+ Meer informatie

Leren lezen : voorlezen helpt!

10 minuten leestijd

„Ha manneke, ben jij wakker? Wil jij uit je bedje? Kom dan...." Uitnodigend steekt moeder haar armen uit. Het ventje lacht en kraait. „Daar is Jeroen!", zegtmoeder en ze tilt het kind op. „Jij krijgt een schone luier van mama. En dan gaat Jeroen mee naar beneden. Kijk eens, Jeroen... hier is je beertje." Taal: eerst alleen luisteren, dan ook spreken en ten slotte lezen. De school speelt bij dat laatste een belangrijke rol, maar ook de ouders kunnen helpen.

De taalontwikkeling begint heel jong. Niets is belangrijker voor het latere leren lezen dan luisteren. Luisteren naar de taal die gesproken wordt. Die taal is niet vanzelf aanwezig. Een kind gaat niet uit zichzelf praten. Het moet geleerd worden en dat begint al op zeer jonge leeftijd.
Daarom is 'praten' met de baby, als hij uit bed gehaald wordt, een schone luier aankrijgt of wat dan ook, zo belangrijk. Dat geldt eveneens voor de kriebel- en kiekeboespelletjes, die de meeste vaders en moeders als vanzelf met hun kleintje spelen. Over de taalontwikkeling is veel meer te schrijven. In dit artikel zal het echter vooral over leren lezen gaan.

Lezen is leuk....
Op jonge leeftijd ziet het kind dat vader en moeder lezen. Ook wordt er voorgelezen voor het kleintje en de meeste kinderen vinden dat fijn. „Voorlezen is voor ouders de beste manier om hun kinderen te helpen betere lezers te worden", zegt men. Dat is waar, als er niet slechts een verhaaltje voorgelezen wordt, maar als de kinderen er ook bij worden betrokken. Moeder vraagt midden in het verhaal: „Hoe zal dat nou toch aflopen?" Of: „Weet je nog, waarom het hondje blafte?" Soms stopt ze even en maakt het kind nieuwsgierig. Het gaat nadenken of verband leggen tussen het verhaal en de alledaagse gebeurtenissen. Uit onderzoek blijkt, dat kinderen van ouders die alleen maar oppervlakkige vragen stellen of de verhaaltjes helemaal niet bespreken, minder goed leren lezen!
In een leesrijke omgeving is een kind meer geneigd om met lezen te beginnen. Ouders die zelf veel lezen, brengen hun kinderen vaak al vroeg in aanraking met boeken. Als kinderen zien dat ouders, broers en zussen genoegen hebben in het lezen, en ze ervaren het voorlezen als fijn, dan zullen ze misschien graag willen leren lezen. Maar.... vanzelfsprekend is dat niet!

Naar school
Kinderen gaan op vierjarige leeftijd naar de basisschool. Kennen en kunnen ze dan allemaal hetzelfde? Nee, natuurlijk niet. Die kleuters hebben allemaal een verschillende achtergrond. In de eerste levensjaren ontwikkelt zich de taal. De woordenschat breidt zich enorm uit, en dat is natuurlijk ook van belang bij het lezen leren.
Een kind dat in een miheu is opgegroeid waarin weinig gesproken en vrijwel nooit gelezen wordt, komt op school met (onder andere) een veel kleinere woordenschat, dan een kind uit een leesrijk milieu.
Op school wordt dan ook vooral aandacht geschonken aan het spreken en luisteren, het waarnemen en ordenen van de dingen om zich heen. Door het vertellen van juf èn de kinderen, het voorlezen en bekijken van een prentenboek en het onder woorden brengen wat daar nu te zien is, leert het kind nieuwe woorden kennen, begrijpen en gebruiken. Allerlei spelletjes en werkjes werken daar evengoed aan mee. En bij dat alles is het luisteren van het kind op school en thuis heel belangrijk.
Voor het latere leren lezen, zowel het begrijpend als het technisch lezen, is een uitgebreide woordenschat eigenlijk onontbeerlijk. Kinderen herkennen en begrijpen dan immers wat ze lezen.

Zien en horen
In de eerste twee groepen van de basisschool zal een kind ook leren om klanken te onderscheiden. Dat is niet altijd gemakkelijk. Zeker niet als er dialect gesproken wordt! Toch is het nodig, om straks te leren spellen. De letters worden in het spellen immers afzonderlijk benoemd: b - oe - k, om daarna aan elkaar geplakt te worden: boek. Ook voor het horen van het verschil tussen bijvoorbeeld de 'ui' en de 'eu' worden allerlei spelletjes en werkjes gedaan. Rijmen is zo'n spelletje. Kleuters doen dat uit zichzelf al graag. Zo rijmen ze dolgraag op de namen van hun klasgenoten of op de namen van hun broers en zussen. Niet altijd is dat even aardig en soms moeten ouders en juf het kind daar wel op wijzen. Er blijven immers genoeg woorden over om op te rijmen.
Net zoals de klanken soms moeilijk te onderscheiden zijn, geldt dat voor de sommige letters ook. Wat lijken die letters toch veel op elkaar! Om de aandacht op de details te vestigen, mag het kind bijvoorbeeld als spelletje de ene plaat met de andere vergelijken. De opdracht kan zijn: „Zoek de vijf verschillen!"

Lezen in groep 3
Leren lezen begint met losse woordjes, zoals bijvoorbeeld 'boek', 'tim' en 'toos', de globaalwoorden. Vanuit die woorden zullen de kinderen al snel moeten leren de letters los te koppelen. Het globaalwoord 'boek' wordt in stukjes gehakt: b - oe - k. Dat is analyseren. Het grootste probleem is meestal dat het kind niet los komt van de globaalwoorden. Wordt er een nieuw woord aangeboden, ook met een 'b', zoals het woordje 'boos', dan moet het kind terug naar het globaalwoord 'boek'. Pas daarna kan het het nieuwe woord gaan spellen. De 'b' wordt dus nog niet herkend en dat is toch nodig om te kunnen lezen. Er zijn dus kinderen die moeite hebben met het onthouden van letters of het herkennen van letters. In samenwerking met de school kunnen ouders hun kinderen hierin wel helpen. Soms wordt een blad vol letters meegegeven. Een van de ouders kan dan vragen: „Wijs de b eens aan, de oe, de k." Of al aanwijzend: „Wat is dit voor een letter?"

Rijtjes
Na de kerstvakantie zijn alle globaalwoorden aangeboden. Nu kunnen de kinderen gaan lezen, maar o, wat is er veel verschil! Sommige goede lezers herkennen al vlug lettercombinaties, groepen letters, zoals bijvoorbeeld: 'br'. Het woord 'broek' is dan ook snel gelezen. Voor de spellende lezer is dat moeilijker, vooral als de woorden langer worden. Elke letter moet gespeld èn onthouden worden, om er straks één woord van te kunnen maken. Maar weet zo'n kind nog met welke letter het begon te spellen, als het aan het eind van het woord gekomen is?
Om ook deze kinderen het herkennen van lettercombinaties te leren, zullen heel wat woordenrijtjes gelezen moeten worden. Pas als dat gelukt is, is het kind toe aan het direct herkennen van het woord.

Leesproblemen
Het is bekend, dat ongeveer zeven procent van de kinderen die in groep acht van de basisschool afgaan, niet kan lezen. Men noemt deze kinderen "functioneel analfabeet". Andere kinderen bleven zitten in groep 3, of zij werden verwezen naar het speciaal onderwijs. Niet alle leesproblemen zijn gelukkig zo ernstig. Op school wordt aan de 'zwakke' lezers extra aandacht besteed, maar ook vader en moeder kunnen hun kind in het leren lezen helpen en stimuleren.
Zo blijft het voorlezen belangrijk. Maar er zijn nog meer mogelijkheden. Ik noem hier zomaar enkele dingen, die in de praktijk stimulerend bleken te werken. We kunnen samen een boek lezen. Om de beurt lezen we een regel, een zin, of een heel stukje. Het boek is sneller uit, het verhaal begrijpelijker, en de animo om te lezen een stuk hoger. Je geeft als ouders je kind immers extra aandacht en dat alleen al werkt stimulerend. Willen we een boek samen lezen, dan moet dat wel aan bepaalde eisen voldoen. Het mag niet al te gemakkelijk, maar ook niet te moeilijk zijn. Op de meeste kinderboeken is tegenwoordig wel een AVI-nummer te vinden. Dat geeft een bepaalde moeilijkheidsgraad aan. Staan er korte of lange zinnen in? Worden er één-lettergrepige of meer-lettergrepige woorden in gebruikt?
De meeste kinderen van 7, 8 jaar lezen boeken van AVI-niveau 5/6. Wij kunnen dat als ouders niet zelf bepalen, maar op school weet de juf of de meester het waarschijnlijk wel.

Niet te veel
Belangstellend vragen aan je dochter of zoon naar het lezen op school, werkt eveneens stimulerend: „Laat eens horen wat je al kunt lezen?" Natuurlijk mogen we dan niet te veel eisen. Het werkt erg frustrerend voor het kind als de ouders hem telkens verbeteren, het niet vlug genoeg vinden gaan en hem vergelijken met het neefje of de buurjongen: „Die kan het al veel beter. Hoe komt dat nou?" Kinderen -ook 'zwakke lezers'- hoeven niet altijd aan het lezen gezet te worden. Spontaan proberen bijvoorbeeld veel kinderen te lezen wat op een pak melk staat. Dat kunnen we benutten: „En wat staat op dit doosje?" Of we wijzen ze, als we in de auto rijden, op de borden met plaatsnamen. „Zie je de letter van papa op dat bord?" Of: „Staat op dit bord jouw letter?" Dat bevordert op een speelse manier de letterherkenning. Zo kunnen ouders daaraan meehelpen. Voorlezen, samen lezen, om de beurt lezen, het werkt zeker stimulerend.
Maar... probeer wel geduldig te blijven. Een opmerking als: „Weet je 't nou nog niet!", werkt tegengesteld. Een kind kruipt in zijn schulp en zal niet graag iets voorlezen. Het zal in veel gevallen veel te bang zijn om het verkeerd te doen.

Groep 4
Nu is het leren lezen aangeleerd. Dat wil nog niet zeggen dat alle kinderen perfect kunnen lezen. Voor sommigen blijft het moeilijk. Het komt erop aan om ook deze kinderen op school en thuis te stimuleren om te lezen. Dat kan ook nu nog door middel van het voorlezen van een boek op het juiste AVI-niveau. Het is te proberen om op een spannend moment te stoppen. Misschien zal het kind het boek nu zelf oppakken en proberen verder te lezen. Verder is het zo dat om goed te leren lezen, veel oefening nodig is. In groep vier wordt veel gelezen. Het hoofdprobleem is meestal dat kinderen blijven spellen. Zij komen niet verder en herkennen het woord niet automatisch. Dat probleem moet op school aangepakt worden. Soms gebeurt dat door rijtjes woorden, die met dezelfde lettercombinatie beginnen, te oefenen. „Kijk", zegt de meester of de juf dan, „het begin van woord hoefje niet te spellen. Elk woord begint met 'st'." Soms krijgen kinderen zo'n blad met woorden mee naar huis brengt, om ook thuis te oefenen.
Het komt voor dat een kind in groep 4 niet meer mag of wil spellen. Niemand spelt meer in de klas. Dan zoekt het een andere mogelijkheid om de woorden te herkennen. Het gaat raden! Zo'n jongen of meisje ziet een paar letters en raadt naar het woord. In plaats van tafel leest het: afval. Het raden gebeurt ook vanuit de hele zin. De bakker bakt.... In plaats van het volgende woord te lezen, raadt het kind: brood. Maar er staat: gebak. Een radende lezer moet leren spellen, terwijl een spellende lezen meer moet leren raden, zegt men wel eens.

Serie "De Leeslamp"
Ook voor de volgende leerjaren zou over het leesonderwijs nog genoeg te schrijven zijn. Ik wil echter liever de aandacht vestigen op een serie boeken die speciaal geschreven zijn voor moeilijk lezende kinderen. Er zijn kinderen van 10-12 jaar die door onvoldoende leesvaardigheid te langzaam lezen. Maar een boek op hun leesniveau, dus een boek dat ze goed kunnen lezen, vinden ze meestal te kinderachtig. Zo'n boek sluit niet aan bij hun belevingswereld. Maar kinderboeken die geschikt zijn voor hun leeftijd zijn te moeilijk om te lezen. De serie "De Leeslamp" lost dat probleem op. Er zijn inmiddels al tien boeken verschenen. De verhalen in die boeken spreken oudere kinderen aan, terwijl ze toch gemakkelijk leesbaar zijn. Dat zien we in de korte zinnen, het gebruik van spreektaal, een vlotte persoonsen situatiebeschrijving, een duidelijke letter en veel illustraties. Dit alles moet het boek aantrekkelijk maken. Zo aantrekkelijk, dat kinderen die een zekere afkeer van het lezen van boeken hebben gekregen, over die drempel heen geholpen worden! De boeken uit de serie "De Leeslamp" zijn te koop in de christelijke boekhandel. Ze worden uitgegeven door Den Hertog in Houten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.