+ Meer informatie

Bijstandswet voor velen nog een geheim

8 minuten leestijd

Zo ongeveer half februari van dit jaar kon men in vele dagbladen lezen wat de conclusie was van een rapport wat is verschenen over „Informatiecentra Algemene Bijstandswet”, een verslag van enkele experimenten.

Ook deputaten ADMA ontvingen dit uitvoerige rapport van 41 bladzijden en het lijkt mij gewenst hierover wat te publiceren.

Vanaf 1965 functioneert de A.B.W. en er is vanaf die datum een aanzienlijke verbetering gekomen in de financiële positie van velen die ondanks de welvaart nog veel moeten missen.

Nu deze wet een aantal jaren geleden is ingevoerd, kan terecht de vraag worden gesteld of er ondanks de positieve ontwikkeling voldoende bekendheid bestaat rondom de diverse mogelijkheden van deze wet.

Om dit min of meer na te kunnen gaan, is er een landelijke werkgroep ingesteld uit vertegenwoordigers van het Algemeen Diakonaal Bureau van de Gereformeerde Kerken, de Christelijke Boeren en Tuinders Bond, het Christelijk Nationaal Vakverbond, de Generale Diakonale Raad der Nederlandse Hervormde Kerk, de Stichting Raad voor Gereformeerd Sociale Arbeid en de Nationale Raad voor Maatschappelijk Welzijn.

Destijds zijn deputaten ADMA ook uitgenodigd, maar aangezien toen nog niet kon worden overzien welke financiële consequenties dit met zich meebracht — onze financiën waren beperkt én het gebrek aan mankracht deed zich gelden — besloten deputaten hier helaas niet aan mee te werken, hoewel het initiatief zeer zinvol werd genoemd.

Het rapport is belangrijk genoeg om te bespreken om diverse redenen. Vooral omdat bijna alle diaconieën wel op de één of andere manier regelmatig betrokken zijn bij problemen rondom de A.B.W. Wij zullen ook zien dat in dit rapport de positie van de diaken aan de orde komt.

Vragen en twijfel

Met enkele vragen begint dit rapport om er ook mee te eindigen.

Eén van de eerste vragen die wij tegen komen is wel: ontvangen alle die voor bijstand in aanmerking komen nu een uitkering? Dit moet in twijfel worden getrokken ook omdat de A.B.W. nu eenmaal niet automatisch bijstand verleent, maar men zelf het initiatief moet nemen.

Natuurlijk zijn er reeds diverse instanties en niet in het minst de plaatselijke sociale diensten waar men allerlei personen in dienst heeft die goed op de hoogte- zijn en gaarne willen attenderen op de mogelijkheden.

Daarnaast wordt ook de diaken genoemd als iemand die kan fuitgeren als verwijzer. De werkgroep formuleerde de volgende vraagstelling:

a Hebben de bijstandbehoevenden behoefte aan (meer) voorlichting over de A.B.W.? Geldt dit ook voor potentiële verwijzers?

b Is er behoefte aan een voorlichtende instantie naast en in aanvulling op de reeds bestaande?

c Kan een breed samengesteld, dus algemeen informatiecentrum in deze leemte voorzien?

Om een antwoord op deze vragen te ontvangen moest men aan het werk. Er moest informatie-materiaal op tafel komen. Naast de landelijke werkgroep heeft men drie regionale werkgroepen in het leven geroepen. De keuze viel op de volgende regio’s: Land van Heusden en Altena, Doetinchem en het omringende gebied, de stad Groningen.

Allerlei deskundigen op het gebied van de A.B.W. werden aangetrokken en men begon met z.g. spreekuren éénmaal per 14 dagen in de drie genoemde gebieden. Voordat een begin werd gemaakt is er zoveel mogelijk ruchtbaarheid aan gegeven. Zo werd overleg gepleegd met de diensten van sociale zaken, voorlichtingsfunctionarissen van vak- en standsorganisaties, maatschapppelijke werkers en diaconieën. De bevolking ter plaatse wist er ook van omdat de dagbladen, soms op de frontpagina, het nieuws brachten.

Daarnaast ontvingen de z.g. potentiële verwijzers, zoals predikanten, priesters, artsen, leidsters van gezinsverzorging allen persoonlijk bericht.

Wat wilde men op de spreekuren gaan doen?

Hetgeen hierover in het rapport is vermeld nemen wij in het geheel op, mede omdat dit van belang is wanneer wij straks iets vermelden over het resultaat van het een en ander.

De volgende diensten worden geboden:

a zo mogelijk wordt verwezen naar instanties die zich nu reeds op het terrein van de hulpverlening bewegen (functionarissen stands en vakorganisaties, diakenen, maatschappelijk werkers etc.)

b zo nodig wordt op het spreekuur zelf de nodige hulp gegeven door het verstrekken van inlichtingen, concrete hulp bij het aanvragen van bijstand, eventueel bij het opstellen van een bezwaarschrift enz.

c in geval van verwijzing behoort degene, die met het informatiecentrum contact zoekt, begeleid te worden; dit houdt onder meer in dat de spreekuurhouder te allen tijde aanbiedt de verwijzing te regelen.

Enkele cijfers en resultaten van het onderzoek.

In totaal zijn in de periode van onderzoek 46 spreekuren gehouden. Voorts bleek dat op de eerste spreekuren een stormloop van bezoekers werd verwerkt. Het totaal aantal aanmeldingen was 572 in een tijdvak van ongeveer één jaar; niet alle gebieden gingen gelijk van start.

Een belangrijke vraag die nu moet worden gesteld is: wie kwamen er?

De spreekuren stonden open voor allen die inlichtingen wensten over de A.B.W. Degenen die contact zochten zijn te verdelen in twee groepen, nl. cliënten en de zgn. potentiële verwijzers.

80% bestond uit cliënten, 20% uit verwijzers.

Uitvoerig wordt in het rapport ingegaan op de laatst genoemde groep, daarbij zijn naast de familieleden, 60% van het aantal verwijzers, ook afzonderlijk genoemd de diakenen. U zult benieuwd zijn hoe die er afkomen, nu, het percentage bedroeg slechts 7,2%.

Terecht wordt hierover opgemerkt:

„En hoe staat het met de diakenen? Waarom ontbreken zij nagenoeg onder de verwijzers? Weten zij niet wie met financiële problemen kampen? Of lossen zij die zelf op? Gaan zij soms zelf naar de gemeentelijke sociale dienst om de belangen, van bepaalde mensen te behartigen?”

Ook zijn in dit rapport in een zestal pagina's allerlei gegevens verwerkt over de indeling van de belangstellenden naar beroep, kerkelijke gezindte, leeftijd enz..

Bijzonder interessant is het onderdeel van het onderzoek dat betrekking heeft op de „aard van de problemen”:

77,5% had betrekking op de rechten die de A.B.W. biedt; 4,4% op de procedure die gevolgd moet worden en daarnaast 15,1% over vraagstukken buiten de A.B.W. Over de problemen is b.v. te lezen: „de behandeling van het probleem. In een betrekkelijk groot aantal gevallen konden de vragen en problemen op het spreekuur worden opgelost (30%). In bijna de helft van de gevallen resulteerde de bespreking in een (advies tot) actie in het kader van de A.B.W. In een betrekkelijk gering aantal gevallen (3,5%) werd tenslotte verwezen naar instanties buiten het terrein van de A.B.W.”.

Door deze cijfers komt men tot de conclusie dat de diensten, zoals door de informatiecentra werden verleend als zeer waardevol zijn te beschouwen.

Men komt tevens tot de conclusie dat er inderdaad behoefte bestaat aan duidelijke voorlichting over de A.B.W. zowel bij cliënt als verwijzer. Nog steeds is er veel onduidelijkheid over de rechten die de A.B.W. geeft.

Zoals reeds aan het begin het dit artikel is opgemerkt, begint dit rapport met een aantal vragen maar het eindigt er ook mee. Zo wordt ondermeer gesteld: is er een nieuwe instantie gewenst, mede gelet op de „drempelvrees” die men heeft ten opzichte van de gemeentelijke sociale dienst.

Er is een vraag aan:

— de maatschappelijke werkers en hun organisaties; zij zullen moeten nagaan of zij op dit terrein een taak hebben en zo ja, waaruit die dan bestaat.

— de vakorganisaties verlenen enige hulp aan leden; is die voldoende?

— de gemeentelijke sociale diensten; zij zullen met de gegevens uit dit rapport ook bepaalde conclusies kunnen trekken en hiermee aan het werk moeten.

Maar er is ook een vraag aan de diaconale instellingen, zoals deputaten ADMA. Het aantal verwijzers was gering, valt er gezien de vraag naar meer voorlichting ook iets van de diaken te verwachten?

Zinvol en duidelijk gaat het rapport hier verder op in, daarom laten we dit rapport nog eenmaal aan het woord:

„De diaconale instellingen zullen zich met name dienen af te vragen wat de rol van de diaken in het geheel kan zijn. Is het reëel te verwachten dat zij alle op dit terrein deskundig worden? Is het zelfs wel zinvol dat elk van hen zich hiermee bezig houdt? Zou het niet zinvoller zijn indien de diakenen zich met name zouden gaan bezighouden met allerlei achtergrondvragen (bijv. naar de hoogte van de uitkeringsnormen) en vooral ook met het signaleren van problemen en het systematisch speuren naar degenen die niet aan hun recht komen. Dit veronderstelt uiteraard kennis van de

A.B.W. maar niet in die mate die nodig is voor werkelijke advisering.

En als ook de concrete hulp zelf als een diaconale taak wordt gezien betekent dit dan niet, zeker voor de kleinere diaconieën, een vorm van schaalvergroting?”

Wij mogen dankbaar zijn voor de gegevens die dit rapport ons verstrekt. De vraag, met name aan het diaconaat, zal beantwoord moeten worden en zeer zeker zal dit punt op deputatenniveau aan de orde komen. Maar daarmee zijn we er niet. Een voorzichtige vraag mag toch wel worden gesteld: wordt er door de diakenen nog gespeurd naar nood? Het is natuurlijk ook mogelijk dat u zegt dat dit niet meer nodig is gezien al die goede sociale voorzieningen. Zijn we niet te radicaal geweest met onze conclusies?

Wij zullen dit moeten uitdiepen en dan met uw hulp. Het zou fijn zijn als uw wensen op dit terrein alsmede uw ervaringen aan mij werden doorgegeven. Dan zouden wij dit punt over enige tijd opnieuw in dit blad aan de orde kunnen stellen.

Ik wacht met belangstelling uw reactie af.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.