen als hierboven aangegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.