+ Meer informatie

"Nederlander moet weer industriewerk gaan doen''

OESO: Verlaging sociale uitkeringen nodig

3 minuten leestijd

DEN HAAG — De Nederlander moet weer tot werken in de industrie worden geprikkeld, zegt de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) in haar jaarlijkse beschouwing over de Nederlandse economie.

De OESO maakt zich zorgen over het aantal mensen in ons land, dat zich door welke reden dan ook laat weerhouden van arbeid in de meer produktieve sectoren van de Nederlandse economie. Dat aantal, zegt de OESO, is naar alle waarschijnlijkheid aanzienlijk. Tot hen behoren niet alleen die werklozen en marginaal arbeidsongeschikten (waarbij de OESO arbeidsongeschikten tussen aanhalingstekens schrijft), die onvoldoende geprikkeld worden tot het zoeken naar werk, maar ook overtollige arbeidskrachten, die met steun van de openbare middelen aan het werk worden gehouden in niet-lonende activiteiten.

Uitkeringen
Om meer arbeidskrachten naar de industrie te trekken is het volgens de OESO noodzakelijk dat de sociale uitkeringen voor het inactieve deel van de beroepsbevolking worden verlaagd in verhouding tot de inkomens uit beroepsarbeid en dat men daartoe overgaat in de industrie hogere lonen te betalen dan in andere activiteiten.

Dit zal op middellange termijn resultaten opleveren en het aanbod van arbeidskrachten voor de potentieel meer produktieve sectoren van de economie doen toenemen. De koppeling van de sociale uitkeringen aan de lonen zal tot op zekere hoogte ongedaan moeten worden gemaakt en de sociale uitkeringsnormen voor bepaalde categorieën van uitkeringsgerechtigden (zoals de niet echt „arbeidsongeschikten") zullen moet worden herzien.

Belastingen
De OESO ziet ook ruimte voor belastingwijzigingen, die de prikkel tot werken verhogen. De stijgende aardgasbaten scheppen volgens de OESO ruimte voor verlaging van de belastingtarieven, waardoor de groeimogelijkheden van de Nederlandse economie zouden worden vergroot. Die belastingverlagingen zouden ook de sterk teruggelopen gezinsbesparingen, waarover de OESO zich eveneens zorgen maakt, stimuleren.

De OESO komt tot haar aanbevelingen na te hebben geconstateerd dat binnenlandse omstandigheden in ons land voor een deel schuld zijn aan de ongunstige economische ontwikkelingen in het lopende jaar tot dusver. De slechte gang van zaken is niet alleen toe te schrijven aan de tweede olieschok van 1979/80 en de recessie in grote industrielanden. Reeds in 1978/79 toen de buitenlandse vraag nog groot was en toen de ruilvoet nog niet was begonnen te verslechteren, wat er in Nederland betrekkelijk geringe groei van produktie en investeringen, hoge werkloosheid, problemen met de staatsfinanciën, onvoldoende winstgevendheid in de bedrijvensector en een tekort op de betalingsbalans, dat te hoog is voor een op energiegebied toch in wezen zelfgenoegzaam land.

Gedragspatroon
Deze problemen zijn de laatste jaren blijven bestaan ondanks frequente beleidsmaatregelen en ondanks een hoge mate van overeenstemming tussen de sociale partners, die echter ten koste van toenemende structurele verstoringen in de economie is gegaan. In Nederland, aldus de OESO, lijkt zich een zichzelf in stand houdend gedragspatroon te hebben ontwikkeld, dat tot uiting komt in een royaal stelsel van sociale zekerheid, een omvangrijke collectieve sector, een geslaagd inkomensbeleid (waarmee de OESO vermoedelijk doelt op verkleining van inkomensverschillen) en een krapper wordende monetaire situatie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.