+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

5 minuten leestijd

12.

DE SCHEPPING VAN HEMEL EN AARDE IN ZES DAGEN

We onderbreken dus even de gewone volgorde van onze lessen over de leer der inspiratie van de Bijbel, omreden dat er vragen zijn, waarmee velen „zitten„, vooral onze jeugd, en die van belang zijn om er even op in te gaan. Om daarop niet te lang te laten wachten, willen we nu op deze vragen ingaan. Het gaat allereerst dus om de kwestie van de scheppingsdagen, met name over de duur van deze dagen. Hierover is in de loop der eeuwen veel verschil van gedachte geweest. De zogenaamde „zes-tijdperken-theorie„, waarbij men de zes scheppingsdagen als tijdperken aanneemt, werd als een tegemoetkoming gesteld aan de hypothesen (veronderstellingen) van de geologie, die de aarde langer van duur acht dan 6000 jaar, gezien de vorming van de aardlagen en de gevonden plant- en dierfossielen.

Vragen zijn opgeworpen als: moeten we Genesis 1 verstaan als weergave van historische werkelijkheid, of is zij alleen een dichterlijke beschrijving of een symbolische voorstelling van het grote werk Gods? Is zij „mythische inkleding?” (zie vorige les).

De Heilige Schrift verkondigt op overduidelijke wijze de volle historiciteit van Genesis 1. Toen God begon te scheppen hemel en aarde, had tegelijk het EERSTE uur van de tijd en van de ontwikkeling der dingen, de geschiedenis van hemel en aarde, geslagen. De evolutie-theorie is dus totaal verwerpelijk. (Leer van de eeuwige stof, waarbij de lagere schepselen zich hebben ontwikkeld tot hogere) Gereformeerde theologen zijn stellig van mening, dat de zes scheppingsdagen geen dagen van 24 uur kunnen geweest zijn. De eerste dag, zo zegt men, begint met de schepping van het licht; het licht noemde God „dag„, en aan die dag gaat de schepping van hemel en aarde vooraf, hoewel zij wel vanaf het eerste moment in de „vorm van de tijd” valt. Hoe lang dit geduurd heeft, zegt de Schrift niet. Eerst met de vierde dag, waarop zon, maan en sterren geschapen zijn, is een andere tijdmaat gekomen, waarop de mogelijkheid van onze tijdmaat is ontstaan.

Nu willen wij niet beweren, dat men door de onderscheiding van de eerste drie dagen en die van de tweede drie dagen ten opzichte van tijdsduur de theorieën van de geologie met haar berekeningen van de oudheid der aarde tegemoet wil komen.

O.i. is het toch veiliger vast te houden aan de mening, dat de zes scheppingsdagen gewone dagen zijn geweest en geen tijdperken.

Nu heeft men wel opgemerkt, dat de kwestie van „tijdperken” geen enkel bezwaar oplevert ten opzichte van de scheppingsdaad Gods. Want „duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren”. Dit is waar, dat staat er ook. Maar vergeten we niet, dat dit allereerst geldt van Gods Wezen Zelf. Zeker, we weten ook, dat Gods lankmoedigheid groot is en dat de Heere Zijn tijd kent ten opzichte van Zijn wegen en werk. Maar wat voor zin zou het hebben gehad, dat God bij die eerste 3 dagen een zoveel langere tijdsduur stelde. Want een feit is, dat het „in den beginne„, het eerste uur van de tijd was. Het is volstrekt niet nodig zich in deze kwestie te verdiepen. Het zou alleen dan van belang zijn voor wat de geologische wetenschap voor de dag brengt ten opzichte van hetgeen men gevonden heeft in de aardlagen.

Maar moeten en kunnen wij een betrouwbare geloofsovertuiging bouwen op de hypothesen en conclusies van de geologische wetenschapsleer? Ook deze kan niets definitiefs vaststellen omtrent berekeningen voor de oorsprongen der dingen. Wat men vandaag als zeker aanneemt op grond van bepaalde hypothesen, wordt een volgend jaar weer omvergeworpen. En wat betreft de vondsten uit de aardlagen en de vorming van de aardlagen zelf, diene de opmerking, dat de geologen niet weten of vroeger dezelfde dan wel andere omstandigheden hebben geheerst. Dr. H. Bavinck schrijft in zijn „Gereformeerde dogmatiek” deel II: „Er hebben bij het ontstaan en de formatie der dingen krachten gewerkt; er hebben tot de zondvloed toe toestanden bestaan; en er heeft in die vloed een catastrofe plaats gehad, gelijk die na deze tijd niet meer zijn voorgekomen”. Verder: „Het is zeer waarschijnlijk dat het zogenaamde tertiaire tijdperk nog tot aan de zondvloed reikt en dat diluvium en ijstijd met deze catastrofe samenvallen”.

De zondvloed is maar niet een gewone natuurramp geweest, zoals zulk een ramp plaats had in 1953 hier in ons land. We lezen, dat God de sluizen van het grote hemelgewelf en de kolken der diepte opende. Het is niet te zeggen, wat de kracht van het water toen veroorzaakte en welke veranderingen zij bracht in het hart der aarde. En zijn er niet veel verwante soorten van planten en dieren uitgestorven, al bleven de hoofd-soorten bewaard? Genoeg echter hierover.

De apostel zegt in Hebr. 11:3: „Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden”.

En verklaart de Heere Zelf niet in Zijnheilige wet: „Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is„?

Geve de Heere ons en onze kinderen dat eenvoudige en kinderlijke geloof, dat zijn vastheid alleen vindt in het onfeilbare Woord van Hem, dat ons wijst op de grootheid, wijsheid, macht en goedheid van de grote Schepper aller dingen, maar ook op de zo beslist noodzakelijke weldaad van Zijn herscheppende genade voor ons als diep gevallen zondaren. Dan krijgen we een verlicht verstand om God onze Schepper weer recht te kennen, om Hem van harte lief te hebben en met Hem in de eeuwige zaligheid te leven om Hem te loven en te prijzen (Zd. 3, H. Cat.).

R'dam-W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.