+ Meer informatie

Leven en sterven bij het licht van de Heidelberger Catechismus

11 minuten leestijd

1. De Heidelberger Catechismus en het pastoraat

De Heidelberger Catechismus is een leerboek van de kerk, waarin op iedere bladzijde de vraag wordt gesteld of we er ook wat aan hebben – nut, troost, baat en noem maar op. Dat begint al bij de eerste vraag, naar de ‘enige troost’. Er is geen andere catechismus die zó inzet als de Heidelberger Catechismus. Luther begint zijn Kleine en Grote Catechismus met de behandeling van de Tien Geboden, Calvijn opent de Catechismus van Genève met de vraag: ‘Wat is het voornaamste doel van het mensenleven?’ Zeker, ze stoten allebei meteen door naar de kern en naar het persoonlijke, maar de vraagstelling is zakelijk en past bij wat we van een leerboek verwachten: het gaat over de inhoud.

Vraag 1 van de Heidelberger Catechismus begint anders. Ursinus kijkt ons bij wijze van spreken aan en zegt: ‘neem me niet kwalijk, ik wil het graag met je hebben over wat geloven is, maar je beseft toch wel dat dat niet maar theorie is, dat het gaat om dingen van levensbelang – vertel eens: wat is jouw laatste, beslissende houvast in heel je leven – én in je sterven?’ Het antwoord op deze vraag is de toon die de muziek van de Heidelberger Catechismus maakt: ‘Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven als in sterven, niet van mijzelf ben, maar van mijn trouwe Zaligmaker Jezus Christus. Hij heeft voor al mijn zonden volkomen betaald, mij uit alle heerschappij van de duivel verlost en waakt zó over mij, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader nog geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja dat zelfs alles mij tot mijn heil moet dienen. Daarom verzekert Hij mij ook van het echte, eeuwige leven en maakt mij van harte gewillig en bereid om voortaan voor Hem te leven.’

Men heeft in 1563 niet de Heidelberger Catechismus alléén in de kerk van de Pfalz ingevoerd, maar men heeft die ingebed in een kerkorde. Daarbij moeten we niet denken aan allerlei regels en bepalingen, maar aan wat kerkorde wezenlijk is en heeft te zijn: dat de regering van Christus gestalte krijgt in de kerk en in het leven van de gelovigen. Prachtig is het te zien dat voor allerlei terreinen van het leven goede raadgevingen worden gegeven en gebeden aangereikt. Achter die kerkorde zit de gedachte dat het bijbels-reformatorisch geloof alle wettische denken, alle bijgeloof en alle ongeloof uit de weg moet helpen ruimen. Men heeft niet gedacht: dat gaat wel vanzelf, nee, men heeft als goede herders de mensen handvatten geboden.

In de kerkorde van de Pfalz staat ook een bepaling hoe men zieken en stervenden pastoraal dient te begeleiden. Aan een sterfbed blijkt wat de waarheid en kracht van een catechismus is. Een heleboel doet er daar niet meer toe. Dan heb je échte troost nodig! Wat kunnen en moeten we zieken meegeven? De kerkorde van de Pfalz zegt er het volgende van:

‘Ten eerste dat alle ziekten ons niet bij toeval overkomen, maar uit de hand van God en zijn vaderlijke voorzienigheid ons worden toebedeeld, opdat we onze zonden als de oorzaak van al onze ellende erkennen en ons voor God verootmoedigen.

Deze oorzaak van de ziekte moet de dienaar van de kerk aan die zieken die hun zonden niet werkelijk beseffen duidelijk voorhouden. Daarentegen moet hij bij een zieke die door de angsten van zijn geweten gekweld wordt diens gewonde geweten niet nog meer angst aanjagen, maar veeleer met kracht de heilzame genade van God inprenten.

Daar kan de dienaar van de kerk de eerste vraag van de Catechismus goed gebruiken; hij kan die arme zieke samen met woorden uit de Heilige Schrift op het hart binden, dat het arme, zieke lichaam, zoals dat daar ligt, mét de ziel eigendom van de Here Christus is en door het bloed van Jezus Christus van alle zonden is verlost en vrijgekocht enz..

De dienaar van de kerk moet dit tot meerdere troost door alle artikelen van het christelijk geloof de zieke uitleggen en hem laten zien, hoe hij zichzelf met elk artikel voor zijn eigen persoon in zijn ziekte moet troosten, zoals dat gemakkelijk valt te doen met behulp van de Catechismus en de daarbij aangehaalde Schriftwoorden.’

We herkennen hier moeiteloos de formuleringen van de Zondagen 1 en 10. Als ik dit lees begrijp ik wat het betekent dat de Heidelberger Catechismus de artikelen van het christelijk geloof omschrijft als de samenvatting van alles wat ons in het evangelie beloofd wordt. Ik hoor de dienaar van de kerk het artikel over de wederkomst uitleggen: ‘als je van Christus bent hoef je niet bang te zijn voor Gods gericht: de Rechter is geen ander dan Hij die tevoren al voor jou in Gods oordeel is gaan staan.’

En dat de zieken zichzelf moeten troosten, wanneer de dienaar van de kerk weg is, ja, zó is het artikel van de nederdaling ter helle natuurlijk bedoeld: ‘dat ik in mijn hoogste aanvechting verzekerd zij en mijzelf compleet vertroost dat mijn Here Jezus Christus aan het kruis de godverlatenheid heeft gedragen, opdat God mij nimmer zal verlaten …’.

Ja, aan het ziekbed, en zeker als de dood dreigt, daar laat het evangelie van de Reformatie het niet afweten, maar ontwikkelt het zijn kracht!

2. Wat was het vernieuwende van de Reformatie?

Als we hier een indruk krijgen van het pastoraat, waarop de Heidelberger Catechismus toegesneden is, is het goed om te bekijken wat het vernieuwende ervan was. Hoe was het in de eeuwen ervóór? Een rondje kerkgeschiedenis.

In de Vroege Kerk werd de doop gezien als afwassing van de zonden. Dat wil zeggen: van de zonden die je vóór die tijd had gedaan. Maar als het nu daarna opnieuw echt misging? Dan was er de boete, maar die kon maar één keer in het leven plaatsvinden. Men hoopte daarom op een sterfbed, waarop men zich kon voorbereiden. Velen stelden hun doop uit tot op hun sterfbed. Dan was je tenminste zeker dat je zonden afgewassen waren! Wat wij een mooie dood noemen, wegglijden in je slaap, vond men toentertijd zo ongeveer het ergste dat je kon overkomen.

Toen het evangelie enkele eeuwen later onze streken binnenkwam, had de boetepraktijk al de nodige veranderingen ondergaan. Ze werd niet meer gezien als iets eenmaligs, maar ze kon in principe telkens weer herhaald worden. De bedoeling was natuurlijk niet dat de mensen er maar op los leefden, maar het gaf hun wel perspectief dat ze hun zonden konden belijden, boete doen en vergeving verkrijgen.

Gedurende de Middeleeuwen hebben ziekten en oorlogen West-Europa geteisterd. ‘Midden in het leven zijn wij door de dood omgeven’, zong men. Mensen waren panisch voor de dood. Het ontbrak velen aan geloofszekerheid. Wie de schilderijen uit de late Middeleeuwen bekijkt ziet hoe de duivels met hun martelinstrumenten de mensen ondraaglijke angst aanjoegen.

In die Middeleeuwen ontstaat ook een nieuw soort christelijke literatuur: die van de ‘ars moriendi’, dat is: ‘de kunst van het sterven’. Het waren geschriften voor mensen die moeten gaan sterven, maar ook voor de mensen om hen heen en – dat vooral – voor mensen die hen moeten begeleiden. Die boekjes prenten de mensen in dat ze het vooral niet licht moeten opnemen, maar moeten biechten en de boete opbrengen die de kerk hun oplegt. De toon is ernstig – het gaat om het eeuwig heil –, maar de mensen worden niet echt bij Christus gebracht. Aflaten maakten het mogelijk het zielenheil van overleden geliefden als het ware te ‘kopen’ met wat er aan overtollige goede werken in de schat van de kerk aanwezig is. ‘Als het muntje in het kistje klinkt, het zieltje in de hemel zingt’ was een aansprekende reclameleus in die tijd! Het effect was dat oppervlakkige mensen dachten dat ze het allemaal niet zo ernstig behoefden te nemen, maar dat meer serieuze mensen zich met een gekweld hart afvroegen of zo'n aflaat wel echt soelaas bood.

Dan wordt het Reformatie. En meteen komt er een hele stroom aan boekjes op gang over hoe je zalig leven en sterven kunt. Mensen worden niet langer teruggeworpen op zichzelf, ze hoeven het ook niet te doen met het woord van de kerk, ze mogen leven van ‘ik heb het zelf uit zijn mond gehoord’, uit de mond van Christus. Nu, dan moet je ernstig zieken en stervenden voorhouden: Midden in het leven zijn wij niet alleen door de dood omgeven, maar ook en beslissender: geborgen in Christus! Leven is nu al sterven: de oude mens sterft, de nieuwe staat op, die een innige vreugde heeft in God door Christus en lust en liefde heeft om naar ál Gods geboden te leven. Je bent iemand die grond onder de voeten heeft in God, in zijn belofte, in Christus, in de doop, in de omkering van het leven: je hoeft geen oogkleppen op en het leven zo lang mogelijk zien te rekken, maar je kunt de dood onder ogen zien, omdat Christus erdoorheen gegaan is en jij achter Hem het leven mag binnengaan.

3. Ursinus’ Vermaning (1563)

De Heidelberger Catechismus verschijnt in 1563, in datzelfde jaar nog breekt een pestepidemie in Heidelberg uit. Velen vluchten, maar de ziekte maakt ook veel slachtoffers. Ursinus blijft en schrijft in datzelfde jaar een boekje: Erinnerung. De titel zal een zinspeling zijn op de leus ‘Memento mori’: Gedenk te sterven.

Ursinus opent dit boekje met uiteen te zetten dat het hem erom gaat dat de doden op een goede christelijke manier begraven worden. Zoals hij het voorstelt is zijn doel dus vooral diaconaal. Dat neemt niet weg dat zo'n praktijk ook vraagt om een ‘christelijke en noodzakelijke overdenking van de dood voor wat ons heil betreft’. Die ‘overdenking’ deelt Ursinus in vier paragrafen in:

1. In wat voor gevaar bevinden we ons?

2. Wat is de oorzaak van onze dood?

3. Hoe kunnen we onszelf en onze geliefden oog in oog met de dood troosten?

4. Hoe dienen we ons voor te bereiden op een zalig sterven?

Ursinus begint ermee te onderstrepen dat Gods toorn op ons rust vanwege onze zonden en dat daarom alleen de volkomen genoegdoening van onze enige Zaligmaker Jezus Christus voor onze zonden kan betalen. In de tweede paragraaf houdt hij zich bezig met de vraag wat de oorzaak van onze dood is en zet hij uiteen dat Gods gerechtigheid en zijn liefde tot de waarheid vereisen dat de zondaar eeuwige straf opgelegd zou krijgen. Er is maar één manier om hieraan te ontkomen, namelijk dat iemand anders in onze plaats genoegdoening geeft aan Gods gerechtigheid en compleet betaalt voor onze zonden.

In de derde paragraaf citeert Ursinus vraag en antwoord 60, maar hij vlecht er een element uit het Formulier voor de viering van het avondmaal uit de kerkorde van de Palts doorheen:

‘God belooft aan allen die geloven in Jezus Christus dat Hij, enkel uit genade, en zonder enige verdienste van hun kant hun de volkomen genoegdoening van Christus schenkt en toerekent, op zo'n manier, dat al hun zonden en ongehoorzaamheid, als ook hun zwakheden, verkeerde driften en overtredingen, worden verzoend – zo volkomen, alsof zij zelf voor al hun zonden hadden betaald en Gods geboden vervuld.’

In wat er verder volgt zet Ursinus de weldaden van doop en avondmaal uiteen. Daarin kunnen we ook weer verschillende vragen en antwoorden van de Heidelberger Catechismus herkennen. Het accent ligt steeds op de vergeving van de zonden, dankzij de genoegdoening die Christus verwierf door voor ons te sterven aan het kruis.

Dit korte overzicht is voldoende om te zien dat de nadruk in Ursinus’ Erinnerung op het leerstuk van de verzoening ligt. Hij geeft hier in kleine munt uit wat hij in de Zondagen 5 en 6 van de Heidelberger Catechismus daarover had uiteengezet, in aansluiting bij de grote middeleeuwse theoloog Anselmus. Opmerkelijk is dat juist aan deze Anselmus de eerste ars moriendi wordt toegeschreven.

4. Wat troost het ons?

In het voorgaande is gebleken dat de Heidelberger Catechismus meteen werd ingezet om te doen wat een goed christelijk leerboek dient te doen: mensen daadwerkelijk troosten. Maar het troosten in het aangezicht van de dood is niet het enige! Het is een troost in leven en sterven. Het gaat in dit leven om de opstanding van de nieuwe mens, die lust en liefde heeft om naar al Gods geboden te leven. De Heidelberger Catechismus is een boek dat ons leert te léven. Tegelijk maakt het ons duidelijk dat we alleen dan christelijk, vol vertrouwen kunnen leven, wanneer we in Christus weten van vergeving en een nieuw menszijn – en dus in de diepste zin van het woord de dood achter ons hebben.

Prof. dr. Den Hertog (1949) is hoogleraar aan de TUA in de systematische vakken

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.