+ Meer informatie

GANS ISRAËL

3 minuten leestijd

Dr. M. van Campen, tot voor kort directeur van het Centrum voor Israëlstudies, promoveerde enige tijd geleden aan de Leidse Universiteit op een onderwerp dat ook onder ons altijd in de belangstelling heeft gestaan: het bijbelse zicht op Israël, zoals daar in het verleden in de vaderlandse kerkgeschiedenis over gesproken is. De ondertitel van het boek ‘Gans Israël’ (overigens het middelste deel van een drieluik — we hebben dus nog heel wat tegoed!) luidt: ‘Voetiaanse en coccejaanse visies op de joden gedurende de zeventiende en achttiende eeuw’. Het betreft hier twee stromingen in de toenmalige gereformeerde kerk, waarvan Voetius (1589–1676) en Coccejus (16031669) de belangrijkste vertegenwoordigers waren. Van Campen beschrijft de visie van beiden dan ook uitvoerig, en in hun kielzog die van een rij van vertegenwoordigers die min of meer in hun voetspoor gingen: o.a. Hoombeeck, Koelman, W. à Brakel en Van der Groe (voetianen), en Sibersma, Vitringa en Lampe (coccejanen).

Er zat nogal wat verschil tussen beide stromingen, al was er ook een grote variatie binnen de stromingen zelf. Globaal genomen stonden de voetianen bekend als de ‘preciezen’ en de ‘coccejanen’ als de ‘rekkelijken’. Hoe werd er nu binnen beide groeperingen gedacht over (de toekomst van) Israël? Een van de hoofdconclusies van de auteur luidt: ‘Vastgesteld kan worden dat aandacht voor de lotgevallen van het joodse volk in heden en toekomst binnen beide stromingen meer regel dan uitzondering was’. Over het algemeen was men het er ook over eens dat de joden in de nabijbelse tijd tijdelijk verworpen waren vanwege hun afwijzen van Jezus als de Messias, maar dat er perspectief ligt in de blijvende verbondstrouw van Israëls God. Een sleuteltekst daarbij is Rom. 11:25–27, waaraan ook de titel van dit proefschrift ontleend is. Op grond daarvan werd vrij algemeen verwacht dat we in de laatste tijden nog een bekering van Israël te verwachten hebben. Hoe echter de concrete toekomst van Israël ingevuld zou moeten worden, daarover verschilde men niet alleen tussen beide stromingen van mening, maar ook binnen de groeperingen zelf.

Allerlei boeiende vragen komen daarbij aan de orde: kom je met een concrete verwachting voor Israël bij het chiliasme uit en wat versta je daar dan precies onder? Hoe zit het met de landbelofte? Hebben we nog een herbouw van de tempel te verwachten met daaraan gekoppeld een herstel van de offerdienst? En zo ja, welk karakter zou die dan dragen? Welke gevolgen zal de bekering van Israël hebben voor de wereld?

Wie een klein beetje op de hoogte is van de discussies vandaag in eigen kring en daarbuiten, vindt hier uitermate boeiende lectuur, die ons in onze eigen bezinning kan helpen. Ik heb diep respect voor de belezenheid van de auteur, alsmede voor zijn vermogen om een landschap te ontginnen dat onder ons niet helemaal onbekend was, maar nooit zo grondig en systematisch onderzocht is als nu. Dit smaakt naar meer! We zien uit naar het eerste en derde deel en hopen dat dr. Van Campen de kracht ontvangt om dit grote project te voltooien.

n.a.v. dr. M. van Campen, Gans Israël. Voetiaanse en coccejaanse visies op de joden gedurende de zeventiende en achttiende eeuw. Uitg. Boekencentrum Zoetermeer 2006, 659 blz, €47,50

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.