+ Meer informatie

Kerk moet midden in de cultuur staan

Drs. P. C. den Uil: Bewust gebruik moderne media niet ontlopen

6 minuten leestijd

OUD-ALBLAS - De kerk moet zich meer bezighouden met de brede vragen van de cultuur. Van de predikant mag niet worden gevergd vakman op allerlei terrein te zijn. Maar op de kansel mag hij best ingaan op de grote lijnen, vindt drs. P. C. den Uil, algemeen directeur van een protestants-christelijke verpleeghuis, docent ethiek en actief op het gebied van muziek en zang. "Waarom hoor ik zo weinig over de problemen van alledag, waarmee velen met mij worstelen? We belijden toch geen scheiding te hebben tussen de zondag en de doordeweekse dagen?"

Terecht stelt de prediking de vragen van God en de ziel centraal, zegt Den Uil. "Maar die vragen staan niet los van het dagelijks leven. Het woord ziel geeft in abstracte zin aan wie ik ben. Maar ik ben concreet, in relatie tot mijn werk of kerk of welke verbinding dan ook. Je mag de vragen van de cultuur ook niet uitsluitend in de catechismusprediking aan de orde laten komen."

Onder "cultuur" verstaat Den Uil ook cultuur in de ruime zin van het woord, zoals normen en waarden. De kerk moet een eigentijdse toepassing geven aan de cultuuropdracht. "Eigentijds, dat wil zeggen dat je op zijn minst iets zegt over de vraagstukken waar we midden in zitten. Internet of reageerbuisbevruchting bijvoorbeeld. De predikant is dan weliswaar geen vakman, maar hij mag wel ingaan op gewetensvragen en het vraagstuk van het compromis, dat we dagelijks tegenkomen. De prediking moet profetisch zijn, onderwijzend, maar ook pastoraal: bemoedigend en corrigerend."

De verpleeghuisdirecteur vindt dat de kerk ook profetisch moet reageren op reclame, als uiting van "het geweten van de cultuur." "Ik voel me schuldig als ik mensen van het type Dorenbos op de bres zie springen terwijl wij zo weinig in actie komen. Ik vergeet nooit dat pater Koopmans in de fractiekamer van de SGP kwam om zich, mét de SGP van artikel 36 NGB, tegen abortus te keren. Reclame is de spiegel van de zedigheid, maar tegelijk ook de katalysator ervan. Als je als kerk iets te zeggen hebt in de trant van "O land, land, land! hoor des Heeren woord", betekent dit dat de kerk zich ook kritisch moet laten horen richting de aanbieders van reclame en commerciële instellingen. Intern reageert zij wel, maar naar buiten toe niet; terwijl ze wel in actie komt als het gaat om euthanasie of homohuwelijk."

Den Uil pleit ervoor dat kerkleden gezaghebbend in de moderne cultuur staan, in de zin dat ze iets uitstralen in hun levenswijze dat indruk maakt op de ander. Dit uitstralen moet midden in de cultuur zichtbaar zijn. "Het is niet alleen kijken en beoordelen van de cultuur, maar er ook midden in staan. Je kunt het voorbeeld nemen van een leraar die op een protestants-christelijke school wil blijven en niet naar een reformatorische school gaat.

In het algemeen kun je de vraag stellen: Wil je werken in een sfeer waar geen botsingen zijn of juist daar waar de confrontatie aanwezig is? Het is pure armoede als er in algemene ziekenhuizen geen christenen meer werken. Ik ben voluit voor reformatorisch onderwijs en besef dat het nodig is dat mensen daar werken, maar ik heb toch veel respect voor hen die werken in neutrale instellingen."

Tot hoe ver kan men in een dergelijke omgeving verantwoordelijkheid dragen? Voor Den Uil ligt de grens hierin dat je bijvoorbeeld eindverantwoordelijkheid zou moeten nemen voor euthanasie of andere ethische zaken. "Als je vraagt naar de grens van het compromis, dan ligt die in het gewetensbezwaar, genormeerd door Gods Woord."

Den Uil vindt dat de kerk de overheid erop moet aanspreken dat zij zich in haar cultuurontwikkeling moet richten naar de Schrift. "Als we de overheid zien als dienaresse Gods, dan moeten we haar ook aanspreken, zoals de profeet de koning in het Oude Testament. De kerk moet dat ook direct durven doen en niet altijd alleen door middel van deputaatschappen. En vergeet ook het plaatselijk niveau niet. Ik ben acht jaar gemeenteraadslid geweest, maar heb in die tijd weinig personen van de plaatselijke kerk gezien."

Een uitgesproken mening heeft Den Uil ook over de media als verbinding met de cultuur. "Ik vind dat we afstand moeten nemen van de moderne media als het gaat om de privé-situatie en het gezin. Maar tegelijkertijd vind ik dat we er gebruik van kunnen maken als ons om verantwoording wordt gevraagd. De boekdrukkunst bracht de afgrijselijkste producten op de markt, maar diezelfde persen brengen ook zeer goede boeken voort. Zelf ben ik een paar keer voor de televisie geweest in verband met actuele vraagstukken. Ik heb daarover geen negatief gevoelen, in de zin dat ik vervelend ben weggezet. Van buiten mijn eigen kring werd zelfs waardering geuit.

Zo is het ook gesteld met het gebruik van internet. Als we Gods Woord tot meerdere erkenning willen brengen, zoals de SGP in haar program nastreeft, dan moeten we daar zijn waar de mensen hun informatie opdoen."

Den Uil ziet wel grenzen aan het gebruik van radio en televisie: als hij wordt verplicht zijn boodschap te verengen. "Maar ik zie geen verschil tussen het schrijven van een artikel op een opiniepagina en het meewerken aan een radioprogramma op de zaterdagavond. Ik vind het moedig dat mensen daar spreken waar de luisteraar niet op goede standpunten zit te wachten. Als die meditatie niet wordt gehouden, dan wordt de programmatijd op een andere manier ingevuld. Probleem is steeds weer de associatie: het risico om vereenzelvigd te worden met. Overigens ben ook ik bezorgd over het EO-gehalte."

Lang heeft hij geworsteld met de vraag of er "kunst om de kunst" mag zijn. "Kunst heeft een eigen wetmatigheid, die in de schepping is gelegd. Kunst brengt ook zijn eigen vaardigheid mee. Toch is er een groot verschil tussen hen die de kunst gebruiken om God ermee te eren en hen die dit niet kunnen of willen doen. Een kunstenaar is een schepper: een creatieve geest. Het creatieve is een scheppingsgave."

Den Uil is geen tegenstander van symboliek in het kerkgebouw. "De kerk is wat dat betreft toch wel wat sober ingericht. Vanuit de traditie waren de beelden de boeken van de leken, maar die context is achterhaald. Verbeelding heeft nu een gedachtebepalende functie. Denk aan de vormgeving van de doopvont. Principieel gezien zouden we in plaats van een orgel ook best een orkest kunnen gebruiken. Waarom wel een orgel als nabootser van twintig instrumenten en niet een orkest?

Ik verwerp de gedachte dat het bekende het enig juiste en principiële is. Dat is griezelig en rooms. Anderzijds moeten dingen worden gemeten met de maat van de context."

Dit is het vierde deel in een serie van negen artikelen over de op Hervormingsdag gepubliceerde 95 stellingen. Donderdag verschijnt deel 5: Kerk en kleine oecumene.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.