+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste jongelui!

De Heere treedt ons dus tegen met de eis van het ware geloof. Afgedacht nog van het feit of ik belijdenis doe of niet. Aan deze eis kan niemand zich ooit onttrekken. Niemand heeft daarom het recht voor God om onbekeerd en ongelovig te zijn.

Als iemand daartoe het recht had. dan zou God geen recht hebben om de zondaar te straffen. Dan zou God bij de uitoefening van de straf onrechtvaardig zijn.

Misschien begrijpen jullie dit niet aanstonds. Laat mij dan proberen om dit met een beeld te verduidelijken. Stel een stuk grond waarop het welbekende bordje staat van „Verboden toegang”. Ieder die dit bordje leest, weet als hij op dit stuk terrein zich begeeft, dat hij op verboden terrein verkeert, en dat hij als hij daar gegrepen wordt, strafbaar is. Dat is zonder meer duidelijk.

Doch gestel nu het geval, dat iemand van de eigenaar van dat terrein vergunning krijgt om daar op te verkeren. Als hij dan zou worden gegrepen, zou niemand hem kunnen straffen. Want voor hem geldt dat bordje „Verboden toegang” niet meer. Het is door de vergunning opgeheven.

Zo is het nu ook geestelijk. Als God iemand het recht zou geven om onbekeerd te zijn en ongelovig voort te leven, dan zou degene die dat recht heeft ontvangen, daardoor in de dag des oordeels voor God vrij uitgaan.

Doch niemand heeft nog ooit dat recht ontvangen. Niemand zal dat ooit krijgen ook.

De eis van geloof en bekering wordt hierdoor dus wel extra onderstreept.

Maar als men nu niet aan die eis voldoen kan, hoe moet het dan? Ben ik dan vrij? Neen!! Neen!!!

Want ik ben ook nog gedoopt. En dat is toch geen zinledig gebeuren geweest. De Heere heeft toen Zichzelf tot mi’ in een verbondsbetrekking gesteld. Hij heeft toen de beloften van Zijn genadeverbond aan mijn voorhoofd betekend en verzegeld. Dat wordt in het eerste deel van het doopformulier heel duidelijk uiteengezet. Datgene wat God doet, is het eerste deei in het genadeverbond. Hij treedt de bondeling tegen met Zijn beloften. Maar nu zijn er in alle verbonden twee delen begrepen. En daarom worden ook wij weder van God door de Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganser harte, van ganser ziele, van gansen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen. Dat is zonder meer plicht. Daar kan niet één bondeling zich aan onttrekken. Deze plicht heeft men zonder meer te aanvaarden. Doet men dat niet, dan verbreekt men het verbond. Wanneer de bondeling dat doet, dan is God vrij van de bondeling. Dan roept zulk een bondeling over zich in de verbondswraak en dan ontgaat hem door eigen schuld de verbondszegen. Zo liggen, objektief gezien, de zaken. Zo is ook elke bondeling ten opzichte van God, voor honderd procent verantwoordelijk.

Kan nu een bondeling aan de eisen, waartoe hij van Godswege vermaand en verplicht is, in eigen kracht voldoen?

Ja, zeggen degenen, die verwachting hebben van zichzelf. En men gaat de weg van Saulus op, voor zijn bekering. Men leeft, naar men denkt, naar de wet Gods, onberispelijk. Men eigent zich de verbondsbeloften toe, zonder dat ze door de Heilige Geest toegepast zijn. Men houdt zich dan op grond van de zichzelf toegeëigende verbondsbeloften, voor een kind van God.

Als deze gang van zaken in het denken wordt getolereerd en gestimuleerd, dan wordt „een kerk in het vlees gebouwd”, om de uitdrukking van één van mijn korrespondenten te gebruiken. En die kant willen we beslist niet op. Want op deze wijze krijgen we vrome, eigengerechtige leden, die nooit als „goddelozen” met God zijn verzoend door de dood Zijns Zoons.

We moeten het op alle manier proberen, zegt een ander. Je hebt tenslotte je verstand niet voor niets gekregen. Wc kunnen dat onderschrijven, mits men het dan ook maar voluit, in het licht van de eisen probeert en niet al te haastig konkludeert: Ik doe mijn best en God doet de rest. Want dan vrees ik, als men zo gemakkelijk de sluitrede gevonden heeft, dat men zich ook bedriegt voor de eeuwigheid. En het zijn er niet weinigen, die denken, enkel door het te proberen, er wel te zullen komen. Dat moet je dan uiteindelijk toch geloven. En men gelooft het ook. Doch het is niet met een geloof, hetwelk door de Heilige Geest is gewerkt. Het is een geloof dat vrucht is, louter van een verstandelijke redenering.

Maar hoe gaat het dan? hoor ik iemand vragen.

Kijk, beste vriend of vriendin, wanneer je het werkelijk probeert in het licht van de eisen, zoals God ze stelt, dan kom je er achter, dat je er niets, maar dan ook niets van terecht brengt. Dat je onbekwaam bent tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Je bevindt je dan midden in de dood te liggen. Dan gaan de ogen open voor de „nood” waarin men verkeert. En uit die nood wordt dan een roepen geboren tot de God des verbonds. Men ziet dan dat men zelf het verbond verbroken heeft en dat God recht zou zijn als Hij de verbondswraak ten volle over zulk één zou doen komen. Doch dan laat de Heilige Geest een zulk een-zichzelf-veroordelende-bondeling ook zien, dat nu juist de God des verbonds geen lust heeft in de dood van zulk één. Dat wordt dan het wonder. Zulk één kan dan alleen maar meer uit genade leven, waarom dan ook ernstig gesmeekt wordt. Men gaat dan „werkelijk” — niet alleen vormelijk — maar werkelijk pleiten op de beloften des verbonds. Wat wordt het wonder dan groot, als men ziet, dat men zelf het verbond verbroken heeft, dat God het daarom nog niet gedaan heeft. Maar dat Hij nog Dezelfde is en blijft „Die Zijn waarheid nimmer krenken zal; maar eeuwig Zijn verbond gedenken”. Dan worden de in het genadeverbond toegezegde genadebeloften uit genade begeerd en als „genade” beleefd.

Als men nu nog niet zeggen kan tot de „beleving” van deze zaken gekomen te zijn, dan blijft niettemin de plicht om naar de eis van het verbond te leven, toch op de bondeling liggen. En die moet ook gevoeld worden. Wanneer nu een jonge vriend komt en zegt: Nu moet ik mijn doop voor mijn rekening nemen, de verplichting om de Heere te dienen naar de eis van het verbond, die ligt op mij. Maar als ik op mijzelf zie en op mijn dagelijkse afmakingen, dan. ontbreekt mij de moed om de naam des Heeren te belijden, m.a.w. om belijdenis des geloofs te doen. Wat moet men dan een zodanig iemand antwoorden? Ga maar heen, en kom maar terug als alles voor je klaar en duidelijk is? Zo zou ik het zeker niet doen.

Zulk een jong mens zeg ik altijd: Beste vriend, als je nu beseft dat je moet en het niet kunt, laat dan je verwachting van de Heere zijn. Want wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Ik ben dan bereid om zulke jonge mensen, onder biddend opzien tot de Heere, toe te laten tot het doen van belijdenis des geloofs. Terwijl ik dan de belijdenis laat liggen voor rekening van hem of haar die belijdenis doet. Want uiteindelijk zal ook ten deze, een ieder van zijn eigen werk, Gode rekenschap geven.

Op deze wijze worden dan de jonge mensen niet afgestoten, maar ook niet haastig de handen opgelegd.

En het behaagt dan toch God om onder een eerlijke bediening van het Woord, aan de zodanigen die in gehoorzaamheid hun weg wél aanstellen, Zijn heil te doen zien.

Zo liggen de zaken, wanneer ik uitga van datgene wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. En verder kan een dienaar van het Woord niet gaan. Hij kan en mag niet uitgaan van datgene wat God in Zijn verborgen raad besloten heeft. Want de verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen.

Dat er in de praktijk dan toch velen zijn, die nooit tot de wezenlijke inwilliging van de eisen van het genadeverbond komen, dat ligt dan ten volle voor rekening van de bondeling, die als een „kind des koninkrijks” zal worden buitengeworpen.

Laten onze jonge mensen en ook de ouderen, de ernst van deze zaken toch goed beseffen. Niemand hebbe daarom rust, voor hij of zij, voor zichzelf, op goede gronden weten mag „een levend lid te zijn van die ene, heilige, algemene christelijke kerk”, dat is het lichaam van Christus. En wie daar lid van is, die alleen kan welgetroost leven en zalig sterven. Dat bidden we al onze vrienden en vriendinnen toe.

Een volgende keer weer over iets anders.

Ontvang de hartelijke groeten van jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.