+ Meer informatie

SITUATIE NA DE INVOERING VAN DE ALGEMENE BIJSTANDSWET

6 minuten leestijd

Bijblijven.

Zo werkt de A.B.W. dan een goed jaar.

Want op 1 jan. 1965 trad de wet in werking.

Hierdoor is wel het één en ander veranderd, zowel van de zijde van de overheid alsook van de zijde van het diakonaat.

Het is voor de diakenen noodzakelijk in deze ontwikkeling bij te blijven.

Heeft de wet beantwoord aan de verwachtingen, die haar propagandisten opriepen? Of valt er na zo’n jaar heus nog niet te juichen?

Het was wellicht gewenst en interessant, wanneer er via informaties bij de plaatselijke diakonieën een overzicht verkregen werd over de stand van zaken.

Tevreden?

Over het algemeen is men in de kringen van de overheid en van de vakorganisaties niet zo enthousiast over de praktische uitvoering van de A.B.W. Terwijl de kerk zwijgt en alles maar schijnt te accepteren wat wordt geregeld, komt er van allerlei kant kritiek binnen. We lazen o.a. van: „Zee van klachten over de A.B.W.” en „Over de uitvoering van de A.B.W. valt nog niet niet te juichen.”

Wat schort er dan zoal aan?

We zullen het één en ander noemen:

a. Men meent te moeten constateren en niet ten onrechte, dat de A.B.W. in de praktijk nog weinig verschilt met de situatie onder de (verouderde) Armenwet van 1912. Soms wordt de indruk gewekt, dat de overheidsdiensten zeer onzeker zijn ten aanzien van de toepassing van bepaalde artikelen van de A.B.W. en zich daarom voorshands nog maar laten leiden door de geest van de Armenwet.

b. Ook blijkt de uitvoering van de A.B.W. teveel te liggen in handen van de (autonome) gemeentebesturen, die alles liefst locaal, dat is plaatselijk, bepalen en vastleggen, zonder dat zij overleg plegen met andere gemeenten. Dit maakt de situatie zeer onoverzichtelijk, zodat men vaak niet weet, waar men aan toe is.

c. Een gevolg hiervan is automatisch, dat de normen voor de verlening van de bijstand gemeentegewijs enorme verschillen vertonen, vooral doordat ze op uiteenlopende gegevens en richtlijnen worden vastgesteld. Er is dus geenszins uniformiteit in de gehanteerde normen, en daarom ook ongelijkheid in behandeling en verschil in uitkering.

d. Voorts blijken hier en daar de verstrekte bijstandsgelden beneden een redelijk te achten peil. De uitkeringen voor een echtpaar variëren vanf 70,— per week tot iets meer danf 40,—. Dit laatste is natuurlijk te laag. Terwijl de wet toch spreekt van een bijstand in de noodzakelijke kosten van bestaan.

e. Tal van gemeenten houden hun normen voor de bijstandsverlening ook strikt geheim. Dit vormt de reden voor de klacht, dat wie bijstand aanvraagt tevoren nooit weet, waar hij aan toe is. Is dit niet een beknotting van het recht van de burger, waar de wet juist zo’n accent op legt?!

f. In vele gemeenten is het nog niet gekomen tot het instellen van een commissie van advies, waarin deskundigen uit de maatschappelijke organisaties e.d. zitting zullen hebben om B. en W. in hun beleid bij te staan. Van de 900 gemeenten zouden nog maar 50 een commissie van advies hebben ingesteld.

g. De ervaring leert ook, dat er gemeenten zijn, die geen of nauwelijks rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de bijstandsbehoevenden. Ze keren zonder meer volgens de eigen normen uit en daarmee klaar. Maar zo doet men vele mensen tekort in hun speciale moeilijkheden. Een nauwkeuriger analyse daarvan is nodig en een meer daarop afgestemde bijstandsverlening.

h. Hiermee hangt samen het feit, dat de groepsregelingen en — tabellen door het ministerie veel te laat aan de gemeenten zijn toegezonden, zodat deze de eerste maanden van 1965 niet wisten, waar ze aan toe waren, toen de aanvragen binnenstroomden.

i. Er is tenslotte een voorbeeld te noemen, waaruit blijkt dat de A.B.W. nog slecht funktioneert. In een grote diakonie van de Geref. Kerken wordt 60 % van het budget nog gebruikt voor volledige en aanvullende ondersteuning van behoeftigen. omdat de normen van B. en W. in die gemeente niet voldoende zijn voor een redelijk bestaan.

Uit deze punten wordt duidelijk, dat men niet allerwege enthousiast is over de werking van de A.B.W. Men moet nog behoorlijk wennen aan de veranderde situatie.

Akties.

Het was geen wonder, dat het kamerlid Zwaniken onlangs gewaagde van een chaos, ten aanzien van de uitwerking van de A.B.W. We hebben heus geen „gouden tijd” bereikt, zoals ons eerst was voorgesteld. Toch kan het beter dan tot nu toe. Van verschillende kanten dringt men hierop aan.

Aan de minister en zijn staatssecretaris is dan ook gevraagd, wat orde in de zaken te brengen. Staatssecretaris Egas heeft een willig oor betoond voor de bezorgdheid over de funktionering van de A.B.W. Hij verklaarde tegenover de kamercommissie, dat hij een doeltreffende uitvoering van de wet zal be vorderen. Hij zal aandringen op het openbaar-maken van de gemeentelijke normen en van de uitspraken inzake beroep. Het zint hem evenmin, dat vooral in gemeentelijke kringen de bepalingen van de A.B.W. traag worden uitgewerkt. Hij is er vóór, dat de gemeenten, desnoods in intergemeentelijke samenwerking, komen tot het oprichten van commissies van advies, die er nog veel te weinig zijn. Hij wil, dat de A.B.W. zo slagvaardig mogelijk wordt uitgevoerd.

Van des te meer belang is dit, daar we ons in een overgangsperiode van de oude naar de nieuwe situatie bevinden. In deze periode mogen de zaken niet scheef groeien, anders zitten we later weer met de narigheid.

Het is de taak van de diakenen deze akties met belangstelling te begeleiden en waar nodig, met hun instemming te steunen. Als diakenen hebben we nauwlettend toe te zien, hoe in onze burgerlijke gemeente de wet wordt toegepast en als het moet de stem te verheffen en bij B. en W. onze wensen kenbaar te maken. De diakenen zullen m.i. vooral mee moeten ijveren voor het in het leven roepen van de commissies van advies, via de daartoe geëigende kanalen.

Oiakonalc taken.

We hebben de indruk, dat vele diakenen onzer kerken nog te weinig ingespeeld zijn op de nieuwe situatie en het werken met de nieuwe verordeningen. Weten we als diakenen al, wie er in onze kerkelijke gemeente bijstand ontvangen én kunnen ontvangen? En … waar bijstand wordt verleend krijgt men daar genoeg? Hier en daar zijn diakenen begonnen te werken met invulformulieren, waarop de gemeenteleden hun financiële situatie kunnen duidelijk maken. Dat is een loffelijke aktie. Maar laten we er voorzichtig mee werken. Probeer op rustige en tactvolle wijze te adviseren, te informeren en te controleren.

Dit vraagt van de diakenen natuurlijk, dat zij zich meer en meer inwerken in de materie van de A.B.W. en vooral in de laatst verschenen groepsregelingen. Naast de officiële tekst daarvan kunnen we u zeer aanraden aan te schaffen het boekje van B. Fels en F. M. F. Fels: „250 vragen en antwoorden. Algemene Bijstandswet en Rijksgroepsregelingen”, uitgegeven bij Kluwer in Deventer.

Er blijft dus ten aanzien van de A.B.W. nog wel het één en ander te doen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.