+ Meer informatie

De "platte aarde" vóór en in Columbus' tijd: een hardnekkige mythe

10 minuten leestijd

„Als we haar (= de aarde) vergelijken met de grootte van de hemel, moeten we dan niet met de filosofen erkennen dat ze maar een klein bolletje is?" Een bolletje. Dat schreef Calvijn in een preek over Job, slechts enkele tientallen jaren na de ontdekking van Amerika door Columbus. Toen heerste nog de mening dat de aarde plat was, denken we. Uit de literatuur blijkt echter dat men reeds ver voor Columbus, zelfs al voor de christelijke jaartelling, tot het besluit kwam dat de aarde rond moest zijn. Maar hoe is die mythe van de platte aarde dan in de geschiedenisboeken beland?

Toen ik het eerste Terdegenummer van dit jaar in handen kreeg (15 januari 1992), werd mijn aandacht getrokken door een artikel over Columbus. Ik was erg benieuwd of het bekende verhaal erin zou staan van de platte aarde, waar je onherroepelijk af zou vallen... Het stond er inderdaad in, op blz. 5, onder het kopje Kerkelijk verbod. Ik citeer: „In die tijd meende men dat de wereld even ten westen van de Canarische eilanden ophield te bestaan. Wie het waagde daar voorbij te gaan, zou van de aarde af tuimelen en in een wereld terechtkomen van monsters en gedrochten. Vanuit dat standpunt werden de kaarten, onder anderen door Ptolemeüs, ook getekend. Westelijk van Europa was er niets, de kerk verbood elke reis in die richting."

Verzinsel
Dit stukje staat bepaald niet op zichzelf Niet alleen in allerlei populaire geschiedenisboeken, maar ook in leerboeken voor het voortgezet onderwijs komen we de platte aarde tegen waarin de middeleeuwers en de tijdgenoten van Columbus geloofd zouden hebben. Welnu, deze platte aarde is een verzinsel uit de negentiende eeuw, dat helaas in de twintigste eeuw nog altijd springlevend is. Het kan natuurlijk best zijn dat heel wat 'gewone' middeleeuwse mensen inderdaad in een platte aarde geloofden, zoals er bij hen wel meer ideeën leefden die ons nu vreemd voorkomen. Ze hadden immers letterlijk en figuurlijk dikwijls maar een beperkte horizon: velen kwamen hun leven lang niet verder dan hun geboortedorp. Maar, en daar gaat het hier om, dat doet voor de onderneming van Columbus niets ter zake. Net zo goed als in de jaren zestig de mogelijkheid van maanreizen door argumenten van -al dan niet vermeende- deskundigen werd beslist, zo werd ook de vaart naar het Westen sinds 1486 bediscussieerd door een commissie van mensen die in ieder geval niet in een platte aarde geloofden. En precies zoals er in 1969 critici waren die het brengen van mensen op de maan onverantwoordelijke waaghalzerij vonden, waren er ook in 1492 lieden voor wie het plan van Columbus de dwaasheid gekroond was, omdat hij zich immers met zijn mannen op een volslagen onbekende open zee moest wagen.

Oudheid
Waar het om draaide was uiteraard de kwestie: hoe groot is de afstand die in westelijke richting moet worden gevaren om vanuit Spanje in Oost-Azië (veelal Indië genoemd) te komen? Om die vraag van tevoren te kunnen beantwoorden, moet je twee andere problemen oplossen, namelijk hoe groot is de omtrek van de aarde en hoe lang is de route over land naar Oost-Azië (op dezelfde breedtegraad als de vaarroute)? Om enig inzicht te krijgen in de antwoorden die door Columbus op deze vragen gegeven werden, moet ik eerst terug naar de Oudheid. Zoals bekend is de Westeuropese cultuur diepgaand beïnvloed door de filosofie en de wetenschap van de Grieken. Reeds Pythagoras had in de zesde eeuw voor Christus aangenomen dat de aarde de vorm van een bol had, maar vooral sinds Plato (427347 voor Chr.) en Aristoteles (384-322 voor Chr.) werd deze gedachte door de Grieken algemeen aanvaard. Aristoteles voerde er als eerste argumenten voor aan die op waarneming gebaseerd waren. Ik noem er èèn van (dat overigens strikt genomen alleen een bewijs is voor de kromming van de aarde in de Noord-Zuid-richting): wie naar het Zuiden reist en daarbij de sterrenhemel in de gaten houdt, ziet dat deze als het ware kantelt, zodat je bij voorbeeld in Egypte sterren kunt zien die je in Griekenland niet ziet en omgekeerd.

Calvijn
Bovendien merkte Aristoteles op dat een reiziger niet eens zo'n grote afstand in zuidelijke richting behoeft af te leggen om deze verandering aan de hemel op te merken. Dat betekent dus dat de aarde nogal sterk gekromd is en dat haar omvang ten opzichte van de afstand tot de hemellichamen erg klein is. En dat is precies wat Calvijn in de geciteerde preek opmerkte, vertrouwd als hij was met de Griekse denkers, die in zijn tijd nog een groot gezag hadden. De wetenschappelijke studie van de aarde begint bij Eratosthenes (3e eeuw voor Chr.), die als eerste met behulp van eenvoudige wiskunde en een dosis geluk een vrij nauwkeurige bepaling deed van de omtrek van de aarde. Ze vindt een voorlopige afsluiting in de Geographia van de bekende astronoom en geograaf Claudius Ptolemeüs (2e eeuw na Chr.), die overigens voor de omtrek van de aarde een te kleine waarde opgaf (ca. 30.000 km in plaats van de juiste waarde van ca. 40.000 km). Al is er wel onzekerheid over de preciese grootte van de door Eratosthenes en Ptolemeüs gebruikte stadie, de lengtemaat die we ook uit de Bijbel kennen (geschiedenis van de Emmaüsgangers).

Bol op platte kaart
Ptolemeüs was de eerste geograaf die regels gaf voor het weergeven van delen van de aardbol op een vlakke kaart. Hij gaf twee projecties die redelijk voldoen voor het door hem in kaart gebrachte deel van de aarde: Europa, Azië en Afrika, voor zover bewoond geacht. De Geographia werd rond 1400 herontdekt en de vertaling ervan werd in 1406 en 1409 aan de paus opgedragen. Het zal de lezer inmiddels duidelijk geworden zijn dat de de medeling over Ptolemeüs in het citaat uit Terdege wat vreemd is: hij lijkt daar een middeleeuwer te zijn en in een platte aarde te geloven... Gezien de diepgaande invloed van het Griekse denken op de westerse cultuur zal het nu niemand meer verbazen dat er slechts weinig ontwikkelde christenen waren in de Oude Kerk die de bolvorm van de aarde verwierpen. De twee bekendste die aan een platte aarde vasthielden, zijn de kerkvader Lactantius (240-320) en Cosmas de Indivaarder (ca. 550). De laatste leefde na de val van het Westromeinse rijk, toen veel van de klassieke wetenschap en cultuur onbekend geworden was. Als in de twaalfde eeuw vele tot dan toe onbekende werken van Aristoteles en andere Griekse denkers in WestEuropa bekend worden, ontmoet de bolvorm geen tegenstand meer. In de dertiende eeuw is zij voor de gezaghebbende theoloog Thomas

Op de hoogte
Toen Columbus op het idee kwam een vaart in westelijke richting te beproeven, was hij hiervan volledig op de hoogte. Hij kende een groot aantal werken over astronomie, geografie en natuur- en reisbeschrijvingen (werken van o.a. Strabo, Ptolemeüs, Phnius, dAilly en Marco Polo). Bovendien was hij bekend met de vorderingen van de Portugese ontdekkingsreizigers. Op grond van diverse aanwijzingen in zijn bronnen nam Columbus niet alleen met Ptolemeüs een te kleine omtrek van de aarde aan, maar bovendien kwam hij tot de conclusie dat Europa en Azië een groter gedeelte van het aardoppervlak besloegen dan de kwart moot van de aardbol die algemeen werd aangenomen. In die richting wezen althans uitspraken van enkele antieke geografen. Zo citeerde de Franse theoloog en cosmograaf Pierre dAilly (1350-1420) in zijn Imago Mundi (1410), de uitspraak van Seneca dat de zee van WestAfrika tot Oost-Azië bij gunstige wind in enkele dagen overgestoken kan worden.

Te kleine afstand
Columbus bezat een exemplaar van dit werk, dat met zijn aantekeningen bewaard gebleven is. Ook het reisverslag van Marco Polo (1254-1324), de eerste Europeaan die het Verre Oosten heeft beschreven, leek de gedachte aan een groot Aziatisch continent te ondersteunen, terwijl we dit denkbeeld eveneens terugvinden op een in 1492 door de zeevaarder Martinus Behaim (1459-1507) vervaardigde globe. En stond in het -voor ons apocriefe- bijbelboek 4 Ezra 6:42 niet dat de aarde maar voor een zevende deel uit water bestond? Mede op grond van gegevens die hij van de Florentijn Paolo ToscanelH (1397-1482) had gekregen, kwam Columbus ertoe de door hem te bevaren route van de Canarische eilanden tot Cipango 0apan) te bepalen op 2400 zeemijlen, terwijl deze afstand in werkelijkheid ca. 10.000 mijl bedroeg. 

Riskant Dat betekent dat hij Japan situeerde ongeveer op de plaats waar in werkelijkheid de Westindische eilanden liggen. Toen hij dan ook op zijn eerste reis bij een van de Bahama's terechtkwam, meende hij een Japans eiland bereikt te hebben. Tot zijn dood toe (1506) bleef de '(her)ontdekker van Amerika' ervan overtuigd dat hij op zijn zeereizen een gedeelte van Oost-Azië had verkend. Nog in 1490 had een door het Spaanse hof benoemde commissie Columbus' voorstel om naar het Westen te varen verworpen, gezien de vele risico's die de "Westvaarders" zouden lopen vanwege de grote afstand. De zeevaart was in die tijd nog grotendeels kustvaart en dat was al riskant genoeg. Maar dank zij de veel te kleine afstand, zoals Columbus die berekend had, gelukte het hem uiteindelijk de Spaanse koning Ferdinand en koningin Isabella ervan te overtuigen dat zijn plan om naar het westen te varen uitvoerbaar was.

Anticlericaal klimaat Een platte aarde speelde in deze discussie totaal geen rol. Maar dan rijst natuurhjk de vraag: hoe is de wijdverbreide gedachte dat de middeleeuwers in een platte aarde geloofden, dan eigenlijk ontstaan? Dat is vooral het gevolg van aanvallen van negentiende-eeuwse auteurs op het christendom in het algemeen en op de rooms-katholieke kerk in het bijzonder, waarbij met name het anticlericale klimaat in het Frankrijk van na de Franse revolutie een belangrijke rol gespeeld heeft. Hoewel ook diverse oudere werken invloed hebben gehad, legde vooral de felle polemicus Antoine-Jean Letronne (17871848) in een artikel "On the cosmological opinions of the church-fathers" (1834) de basis voor allerlei onjuiste ideeën over de opvattingen van kerkvaders en middeleeuwers, die door anderen kritiekloos werden overgenomen. De meest platte vorm van de platte-aarde-idee is die waarin de middeleeuwse zeelui in de schoenen wordt geschoven dat ze doodsbang waren om van de rand af te vallen of in een of ander gat in de oceaan te storten. Dit laatste is bijvoorbeeld te vinden in de tweedelige "History of the warfare of science with theology in christendom" (1896) van de Amerikaanse polemicus A.D. White (deel 1, blz. 97, vertaald): „Menig stoutmoedig zeeman die voor piraten en stormen niet terugdeinsde, beefde bij de gedachte om met zijn schip in een van de openingen in de hel te tuimelen, die een algemeen geloof ergens in de Atlantische Oceaan lokaliseerde, op onbekende afstand van Europa. Deze angst onder zeelui was een van de voornaamste obstakels voor de grote reis van Columbus." Dit boek van White en het werk "The history of the conflict between religion and science" (1873) van de Amerikaanse chemicus en historicus J.W. Draper zijn de belangrijkste bronnen geworden voor twintigsteeeuwse schrijvers over de relatie tussen geloof en wetenschap, inclusief het thema van dit artikel. Vandaar dat de mythe van de platte aarde tot vandaag de dag toe telkens weer opduikt. Mijn conclusie is hopelijk duidelijk: ook schrijvers uit de reformatorische traditie die deze op haat tegen het christendom gebaseerde mythe hebben overgenomen, doen er goed aan haar zo snel mogelijk uit hun boeken te bannen en hun lezers te vertellen hoe de vork in de steel zit... Literatuur: M. Franssen, "Archimedes in bad: mythen en sagen uit de geschiedenis van de wetenschap" (Amsterdam, 3e ed. 1991) hfdst 2. L.C. Palm, "Columbus' wereldbeeld", Natuur en Techniek 60,4 (1992) 236245. J. Russell, "Inventing the flat earth", History Today (aug. 1991) 13-19.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.