+ Meer informatie

OFFERS

6 minuten leestijd

DE GROTE VERZOENDAG

(vervolg)

We zagen in ons laatste artikel de Hogepriester verzoening doen voor zich en zijn huis in het Heilige der Heiligen. Maar niet alleen de mensen moesten met God verzoend, ook het Heiligdom zelf, want de zondaar heeft alles, ook het allerheiligste, bezoedeld bij de minste aanraking en bij het meest vluchtige contact. Ook cle Priesters, ook cle Hogepriester, waren zondige mensen en het meest heilige werk en de hoogste roeping kon hier geen verandering in brengen. De Hogepriester strijkt dan ook het bloed aan de hoornen van het Reukofferaltaar, dan volgt een zevenmaal herhaalde besprenging van het Reukofferaltaar op de grond en daarmee is het Heiligdom zelf ontzondigt!. Zo komt cle Hogepriester weer terug in de Voorhof, nog altijd het bekken met bloed bij zich, want in cle Voorhof wacht nog het koperen Brandofferaltaar, aan welks hoornen nu het bloed der verzoening gestreken wordt, gevolgd door een zevenvoudige besprenging.

Achter de poort van de Voorhof staat nog altijd cle massa, de schare met haar schuld. Maar voor dit zondige volk, in zijn totale schuld, kan en mag alleen door een met God verzoende bemiddeld worden. Daarom moest de Hogepriester eerst zelf met God verzoend zijn. Een verzoening, die tot stand kwam op de wijze, als nu door ons besproken is en die gold voor „Aiiron en zijn huis."

Wc hebben er reeds op gewezen, clat het zondoffer voor het volk bestond uit twee geitebokken. Over die twee bokken lezen we in de Bijbel: Hij zal ook cle beide bokken nemen en hij zal die stellen voor het aangezicht des Heeren aan de deur van de tent der samenkomst. En Aaron zal cle loten over die twee bokken werpen: en lot voor de Heere en een lot voor de weggaande bok. Dan zal Aiiron de bok. op dewelke het lot voor cle Heere zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken. Maar cle bok, op dewelke het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des Heeren gesteld worden om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlate." (Lev. 16 : 7-10).

Eén van de twee zondoffers zal dus, zoals elk ander zondoffer, geofferd worden, terwijl het andere een andere bestemming heeft. Deze tweeling-bok heeft tot op het ogenblik van het slachten van de eerste steeds naast hem gestaan, was zelf ook tot zondoffer gekozen en — al is hij het in cle eigenlijke zin van het woord niet geworden — hij is met cle ander op het allernauwst verbonden.

Welke bok geofferd zal worden en welke niet, wordt door het lot uitgemaakt. Twee loten zijn er, op het ene lot staat „voor de Heere", op het andere „voor Azazel" (cle weggaande bok). Deze loting heeft plaats aan het begin van de dienst en dus blijven, tot ze nodig zijn, de beide bokken op cle Voorhof gereserveerd.

Na de priésterverzoening wordt door cle Hogepriester de bok „voor cle Heere" geslacht. Een deel van het bloed wordt weer opgevangen in een bekken en met dat bloed gaat cle Hogepriester weer in het heiligdom tot in het Heilige der Heiligen, om daar precies dezelfde handelingen te herhalen als met het bloed van cle var. Daarna wordt het resterende bloed van cle var en de geitebok dooreen gemengd en met clat bloed worden cle hoornen van het Brandofferaltaar opnieuw bestreken. Want aan de ontheiliging van Voorhof en Brandofferaltaar staan beiden schuldig, Priester en volk, en is er dus sprake van een gemeenschappelijke schuld maar ook van een gemeenschappelijke reiniging, die zichtbaar wordt in het gemengde bloed.

Nu is achtereenvolgens de Hogepriester, de Priester, het Heiligdom en het volk verzoend. Al het scheef ge trokkene van mensen is door God weer rechtgezet.

Genade spreidt ook over Israël haar morgenrood, in het rood van het bloed der verzoening.

Maar hiermee is de dienst van de grote dag nog niet voorbij. Straks zal er nog geofferd moeten worden. Eerst móet de andere bok nog weggezonden worden.

Deze bok wordt in de Heilige Schrift „de weggaande bok" genoemd. In de grondtaal staat het woord Azazel, dat alleen in Leviticus 16 voorkomt. Over de betekenis van dit woord is al heel wat geschreven. Sommigen menen, dat het zou betekenen „voor de duivel" als tegenstelling van „voor de Heere". Ande-, ren menen, dat het een ruw gebergte is, niet ver van de Sinaï. Luther vertaalt met „de ledige bok", die beladen (gevuld) wordt met de zonde des volks, „und laszt ihn in die Wüste in ein abgeschnittenes Land." Onze statenvertalers hebben vertaald met „de weggaande bok" enz.

We kunnen liet er allen «ver eens zijn, dat het hier gaat over een „afgezonderde". Letten we op de handoplegging door de Hogepriester op de kop van de bok, d.w.z. dat hij daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls en al hun overtredingen legt, dan krijgt dit wegzenden een grote betekenis. De zonde, de schuld, is niet alleen verzoend (geofferde bok) maar ook volkomen weg gedaan (weggezonden bok).

Zou er ook niet dit achter zitten, dat hier eigenlijk wordt aangetoond dat er in heel de verzoeningsdienst iets te kort komt? (Goed begrijpen, hoor!) „Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist. Toen zeide Ik: ie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven! (Ps. 40 : 7, 8). Maar zolang Hij nog niet gekomen is, is de hele verzoeningsdienst van Israël schaduwachtig. Ook de gelovigen van de oude dag konden slechts zalig worden cloor het geloof in de Heere Jezus Christus, het geloof, clat ook Hij eenmaal hun zonden zou wegdragen „in de woestijn". „Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid cloor cle vergeving der zonden, clie te voren geschied zijn onder cle verdraagzaamheid Gods". (Romeinen 3 : 25).

Zoals eertijds cle Irsaëliet in cle „zondebok" zo ziet de Christen van nu in Jezus Christus cle waarachtige en alleen genoegzame „zondebok". Hij is cle vervuiler van het zondoffer, dat geslacht werd, maar niet minder van clat andere offer, dat cle „onbetaalde last van het Heiligdom" meevoert.

De bok wordt weggebracht door een man die „voorhanden" is. Waarheen ? Naar de plaats clie woest en ledig is, naar de plaats waar geen mens komt, cle woestijn in. De Heere zegt: Hierheen. Hij doet de zonde weg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.