+ Meer informatie

III Nieuwe bijlagen in de kerkorde

18 minuten leestijd

De synode heeft een drietal bijlagen aan de kerkorde toegevoegd.

1. Reglement partners zendingsgemeenten

Art. 1 - Doelstelling
De commissie heeft als doel steun te zoeken voor en steun te geven aan zendingsgemeenten met financieel minder draagkrachtige leden zodat een evangelist of predikant beroepen en bevestigd kan worden.

Art. 2 - Machtiging
De commissie wordt door de generale synode gemachtigd en geïnstrueerd tot beheer van gelden om deze steun te verlenen. Zij is verantwoording schuldig van al haar handelingen aan de generale synode via deputaten evangelisatie en is bevoegd binnen de grenzen van haar taak tot het in ontvangst nemen van gelden en tot het verrichten van betalingen. De financiële administratie wordt uitgevoerd door het Dienstenbureau, onder verantwoordelijkheid van deputaten evangelisatie. De financiële controle vindt plaats door deputaten financiële zaken en hun externe accountant.

Art. 3 - Leden
De commissie bestaat minstens uit zeven leden die benoemd zijn door de generale synode, waarvan drie rechtstreeks en vier op voordracht van deputaten buitenlandse zending, diaconaat, evangelisatie en onderlinge bijstand en advies. Minimaal dienen onder de commissieleden vier expertises aanwezig te zijn:
1. de financiële, met specifiek diaconale deskundigheid;
2. de theologische, met specifiek missionaire deskundigheid;
3. de communicatieve, met specifieke deskundigheid op het terrein van pr en fondsenwerving;
4. de sociaal maatschappelijke, met deskundigheid zowel op macro- als microniveau.

Art. 4 - Werkzaamheden
1. De commissie beoordeelt aanvragen van zendingsgemeenten voor financiële steun met het oog op verlichting van de lasten van gemeenten met financieel minder draagkrachtige leden;
2. de commissie neemt alleen aanvragen in overweging van gemeenten die zijn aangemerkt als zendingsgemeente conform artikel 21 K.O.;
3. de commissie overtuigt zich van het evidente missionaire karakter van de gemeente;
4. de commissie overtuigt zich van de inzet en de betrokkenheid van de leden van de betrokken zendingsgemeente;
5. de commissie overtuigt zich van voldoende toekomstperspectief voor de aanvragende gemeente, waarbij de kans tot zelfstandigheid groot moet zijn;
6. de commissie baseert zich in haar besluit om steun te verlenen met name op sociaal-demografische kaart van de betrokken zendingsgemeente (waarbij de sociaal-demografische kaart van de regio of het stadsdeel behulpzaam kan zijn);
7. beslissingen worden voor elke gemeente afzonderlijk genomen, er bestaat geen recht op een bijdrage uit het steunfonds partners in zending;
8. de steunverlening vindt vooralsnog plaats voor een periode van drie jaar en zolang er fondsen beschikbaar zijn;
9. naast het verlenen van financiële steun kan de commissie ook coaching aanbieden aan de zendingsgemeenten waarmee zij geholpen worden op de weg naar (financiële) zelfstandigheid;
10. voorafgaand aan het toezeggen van steun zal er voldoende overleg zijn met deputaten evangelisatie, deputaten onderlinge bijstand en advies en indien nodig een van de andere deputaatschappen.

Art. 5 - Middelen
De commissie wordt, ten einde steun te kunnen geven, van financiële middelen voorzien door de deputaatschappen buitenlandse zending, diaconaat en evangelisatie. Het is de commissie niet toegestaan verplichtingen aan te gaan waardoor een negatief saldo ontstaat. Fondsen die geworven zijn met een specifiek oormerk dienen overeenkomstig te worden aangewend; externe fondsen zijn altijd geoormerkt en dienen dienovereenkomstig verantwoord te worden.

Art. 6 - Publiciteit
De commissie zal binnen de kerken actief publiciteit voeren om:
1. de zendingsgemeenten als nieuwe vormen van kerkelijk leven binnen ons kerkverband onder de aandacht te brengen;
2. de gevestigde kerken te stimuleren een band aan te gaan (jumelage) met een zendingsgemeente en in een wederkerige relatie elkaar van dienst te zijn. Dat betreft een geestelijke steun, wederzijdse bemoediging in de opdracht om te getuigen van het evangelie in ieders situatie, en ook een financiële steun, waarin de financieel sterkere bereid is de zwakkere te helpen.

2. Model voor de plaatselijke regeling voor de roeping van een predikant in een samenwerkingsgemeente

Art. 1 - Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder stemgerechtigde leden: de belijdende leden van de samenwerkingsgemeente, met uitzondering van hen die in verband met een tuchtmaatregel het stemrecht niet mogen uitoefenen. Onder predikant wordt verstaan: wie reeds predikant is en wie door een kerkelijke vergadering beroepbaar gesteld is.

Art. 2 - Beroeping
De beroeping van een predikant vindt plaats door de raad van de samenwerkingsgemeente en met medewerking van de gemeente, overeenkomstig de plaatselijke afspraken en in overeenstemming met deze regeling.

Art. 3 - Voornemen start beroepingswerk
Wanneer de kerkenraad overgaat tot het beroepingswerk ter voorziening in een vacante predikantsplaats, maakt hij zijn voornemen hiertoe aan de gemeente bekend.

Art. 4 - Beroepingscommissie
1. De kerkenraad benoemt een beroepingscommissie die tot taak heeft de besluitvorming voor te bereiden en na instemming van de gemeente zorg te dragen voor de uitvoering.
2. De beroepingscommissie bestaat uit leden van de gemeente; van hen is minimaal één lid tevens lid van de kerkenraad.
3. De kerkenraad stelt de werkwijze van de beroepingscommissie vast en zal daarbij met name wijzen op de noodzaak van professionaliteit, discretie en vertrouwelijkheid.

Art. 5 - Profielschetsen
1. De beroepingscommissie maakt een ontwerp van een profielschets van de gemeente en van de te beroepen predikant.
2. De beroepingscommissie legt de ontwerp-profielschetsen voor aan de gemeente.
3. De termijn voor het inbrengen van zienswijzen door de gemeente bedraagt tenminste vier weken.
4. De beroepingscommissie adviseert de kerkenraad inzake de profielschetsen, waarbij de door de gemeenteleden ingebrachte zienswijzen worden betrokken.
5. De kerkenraad stelt de profielschetsen vast.
6. De kerkenraad maakt de vastgestelde profielschetsen aan de gemeente bekend.

Art. 6 - Namen
1. De beroepingscommissie nodigt de gemeenteleden uit namen op te geven van predikanten, die zij geschikt achten voor de gemeente, met inachtneming van de vastgestelde profielschetsen.
2. De termijn voor het opgeven van namen bedraagt tenminste twee weken.
3. Het opgeven van namen dient schriftelijk en gemotiveerd te gebeuren.
4. In dit stadium kan informatie ingewonnen worden bij landelijke commissies die indirect te maken hebben met het beroepingswerk.
5. Het is mogelijk om predikanten die naar objectieve maatstaven voor een beroep in aanmerking kunnen komen (leeftijd, dienstjaren), een brief te sturen, waarin in ieder geval de profielschets van de eigen gemeente en een omschrijving van de gewenste nieuwe voorganger zijn opgenomen. Ook het plaatsen van een advertentie kan overwogen worden.

Art. 7 - Groslijst en kandidatenlijst
1. De beroepingscommissie plaatst de namen van mogelijk te beroepen predikanten op een groslijst.
2. De beroepingscommissie adviseert de kerkenraad inzake de potentiële kandidaten en geeft daarbij een voorkeursvolgorde aan.
3. De kerkenraad besluit inzake de geadviseerde kandidatenlijst en geeft daarbij eventueel een voorkeursvolgorde aan.

Art. 8 - Benoeming en taak hoorcommissies
1. De kerkenraad benoemt een of meer hoorcommissies op voorstel van de beroepings-commissie.
2. De hoorcommissie(s) bestaa(t)(n) uit leden van de gemeente en tenminste een lid van de kerkenraad.
3. De hoorcommissie(s) he(eft)(bben) tot taak zoveel mogelijk informatie te verzamelen over de potentiële kandidaten overeenkomstig een door de kerkenraad vastgestelde instructie waarbij met name ook gewezen zal worden op de noodzakelijke discretie en vertrouwelijkheid.
4. De hoorcommissie(s) rapporte(ert)(ren) zo spoedig mogelijk aan de beroepingscommissie.

Art. 9 - Advies en besluit voordracht
1. De beroepingscommissie adviseert de kerkenraad over de voordracht aan de gemeente inzake de beroeping van een predikant.
2. De voordracht kan een of meer namen van predikanten inhouden.
3. De kerkenraad besluit over de voordracht.

Art. 10 - Beroepingsvergadering
1. De kerkenraad roept de gemeente bijeen in een beroepingsvergadering om onder aanroeping van de Naam van de Heer tot verkiezing van een te beroepen predikant over te gaan.
2. De termijn tussen het bijeenroepen en de datum van de beroepingsvergadering bedraagt tenminste twee weken.
3. De kerkenraad maakt tegelijk met de bijeenroeping of tijdens de beroepingsvergadering de na(a) m(en) van predikant(en) die in de voordracht staan bekend.
4. De kerkenraad legt in de beroepingsvergadering verantwoording af van de beroepings-werkzaamheden. Daartoe behoort een beknopt verslag van de werkzaamheden van de beroepingscommissie en het verstrekken van informatie over de predikant(en) die in de voordracht is (zijn) vermeld.
5. De kerkenraad draagt er zorg voor dat de gemeente tijdens of kort voor de beroepingsvergadering in de gelegenheid is (geweest) kennis te nemen van een dienst waarin de te beroepen predikant is of wordt gehoord.
6. De kerkenraad geeft de voordracht in bespreking.
7. Na beëindiging van de bespreking volgt een schriftelijke stemming door de aanwezige stemgerechtigde leden. Bij de kandidatuur van één predikant is er een meerderheid van twee derde (alternatief: 75%) van de uitgebrachte geldige stemmen vereist. Bij de kandidatuur van meer predikanten is de predikant gekozen die de meeste van de uitgebrachte geldige stemmen heeft gekregen.
8. Stembriefjes zijn ongeldig als:
a. meer dan een kandidaat is aangekruist;
b. er een andere persoon is opgeschreven dan genoemd in de voordracht;
c. er opmerkingen of aantekeningen zijn bijgeschreven;
d. er geen kandidaat is aangekruist.
9. Stemgerechtigde leden kunnen staande de beroepingsvergadering bezwaren tegen de gevolgde verkiezingsprocedure bij de kerkenraad indienen.

Art. 11 - Beroeping
1. De kerkenraad beroept de gekozen predikant.
2. De kerkenraad deelt het uitgebrachte beroep zo spoedig mogelijk aan betrokkene(n) mee.
3. Een delegatie van de kerkenraad overhandigt betrokkene een ondertekende beroepsbrief waarin staat omschreven wat de gemeente en de predikant elkaar verschuldigd zijn. De beroepsbrief bevat bijlagen waarin de rechtspositie van de predikant is omschreven.
4. Op de twee zondagen volgend op de beroepingsvergadering, maakt de kerkenraad de naam van de beroepen predikant aan de gemeente bekend.

Art. 12 - Besluit op uitgebracht beroep
De beroepen predikant deelt (binnen drie tot zes weken) na de ontvangst van de beroepsbrief schriftelijk aan de kerkenraad mee of hij het beroep aanvaardt.

Art. 13 - Bekendmaking, bezwaren, instemming gemeente
1. De kerkenraad maakt gedurende de twee achtereenvolgende zondagen nadat de beroepen predikant zijn besluit heeft meegedeeld, dit besluit aan de gemeente bekend.
2. Indien de beroepen predikant het beroep heeft aanvaard, wordt de gemeente gewezen op de mogelijkheid voor stemgerechtigde leden om bij de kerkenraad bezwaren in te dienen tegen diens bevestiging als predikant van de gemeente.
3. Bezwaren dienen schriftelijk en gemotiveerd bij de kerkenraad te worden ingediend binnen veertien dagen vanaf de eerste afkondiging, als bedoeld in lid 1. De kerkenraad beslist zo spoedig mogelijk op het bezwaar, doch uiterlijk binnen drie weken na de termijn van indiening.
4. Als geen bezwaren als bedoeld in dit artikel worden ingediend of de ingediende bezwaren ongegrond worden verklaard, is de instemming van de gemeente verkregen.

Art. 14 - Goedkeuring kerkverband
Wanneer de instemming van de gemeente is verkregen, dient de kerkenraad het verzoek tot goedkeuring van de bevestiging in bij de classis of regio van het kerkverband waartoe de te bevestigen predikant behoort.

Art. 15 - Bevestiging
Als de beroepen predikant het beroep heeft aanvaard, de instemming van de gemeente en de goedkeuring van de meerdere vergadering is verkregen, wordt hij in een kerkdienst van de gemeente in zijn ambt bevestigd met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier. Als de beroepene niet eerder het ambt van predikant heeft bekleed, geschiedt de bevestiging onder handoplegging.

Art. 16 - Procedure na niet-aanvaarding beroep
1. Als de beroepen predikant het beroep niet aanvaardt, besluit de kerkenraad over een nieuwe voordracht aan de gemeente.
2. De kerkenraad kan voor de nieuwe voordracht gebruik maken van de groslijst of de kandidatenlijst als bedoeld in artikel 7. De artikelen 8 tot en met 14 van deze regeling zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Als de groslijst en de kandidatenlijst als bedoeld in artikel 7 zijn uitgeput, handelt de kerkenraad overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 14 van deze regeling.

Art. 17 - Slotbepaling
In de gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist de kerkenraad. De kerkenraad heeft de mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van dit reglement. Een besluit daartoe mag niet in strijd zijn met de kerkorde en zal gemotiveerd worden meegedeeld aan de gemeente. Aldus vastgesteld door de kerkenraad van de ………………. samenwerkingsgemeente te ………………. in zijn vergadering van ……………….

3. Reglement interkerkelijke commissie geschiloplossing

Art. 1 - Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. commissie: de Interkerkelijke Commissie Geschiloplossing (ICG);
2. geschil: een (begin van een) conflict (al dan niet met een persoonlijk karakter) tussen kerkenraad of predikant en een of meer gemeenteleden, tussen (leden van de) kerkenraad en predikant of tussen kerkenraadsleden onderling. Tuchtzaken zijn geen geschil in de zin van dit reglement;
3. partijen: de bij het geschil betrokken personen of colleges;
4. behandelcommissie: het door de commissie ingestelde gremium ter behandeling van een aangemeld geschil.

Art. 2 - De commissie
1. De commissie werkt landelijk.
2. De commissie bestaat uit tenminste twaalf leden, bij voorkeur een even groot aantal en tenminste één predikant uit elk van de deelnemende kerkgenootschappen. De leden van de commissie worden benoemd door de generale synodes/landelijke vergaderingen van de deelnemende kerken. Voor elk lid van de commissie kan een secundus worden benoemd. De secundus heeft dezelfde competentie als zijn/haar primus.
3. Commissieleden dienen te beschikken over persoonlijke kwaliteiten, zoals een goed analytisch vermogen, een onafhankelijke opstelling, inzicht in bestuurlijke en organisatorische verhoudingen, sociale vaardigheden, relativeringsvermogen, inzicht in de leef- en werkwereld van een predikant en het werkterrein van een kerkenraad, ervaring met mediation en algemeen juridisch en kerkelijk inzicht.
4. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van drie jaren en kunnen tweemaal worden herbenoemd.
5. De commissie wijst zelf een voorzitter, een waarnemend voorzitter en een secretaris aan. Deze komen bij voorkeur uit de verschillende geledingen. Het is haar ook toegestaan een secretaris, niet commissielid, te benoemen.

Art. 3 - Bevoegdheid en taak van de commissie
1. De commissie geeft advies, coacht en bemiddelt zo nodig bij geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt. Ze richt zich op het oplossen van spanningsrelaties tussen partijen. Zij schakelt, als ze dat in de gegeven situatie nodig vindt, externe deskundigen in.
2. De commissie streeft ernaar het geschil te beëindigen door een regeling op te stellen of een advies te geven waarmee de betrokken partijen kunnen instemmen. Een advies kan inhouden dat partijen of een van hen het geschil ter beslissing of verdere advisering aan een kerkelijke of andere instantie voorlegt. De commissie kan ook verklaren niet in staat te zijn partijen verder te dienen.
3. De commissie probeert de vrede te herstellen door met partijen te spreken om zicht te krijgen op de onvrede, door het gesprek tussen partijen te bevorderen en door partijen te adviseren over en op welke manier zij ook zelf kunnen bijdragen aan het bereiken van een oplossing.
4. De commissie treedt niet op als vertegenwoordiger of belangenbehartiger van een der partijen, maar stelt zich onafhankelijk op jegens partijen. Zij past hoor en wederhoor toe.

Art. 4 - Het aanhangig maken van een geschil
1. Een partij die een geschil bij de commissie aanhangig wil maken, dient daartoe een schriftelijk en gemotiveerd verzoek in bij de secretaris van de commissie.
2. Op basis van de ontvangen bescheiden beoordeelt de voorzitter of wnd. voorzitter of er sprake is van een geschil in de zin van artikel 1 onder b. dan wel of het bepaalde in artikel 7 een in behandeling nemen van het geschil in de weg staat. Indien hij/zij tot het oordeel komt dat de commissie het geschil niet in behandeling kan nemen, deelt de secretaris dat onder opgaaf van redenen schriftelijk aan partijen mee.
3. De secretaris van de commissie stuurt binnen een week een afschrift van het verzoek naar de andere betrokken partij(en) en verzoekt hem (hen) om hem/haar binnen twee weken te doen weten of hij (zij) kan (kunnen) instemmen met de behandeling van het geschil door de commissie en meldt deze partij(en) dat zij de gelegenheid heeft/hebben desgewenst schriftelijk te reageren op het verzoek.
4. Indien de andere betrokken partij(en) of een van hen niet kan (kunnen) instemmen met de behandeling van het geschil door de commissie, wordt het geschil niet door de commissie in behandeling genomen. De secretaris stelt de partijen daarvan schriftelijk in kennis.
5. Indien de andere betrokken partij(en) heeft (hebben) meegedeeld met de behandeling van het geschil door de commissie in te stemmen, stelt de voorzitter een behandelcommissie samen en wijst tevens de wnd. voorzitter daarvan aan. De secretaris informeert partijen hierover.

Art. 5 - De instelling van een behandelcommissie
1. De behandelcommissie bestaat, afhankelijk van het conflict, uit drie of meer personen en wordt desgewenst bijgestaan door de secretaris van de commissie. De behandelcommissie is bij voorkeur samengesteld uit leden van het kerkgenootschap waarvan de betreffende gemeente deel uitmaakt, alsmede tenminste een persoon die lid is van een ander deelnemend kerkgenootschap. Ook wordt gerekend met de verschillende disciplines van de leden.
2. De leden van de behandelcommissie dienen vrij te staan ten opzichte van partijen en geen persoonlijke relatie te hebben met een van betrokkenen, een en ander zodanig dat zij zelfs de schijn van partijdigheid vermijden.
3. Partijen mogen onder opgave van redenen bij de secretaris bezwaren tegen een lid van de behandelcommissie indienen. Indien de voorzitter van de commissie de bezwaren gegrond acht, wijst hij een ander commissielid aan.
4. De behandelcommissie neemt zo spoedig mogelijk contact op met partijen om de bemiddelingswerkzaamheden te kunnen aanvangen.

Art. 6 - De werkwijze van de behandelcommissie
1. De behandelcommissie bepaalt haar werkwijze in overleg met partijen met inachtneming van het in artikel 3 gestelde.
2. Tot haar werkzaamheden kunnen mede behoren: het adviseren bij het opstellen van kanselmededelingen, bij het geven van informatie in het kerkblad of aan een gemeentevergadering, en het maken van gespreksverslagen.
3. Indien een partij een klacht heeft over het optreden, handelen of nalaten van een of meerdere leden van de behandelcommissie, dient deze partij de klacht schriftelijk in bij de voorzitter van de commissie. Deze doet zo spoedig mogelijk en met hoor en wederhoor uitspraak.
4. De behandelcommissie schakelt, wanneer ze dat nodig acht, externe deskundigen in om de door een der partijen gevraagde hulp te verlenen. Zij kan voor de uitvoering van haar werkzaamheden advies vragen aan en overleg plegen met het SKW.
5. De behandelcommissie brengt aan het einde van de sessie rapport uit ten behoeve van betrokken partijen.

Art. 7 - De verhouding tot kerkelijke beroepsprocedures
1. Indien een geschil onderwerp is geweest van een kerkelijke beroepsprocedure en deze procedure heeft geleid tot een beslissing van een kerkelijke vergadering waartegen geen beroep meer mogelijk is, zal de uitslag van de kerkelijke vergadering worden gerespecteerd. Die uitspraak zal geen onderwerp van discussie meer zijn.
2. Indien het geschil onderwerp is van een kerkelijke beroepsprocedure, kan het geschil op verzoek van partijen of van de beroepsinstantie naar de commissie worden verwezen. Indien het geschil door de commissie in behandeling wordt genomen, wordt de kerkelijke beroepsprocedure opgeschort. Indien de commissie meedeelt niet in staat te zijn het geschil op te lossen dan wel een of meer partijen verklaren niet met de adviezen van de commissie akkoord te gaan, wordt de kerkelijke beroepsprocedure hervat. Indien alle partijen verklaren met de adviezen van de commissie akkoord te gaan, wordt de kerkelijke beroepsprocedure beëindigd.
3. De partij die het geschil aanhangig heeft gemaakt bij de commissie, kan op enig moment de commissie verzoeken haar werkzaamheden te staken en alsnog gebruikmaken van het beroepsrecht binnen het eigen kerkverband.

Art. 8 - Geheimhouding
1. De leden van de commissie zijn verplicht tot strikte geheimhouding van hetgeen hun uit hoofde van hun lidmaatschap van de commissie bij de behandeling van geschillen ter kennis is gekomen.
2. De leden van de commissie onthouden zich van deelname aan de beraadslagingen in een kerkelijke beroepsprocedure indien deze betrekking heeft op of samenhangt met een door de commissie behandeld geschil.
3. Uiterlijk één jaar nadat de commissie haar werkzaamheden met betrekking tot de behandeling van een geschil heeft beëindigd, vernietigt zij de op het geschil betrekking hebbende bescheiden met uitzondering van de door haar uitgebrachte rapporten. Deze rapporten blijven vertrouwelijk en worden opgeslagen bij het SKW.

Art. 9 - Verantwoording
1. De commissie informeert de generale synodes/landelijke vergaderingen over het aantal door haar behandelde geschillen, de aard van de geschillen, de globale wijze van behandeling van de geschillen en het aantal bereikte oplossingen.
2. De commissie verstrekt geen inhoudelijke informatie over door haar behandelde geschillen.

Art. 10 - Kosten
1. Bij de aanvang van haar werkzaamheden informeert de behandelcommissie de kerkenraad van de betreffende gemeente over de mogelijk hieraan verbonden kosten. Kosten van een extern deskundige komen voor rekening van de betreffende kerkgemeente. Bij gemeenten kleiner dan driehonderd leden kan, afhankelijk van de financiële situatie, een deel door het betreffende kerkverband worden gedragen.
2. De commissie brengt de betreffende kerkenraad reis- en andere directe kosten die haar leden maken in het kader van hun werkzaamheden ten behoeve van het commissiewerk in rekening. Ter plaatse bestede tijd wordt in rekening gebracht ten behoeve van de kas van de commissie tot maximaal honderd euro per dagdeel, andere werkzaamheden in beginsel niet.

Artikel 11 - Wijziging van het reglement
De commissie is te allen tijde bevoegd het reglement te wijzigen. Dergelijke wijzigingen hebben geen effect op zaken die lopen. Op dergelijke zaken zal uitsluitend het reglement van toepassing zijn zoals dat bij de aanvang van de zaken van kracht was.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.