+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

19

Nu volgt hoofdstuk VI: SYMBOOL EN WERKELIJKHEID

Eerst vraagt prof Oosterhoff aandacht voor De symbolische taal. Daarbij komt hij terug op wat hij in vorige hoofdstukken al gezegd heeft We vinden hier een soort samenvatting, waarin de schrijver zijn standpunt verdedigt We achten het van belang het begin hier over te nemen.

„Gen 2 en 3 verhalen ons feiten, maar deze worden ons meegedeeld in symbolische taal Dit is een wijze van weergave, die velen van ons westerlingen vreemd is en daarom moeilijk te aanvaarden Dichters en schilders beoefenen haar nog, maar overigens kennen wij eigenlijk alleen de exakt-historische beschrijving van de weikelijkheid, waarbij de feiten zo exakt en adekwaat mogelijk moeten worden weergegeven Ten onrechte hebben wij die wijze van geschiedschrijving vaak toegepast op de verhalen in de bijbel. Niet dat deze verhalen geen feiten en werkelijkheden beschrijven, maar deze beschrijving geschiedt op een eigen wijze. Het gaat de bijbelschrijvers dikwijls niet om die exaktheid, die wij verlangen bij de beschrijving van de werkelijkheid. Het gaat hen om de boodschap en de boodschap oefent dikwijls invloed uit op de wijze, waarop de feiten worden meegedeeld. Een duidelijk voorbeeld daarvan hebben we in de manier waarop de verschillende evangelisten de woorden en daden van Jezus verhalen. Ieder van hen maakt daaruit een keus, groepeert en beschrijft ze op eigen wijze in verband met de bedoeling, die elk van hen met zijn evangelie heeft.

In de oudtestamentische geschiedschrijving zien we precies hetzelfde. De verschillen tussen de boeken Samuel en Koningen enerzijds en het boek Kronieken anderzijds hangen samen met opzet en bedoeling die de schrijvers met hun geschiedwerken hebben, waardoor zij uit de feiten elk op eigen wijze kiezen en die belichten. Daarom laat de Kroniekschrijver, die het koningschap van David en Salomo wil tekenen als het theokratische ideaal, alles weg wat op hen een verkeerd licht zou kunnen werpen. Bij onze opvatting van geschiedschrijving zou dat wellicht niet mogelijk zijn of althans als subjektieve en eenzijdige geschiedschrijving worden aangemerkt. Maar wij moeten niet onze opvatting van geschiedschrijving toepassen op de geschiedschrijving, die wij in de bijbel hebben. Trouwens is onze opvatting van geschiedschrijving ook nog niet betrekkelijk jong en had men bv. in de middeleeuwen niet een andere opvatting van geschiedschrijving dan wij in onze tijd?

Een bijzondere wijze van geschiedschrijving hebben we in de eerste hoofdstukken van de bijbel.”

Prof. Oosterhoff stelt hierbij de geschiedschrijving van de eerste hoofdstukken van de Schrift gelijk aan die van later tijd. Hij legt weer alle nadruk op de bijbelschrijvers en rept zelfs niet van de Heilige Geest, Die de eigenlijke Bijbelschrijver is. Hij gaat ervan uit, dat we hier geschiedschrijving hebben, die tot stand kwam vele eeuwen na de begin-geschiedenis der wereld. Volgens de schrijver kan de wereld wel al honderd duizend jaren hebben bestaan. Wat voor openbaring hebben de mensen tevoren gehad?

Opvallend is dat prof. Oosterhoff niet spreekt van openbaring maar van boodschap. Nu hoeft dat natuurlijk geen tegenstelling te betekenen. Het evangelie, de ganse Heilige Schrift, is de blijde boodschap. Maar in het licht van de opvattingen van de schrijver vragen we ons af of hier een bedoeling achter zit. We hebben altijd geleerd, dat de bijbel geheel, niet alleen zakelijk, maar ook woordelijk en letterlijk het woord van God is, goddelijke openbaring. Bij een boodschap gaat het niet om woord en letter, maar om de hoofdzaak. Althans wanneer we de Schrift aan bijbelschrijvers hebben te danken. Het wordt een gewoon boek, waarbij de mens aan het woord is

„Men heeft” — zo gaat prof. Oosterhoff verder — „deze hoofdstukken opgevat als een exakthistorische beschrijving van wat eenmaal bij de schepping en in het begin van de mensheidsgeschiedenis letterlijk zo gebeurd is. Alles wordt exakt-historisch en letterlijk genomen zoals het er staat: de zes scheppingsdagen, de volgorde van de scheppingsdaden, het paradijs, de paradijsrivieren, de bomen in het paradijs, de slang en zijn spreken, de cherubs, enz. Men houdt dit zelfs zozeer voor de alleen wettige opvatting inzake Gen. 1-3 dat men elk ander verstaan van deze hoofdstukken rechtstreeks in strijd acht met het goddelijke gezag van de H. Schrift en daarom absoluut verwerpelijk.

Toch is het opmerkelijk dat zelfs de meest stringente voorstanders van de letterlijke en exakthistorische opvatting Gen. 1 - 3 in deze hoofdstukken beslist niet alles letterlijk nemen. Ik wees daar reeds eerder op.

Met name worden de anthropomorfismen (de mensvormige spreekwijzen over God) van het letterlijk verstaan buiten gesloten. En die zijn er opvallend veel in Gen. 2 en 3: God „formeerde” de mens „van stof uit de aardbodem” en „blies de levensadem in zijn neus” (Gen. 2 : 7 ) . .” En verder „Er zijn weinigen die dit alles letterlijk nemen. Dat is begrijpelijk. Het is moeilijk bij deze zegswijzen zich een letterlijke voorstelling te maken.”

Ondanks de bezwaren van prof. Oosterhoff houden we ons aan de letterlijke opvatting. We geloven, dat de Heere Zelf door middel van mensen op een voor ons verstaanbare wijze heeft geopenbaard wat werkelijk zo is geschied. We hebben hier al over geschreven en behoeven daar niet verder op terug te komen. Een mensvormige wijze van spreken heeft voorzover we kunnen zien niets te maken met een symbolische weergave van de werkelijkheid. Bij een mensvormige wijze van spreken gaat het om de werkelijkheid naar voren te brengen en bij een symbolische weergave verdwijnt de werkelijkheid in de mist van het verleden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.