+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

6 minuten leestijd

61

DE ERFZONDE

Zo hebben we met elkaar gesproken over de ZONDE, de eerste zonde van de mens, Adam en Eva, in het paradijs.

De oorsprong van de zonde lag dus in een vrije wilsdaad van de mens, omdat de mens met een vrije wil geschapen is. „De oorspronkelijke oorsprong van het kwaad” kunnen wij nooit benaderen, noch verklaren. In elke poging om haar te verklaren ligt een verontschuldiging van het schepsel. En die verontschuldiging is er niet, want de mens is volkomen goed geschapen, zonder enig gebrek of tekort. Het begin van de zonde ligt dan ook in de moedwillige verbreking van Gods gebod en verbond der werken.

De zonde is echter niet beperkt gebleven tot Adam en Eva, maar zij is gekomen over heel het menselijke geslacht. Daarom spreken we van ERFZONDE. De reden daarvan is, dat Adam het VERTEGENWOORDIGEND HOOFD was over het menselijk geslacht en zo stond hij dus aansprakelijk, maar zijn wij ook in hem begrepen. Romeinen 5 zegt ons dit duidelijk. Wij hebben allen in Adam gezondigd. En God rekent Adams zonde naar Zijn rechtvaardig oordeel allen toe! We krijgen deel aan de erfzonde door TOEREKENING, maar ook door OVERERVING. We kunnen dus de zonde onderscheiden in erfschuld en erfsmet. De TOEREKENING geschiedt onmiddellijk, doordien God ons Zijn beel onthoudt en de schuld van Adam toerekent.

Gevolg van die toerekening van de schuld is de erfsmet. Daaruit vloeien voort onze DADELIJKE zonden, dat zijn de zonden met gedachten, woorden en werken. Hierbij moeten we ook rekenen de zonde van NALATIGHEID. Dit zijn zonden waarbij wij nalaten wat wij moesten doen. Daarom is het verzuimen van de middelen zo erg. O, wat zal dit ook tégen de mens eenmaal getuigen voor Gods rechterstoel! Elke onnodige lege plaats in Gods huis is een aanklacht.

De schuld en smet der zonde.

De schuld is over alle mensen gekomen door TOEREKENING. Schuld kan men niet overerven, wel smet.

Zo zijn de mensen „tot zondaren GESTELD”, zegt Rom. 5 : 19. De nieuwe vertaling heelt dit veranderd in „zondaars GEWORDEN zijn”, maar het Griekse woord luidt „gesteld” en heeft de betekenis van een „positie”, waarin men gesteld wordt. En dit wijst dus duidelijk heen naar de drievoudige dood. „Ten dage als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven”.

Die onmetelijke grote schuld rust dus op alle mensen en die kan nooit door de mens zelf worden betaald en uitgedelgd. Gods Geest leert dit door Zijn ontdekkende werking verstaan, zij het dieper op de verdere weg van het nieuwe leven. Dan wordt het ook: „Geen offer kan voor mijne zonden gelden”, naar Ps. 51. Maar „Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave”, in de zending van Zijn Zoon, Jezus Christus, Die Zichzelf heeft willen geven tot een RANTSOEN voor de zonde van Zijn volk. Als de TWEEDE Adam heeft Hij die schuld op Zich genomen, werd deze Hem toegerekend als de schuldovernemende, plaatsvervangende BORG! „En Hij is met de misdadigers gerekend”, Lukas 22 : 37. Jesaja 53 verklaart dit zo treffend.

Zo wordt Christus als de schuldovernemende Borg onuitsprekelijk dierbaar, beminnelijk, gepast en algenoegzaam voor het door schuldbesef getroffen en verslagen hart, dat geen penning overhoudt om de schuld af te doen. Maar Gods Geest doet ook Christus door het geloof kennen en omhelzen als „geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing”. 1 Kor. 1 : 30, Zondag 5 H. Cat.

Toen Luther in de geest naar Golgotha werd geleid, mocht hij tot die zalige geloofsomhelzing komen en riep hij uit: Heere Jezus, Gij zijt mijn zonden en ik ben Uw gerechtigheid! God rekent de gerechtigheid van Christus toe uit vrije genade om de verdienste van Christus. We hebben zoëven die toerekening van Christus’ gerechtigheid in de weg des geloofs bezien als nadere daad van het geloof in Gods kind, bij de meer bewuste omhelzing van Christus.

We moeten hier echter wel goed onderscheiden. Het gaat hier over de weldaad van de volle zekerheid des geloofs. Nu moeten we met menen, gelijk sommigen doen, dat er eerst dán sprake kan zijn van wedergeboorte. Dit is onschriftuurlijk en onkonfessioneel. Daarom komt het zo aan op een zuivere onderscheiding.

Van de zijde Gods wordt de gerechtigheid van Christus toegerekend in de wedergeboorte, in de levendmaking van de zondaar. Want hoe zou de heilige en rechtvaardige God ooit één weldaad kunnen schenken aan de zondaar zonder dat God die zondaar aanziet in Christus? Maar verstaat de pas levendgemaakte zondaar dit al aanstonds met klare bewustheid en zekerheid? Neen. Een pas-geboren kind heeft toch ook niet het bewuste besef, dat deszelfs ouders zijn ouders zijn.

We bedoelen met dit „onbewust-zijn” volstrekt niet de Kuyperiaanse gedachte over de „veronderstelde wedergeboorte” en dat die wedergeboorte jarenlang kan „sluimeren” (de wedergeboorte in de volstrekt „engere zin” volgens Kuyper). Ook die leer is onschriftuurlijk en onkonfessioneel, zielsmisleidend. Neen, want de zondaar, die Gods Geest levendmaakt, zal dadelijk de echte eigenschappen van het genadewerk openbaren: de droefheid naar God en honger en dorst naar de Heere en naar Zijn heil; lust en liefde om de Heere te vrezen en in Zijn wegen te wandelen.

Zo is het met „het geloof”, dat de Heilige Geest werkt door het Woord in het hart. Dit is een „volkomen” geloof als gave van God. Maar dit geloof openbaart zich in „trappen”, in onderscheiden „mate” en „beoefening”. En die beoefening kan een meer zwakke of sterke zijn. Ten opzichte van die zwakke beoefening, in verband met vaak vele bestnjdingen en te weinig „licht” over het Voorwerp van het geloof, de drieënige God in Christus, spreekt de Schrift van „klein-geloof”, zoals Christus tot Zijn discipelen sprak: „Gij kleingelovigen, waarom hebt gij gewankeld?” (Matth. 14:31) De Schrift spreekt ook van een „opwassen in de genade en kennis van de Heere Jezus Christus”. (2 Petrus 3 : 18)

Maar nu behandelen we niet de les over „het geloof”. Dit komt D.V. later aan de orde, bij de „orde des heils”. We moesten hierop even wijzen in verband met de toerekening van de gerechtigheid van Christus. Deze te kennen bij de bewuste, volle verzekerdheid van het geloof geschiedt, zeiden we, als een nadere DAAD van het geloof. En deze is dan de beoefening van het „sterke” geloof.

D.V. in een volgende les hopen we verder te gaan met de „erfsmet”.

Smeken we om het „echte”, het levende geloof, waardoor de Heilige Geest zowel ontdekkend, ontgrondend werkt, als ook de heilgeheimenissen van het heil in Christus doet kennen. En versterke Hij het bij den voortgang.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.