+ Meer informatie

WEGEN EN KRUISPUNTEN IN DE DOGMATIEK

6 minuten leestijd

E. J. Beker, J. M. Hasselaar, WEGEN EN KRUISPUNTEN IN DE DOGMATIEK, Dl III, 324 blz., geb. ƒ49, 50, uitg.mij. J. H. Kok, Kampen, 1981.

Het derde deel van dit dogmatische handboek bevat een zeer uitvoerig historisch overzicht over de Christologie, beginnende bij de Vroege Kerk en eindigende met christologische kernvragen in de twintigste eeuw. Aan dit gedeelte liggen doctoraalcolleges ten grondslag van de theologische faculteit van de A'damse universiteit (o.a. van Breukelman over de verzoening in bijbels perspectief en C. W. Mönnich wiens bijdrage over de Verlichting onverkort is opgenomen). In een woord ter inleiding wordt gewezen op de betekenis van Israël voor het theologisch denken. Ook in de reeds verschenen delen komt Israël verscheidene malen ter sprake. — Vrij korte samenvattingen worden gegeven van de beschouwingen en beslissingen in de oude kerk, van Justinus Martyr tot Johannes Damascenus. De kerk heeft nooit ook in haar hellenistisch spraakgebruik haar verbondenheid met Israels erfenis tot onherkenbaarheid verloochend. — Bij Gregorius van Nyssa trof mij de woordspeling: de kenosis (ontlediging) van de Zoon bracht de henosls (éénwording) van de mens met Gods eigen heerlijkheid. — Bij Augustinus is een direct verband tussen de christologie en de leer van de erfzonde en de verkiezing. — De persoon van Christus is het geheim der openbaring. — De kerk heeft in Chalcedon niet bedoeld het geheim van de openbaring op te lossen. Het wonder van Jezus' mensheid was (ook) in de 19e eeuw de steen des aanstoots. De vraag wordt gesteld: Halt houden bij Chalcedon? (zo o.a. Korff; anders Miskotte, Noordmans). De geschiedenis toont de dominante positie van de christologie over alle terreinen van kerkelijk denken en handelen. — In het gedeelte over de Middeleeuwen wordt uitvoerig gewezen op de betekenis van Anselmus' Cur Deus homo? De schrijver acht het onjuist te zeggen, dat Anselmus' denkwijze tot depersonalisa­ tie en verzakelijking geleid heeft. Hij heeft grote invloed uitgeoefend op de opvattingen van de Reformatie. — In verband met de discussie met de Lutheranen over het extra-calvinisticum wordt een woord van Calvijn (Inst. III-13, 4) aangehaald. Gods Zoon heeft Zijn goddelijke macht als het ware verborgen gehouden. De ontlediging wijst naar Zijn majesteit, waarvan de glorie ons nu nog verborgen is. Elders wordt herinnerd aan Calvijn: Hij beminde ons op wonderbare goddelijke wijze — ook toen Hij ons haatte (Inst. 11-16, 34). 'Men verstaat Calvijn verkeerd als men in de verzoeningsleer de liefde Gods ziet als resultaat (effectus) van de verzoening van de Middelaar en niet als bron en oorsprong' (Emmen). — De betekenis van Voetius is ongetwijfeld, dat hij principiële weerstand bood tegen de zuigkracht van het conventikel. (Inderdaad, dat óók!) Geen ongelijk heeft de schrijver als hij zegt: bij menige piëtistische vertegenwoordiger verdringt de drang naar aanschouwelijkheid het geloof, dat leeft uit ongeziene dingen. — Een brede plaats in de geschiedenis van de christologie neemt de 19e eeuw in: van Schleiermacher tot Gabler en Von Ammon, waarin ook enige bladzijden aan Lessing gewijd zijn (een uitverkoop van waarheden in het heden is geen dienst aan de waarheid in de toekomst). Dit gedeelte eindigt met ontwikkeling in de tijd van Barth en Bultmann, die beiden zich distamtieerden van het historicisme, dat openbaring tot predicaat van geschiedenis of van historische ervaring maakte.

Het tweede hoofddeel van dit derde deel bevat in discussie met Heppe e.a. beschouwingen over verzoening en genadeverbond, over Jezus Christus de Middelaar van het genadeverbond en over het drievoudige ambt van de Middelaar. Genade voor recht? Neen, de genade heeft van Godswege een eeuwige

rechtsgrond: Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen. Diepste motief van de verbondsrelatie is genade: en dat betekent dat aan de mens geen voorwaarden worden gesteld. Dat is juist. Daarachter staat: De enige voorwaarde moet in God Zelf gezocht worden en dat heet dan verkiezing. Het woord voorwaarde is hier — en ook bij de eis van bekering ten onrechte gebruikt. — — Vrij uitvoerig wordt ook de (onveranderlijke) substantie en de (veranderlijke) administratie van het genadeverbond besproken. Dit onderscheid hangt samen met de vraag over de verhouding van Oude en Nieuwe Testament. Hier is wederkerigheid in de bedoeling — dat lijkt mij niet vreemd. — Terecht wordt erop gewezen, dat de leer over Jezus Christus geen abstracte beschouwingen bedoelt. — Het geheim van de volledige mensheid van de Middelaar is het exclusieve Godsgeheim. De nadruk valt op aangenomen (vlees en bloed aangenomen). De maagdelijke geboorte wordt door Barth erkend als een teken, te vergelijken met het teken van het ledige graf. — 'In de constructie van Heppe over het werkverbond kan de incarnatie niet volledig gelden als een eerste trede fn de vernedering'. De schrijvers verzetten zich tegen de kwalificatie van Barths opvatting als chrisitomonisme. — Barth spreekt van de twee-naturen-leer als een reflexieve arbeid, maar één die tevens een kinderlijk waagstuk is van het geloof. Uitvoerig wordt ingegaan op opvattingen van Berkhof die ook in de 4e editie van zijn Christelijk geloof enige andere gedachten formuleerde, maar zijn uitgangspositie verschilt niet van Schleiermacher. — In de bespreking van de ambten wordt bij het profetisch ambt een woord van Noordmans geciteerd: de wonderen zijn gericht op de voleinding, Jezus' wonderen wekken verwachting. — Ook hier gaat het gesprek met Heppe verder, waarderend en kritiserend, bijv. over de verzoening.

Het boek eindigt met een aantal aantekeningen over de christologie van Noordmans. Hieruit een enkel woord: Aan het kruis belijden wij Jezus' goddelijkheid; bij zijn opstanding zijn menselijkheid: vere deus, verc homo. — Er moet gepredikt worden een woord van troost in een wereld zonder hoop.

Uit vele aantekeningen, die ik maakte bij de bestudering van dit diepgravende boek, geef ik enige indrukken door. De tijd van Barth is niet voorbij, dat blijkt uit dit werk.

In een woord ter inleiding wordt er op gewezen, dat als de commentaar op Heppe traditionele stof kritisch beziet de auteurs zich in de leerschool van Gunning, Barth, Miskotte en Noordmans hebben gezet.

Het grootste deel van het werk is dogmenhistorisch van karakter. Daartegenover beslaat het tweede gedeelte — 'Dogmatische perspectieven' — een honderdtal bladzijden, een toch wel Onevenredige verhouding.

Van een werkstuk van cursisten over een dogmatisch onderwerp verwacht ik dat allereerst de vraag beantwoord wordt: Wat zegt de Schrift? Dat heb ik hier gemist, des te meer onverklaarbaar nu in deze tijd de betekenis van de bijbelse theologie zozeer wordt erkend.

'k Hoop dit boek nog menigmaal te gebruiken.

H.

Bt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.