+ Meer informatie

Vernieuwing in de zestiende eeuw

„Moderne" poëzie van Jan van der Noot

3 minuten leestijd

„Moderne" poëzie van Jan van der Noot

De dierengedichten van Harriët Laurey zullen wellicht door sommigen niet goed zijn begrepen. Toch waren dit verzen die niet zo onbegrijpelijk zijn. Er zijn uit de naoorlogse poëzie wel gedichten aan te wijzen, die op het eerste gezicht als onzin zullen uitgemaakt worden. Elke tijd heeft zijn bizondere weergave in de kunst. Wij worden ook aan de vormgeving gewend. Misschien zal dit later ook zo zijn met de

nieuwste voortbrengselen uit de Nederlandse letterkunde. Zo onwennig zullen ook de gedichten geklonken hebben, toen na de Middeleeuwen de voorlopers van de Renaissance zich lieten horen. De Renaissance is de naam voor de nieuwe richting op het gebied van de kunst.

Uit Italië was die richting via Frankrijk naar ons land over gekomen. Als voorlopers van die stroming kunnen genoemd worden: Lucas de Ileere, Houwaert, Jan van der Noot, Carel van Mander en Jan van Hout.

Van deze is Lucas de Heere bekend om zijn psalmberijming. Van Jan van der Noot wordt gezegd: „zonder hem was er geen Hooft geweest, zonder hem geen Vondel...."

Van der Noot werd in 1539 te Brecht bij Antwerpen geboren uit een oud adellijk geslacht. Hij was eerst hervormingsgezind en vluchtte voor Alva naar Londen in 1568. In dit jaar schrijft hij „Theatre oft Toormeel". Hierin worden de Roomsen uitgescholden als beestelijke ezels en wordt geklaagd over de wrede beul Alva. Een jaar of elf zwerft de dichter rond, in Spanje en Frankrijk, om tenslotte naar Brabant terug te keren. Hij schijnt later afvallig geworden te zijn.

Naast zgn. wereldlijke poëzie vond ik van hem ook het volgende sonnet. De sonnetvorm was de modevorm geworden van de Renaissance-richting. Het is een vorm die veel meer gebonden is als de Middeleeuwse wijze van dichten. Het moet dan ook wel vreemd in de oren geklonken hebben. Toch spreekt de inhoud ons aan, als we van Van der Hout lezen:

GEBED.

Gelukkig is de mens, die naar de wil des Heeren Met ganser herten leeft, zoekende t' allen tijden Hem te dienen met vlijt, 't zij in vreugd of in lijden, Zoekende ook overal Zijne lof te vermeren.

Want ziet, alzulken mens zal hem altijd afkeren Van alle werken kwaad, die tegen de geest strijden; En zal hem (dat is meer) in alle goed verblijden. Door Gods Geest, die hem drijft, zal hij God altijd eren.

Och, leer mij ook, mijn God, alzo door Uw genade, Leven naar Uwe wil, dienende U vroeg en spade. Want zij worden vertroost, die U van harte zoeken.

Dus vertroost mij, mijn God, en verhoort nu mijn klagen Want ik zoek toch altijd U alleen te behagen. Maar naar dat ik ben zwak, Heer, wilt mijn geest verkloeken.

We horen, dat het voor Van der Noot nog niet meevalt om de nieuwe verstechniek te beheersen. Hier en daar is de maat zoek, wat evenwel een grote levendigheid aan het sonnet geeft.

Naast deze voorboden moeten ook genoemd worden: Coornhert, Roemer Visscher en Spieghel, die veel hebben gedaan om de nieuwe ideeën door te doen dringen.

Tot die voorlopers behoorden ook (zoals al werd opgemerkt) Jan van Hout, die grote bekendheid heeft gekregen uit de geschiedenis van "het beleg van Leiden, waar hij secretaris was. Zijn volledige dichtwerken moesten in handen gesteld van zijn vriend Prof. Bertius, zo stond er in zijn testament. Tot nu toe zijn die werken nog niet gevonden. Hij was bizonder gekant tegen de vorm die de Rederijkers gebruikten. Deze laatsten werden door hem gescholden als „zwijnen". Krachtig pleitte hij voor het gebruik van eigen taal.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.