+ Meer informatie

Vraag naar een: Gereformeerd Welzijnsberaad

8 minuten leestijd

De generale synode van de Gerefor-meerde kerken heeft in januari 1972 uitgesproken dat ”gezamenlijk beraad en overleg tussen organisaties, bestuursleden en beroepskrachten op het erf van maatschappelijk en sociaal-cultureel werk enerzijds en kerkelijke organen anderzijds tot onderzoek naar de mogelijkheid van een centrum voor oriëntering, overleg en advies op korte termijn dringend gewenst” moet worden geacht. Aanleiding tot deze uitspraak was een discussie, waarin de deputaten voor contact en overleg met de Stichting Raad voor Gereformeerde Sociale Arbeid hadden gewezen op het sterk toenemen van de algemene organisatie, met name op het terrein van het sociale en culturele werk.

Het vraagstuk van de groeiende afstand tussen kerk en samenleving kwam alzo — weer eens — aan de orde op een kerkelijke synode. Ditmaal werd de problematiek aangedragen vanuit een werkveld, waarop de kerken in een nog recent verleden grote en directe invloed hadden kunnen uitoefenen: het werkveld van de maatschappelijke en sociaalculturele dienstverlening Vooral de kerkelijke diaconieën hebben op dit terrein belangrijke bijdragen tot een snelle ontwikkeling geleverd Met name de kerken hebben — helpend waar geen helper was — de sociale dienstverlening gestalte gegeven En naarmate het apparaat voor de sociale dienstverlening meer gestalte kreeg is het zich ook — mede dank zij overheidssubsidies, mede als gevolg van institutionalisering en professionalisering — gaan ver-zelfstan-digen.

De maatschappelijke dienstverlening is de weg gegaan van zovele objecten van zorg, waaraan de kerken in een verder verleden grote aandacht hebben besteed als ziekenverpleging bejaardenzorg, on derwijs, armen-verzorging …… ja wat eigenlijk niet ? Er zijn zelfs eeuwen geweest, waarin heel het ”wereldlijk gebeuren” zich als het ware onder het voortdurend toeziend oog van de kerk voltrok, waarin de kerk initiatieven nam op het gebied van ontginning van gronden waarin leiders van de kerk be-oor-delende uitspraken deden over de maatschappelijke orde, over rente, rechtvaardige lonen en prijzen en wat dies meer zij.

Het los-raken van deze voorlopig-laatste loot heeft de synode der Gereformeerde kerken kennelijk met zorg vervuld Vandaar de roep om een ”gezamenlijk beraad” Een beraad dat overigens al enigszins op gang is gekomen Er zijn twee conferenties gehouden met wat men dan ”betrokkenen bij het welzijnswerk” noemt (hierover later meer) en tussen deze beide conferenties is een commissie actief geweest, die zich heeft uitgesproken voor een nieuwe structuur, een ”Gereformeerd Welzijnsberaad”. Binnen dat Gereformeerd Welzijnsberaad zullen de kerken, de organisaties op het ”brede welzijnsterrein” en personen, die op enigerlei wijze — als bestuurder vrijwilliger of professioneel — bezig zijn op dat ”brede welzijnsterrein” hun centrum voor oriëntering, overleg en advies moeten vinden Aan de generale synode van de Gereformeerde kerken is inmiddels gevraagd de realisering van dit centrum van oriëntering mogelijk te maken Voorlopig als een Gereformeerd Welzijnsberaad, doch naar wordt gehoopt op de duur als een ”Evangelisch welzijnsberaad”

Het voorstel dat thans op de tafel van de generale synode der Gereformeerde kerken ligt is voorbereid binnen de Stichting Raad voor G.S.A. In deze stichting participeren ook de Christelijke Gereformeerde kerken, zodat ook deputaten en organisaties uit deze kring bij de voorbereiding betrokken zijn geweest

Schrikreactie?

Als eerste kanttekening bij het voorstel kan worden aangevoerd dat het een beetje de indruk wekt van een schrikreactie Met verwijzing naar de terreinen van maatschappelijke dienstverlening (die tot voor kort nauwe relaties had met het diaconaat) en het sociaalculturele werk (dat zijn bindingen had met de evangelisatie) wordt geconstateerd dat men in de ”algemeenheid” is terecht gekomen en dat nu vele bij deze werkvormen betrokkenen de mogelijkheden voor een specifieke christelijke inbreng al mmder gaan zien Als gevolg van de ”algemeenheid” kunnen representanten van de kerken deze inbreng met meer door middel van uitgangspunten, doelstellingen of andere werkvoorwaarden veilig stellen als gevolg van gebrek aan visie kunnen de bij het werk betrokken kerkleden het specifieke het eigene van hun inbreng met meer aantonen Daar moet iets aan gebeuren en daar is het gereformeerd (evangelisch) beraad voor nodig. Met andere woorden de zaak is uit de hand gelopen en er dient iets aan herstel te worden gedaan Wat er gedaan moet worden is met zomaar aan te geven — in een voortdurende inter-actie tussen kerken en bij het werk betrokkenen zal de weg moeten worden gevonden Als een eerste mogelijkheid daartoe als een ”belangrijk normatief uitgangspunt” zien de opstellers van het voorstel de bijbelse idee van het rentmeesterschap, in ruime zin opgevat, alsmede de idee van de christelijke roeping

Naar het ons voorkomt zijn dit zeker geen nieuwe begrippen De veronderstelling ligt dan ook voor de hand, dat er misschien tot dusverre iets heeft ontbroken aan de uitwerking van deze be grippen door de kerken ten behoeve van het bezig zijn van de leden der kerken m de wereld Dat men dit nu wellicht heeft ontdekt — zij het dan ook als schrik-reactie achteraf — geeft moed op een hernieuwde serieuze aanpak, waarvoor de aanbevolen constructie — kerken en kerkelijke organen in diep-gaand bezmnmgsgesprek met allerlei veldwerkers — goede voorwaarden schept Men zou daardoor kunnen komen tot een op kennis van de complexe werkelijkheid gefundeerd getuigen van de kerk enerzijds tot een bewuster gemotiveerd handelen van de veldwerkers (professionals, vrijwilligers en bestuurders ) anderzijds.

Welzijn

Een tweede kanttekening vraagt de hantering van het begrip ”welzijn” in dit voorstel. Dit begrip is, waarschijnlijk als gevolg van het feit, dat de invalshoek naar de problematiek die van de maatschappelijke dienstverlening en het sociaal-culturele werk is geweest te veel verengd tot ”maatschappelijk en cultureel welzijn”, zij het dan ook, dat enkele malen wordt toegegeven, dat de aanwezigheid van een optimum aan maatschappelijke dienstverlening en sociaal-culturele voorzieningen nog geenszins een ”totaal-welzijn” garandeert Op dit punt vertoont het voorstel overeenkomst met vele verhalen van het ministerie van cultuur recreatie en maatschappelijk werk waarin de maatschappelijke werkers de jeugdwerkers, de opbouwwerkers en de creativiteitsbevorderaars als de welzijnswerkers par excellence ten tonele worden gevoerd (en op grond daarvan ook met uitsluiting van anderen als specifieke welzijns(op-bouw) werkers subsidiabel worden verklaard)

De kerken moet worden ontraden zich zozeer door het verlies aan invloed op toevalligerwijs dit laatste terrein te laten biologeren, dat zij zouden vergeten de bezinning ook uit te strekken tot die werksectoren, waar de secularisatie al eerder vat op heeft gekregen en waar de visie op mogelijke specifiek-christe-hjke inbreng al langer aan het verbleken is Richtinggevend zouden daartoe de volgende notities uit het voorstel kun-nen zijn:

— de noodzaak van christelijke partijvormmg is niet meer voor iedereen in de (gereformeerde) groep duide-lijk te maken;

— voor velen is de ”kleur” van de vakorganisatie niet relevant meer;

— men kent met meer de vanzelfsprekendheid van christelijk lager, middelbaar en hoger onderwijs

Deze ”richtingwijzers” zouden dan nog kunnen worden aangevuld met duidingen naar vragen rondom de zin van de arbeid, de mens en zijn ”vrije” tijd, de consumerende ”rentmeesters” van onze dagen, de problematiek van de voorlich-tingsmedia Waarbij dan tenslotte nog dient te worden opgemerkt, dat het zichwelbevmden voor een zeer groot deel ook door persoonlijke omstandigheden wordt bepaald en dat onder die persoonlijke omstandigheden primair de verhouding tot God en vervolgens ook de alledaagse relatie met mensen vlak m de buurt (mede-gezmsleden, collega's en chefs, medebewoners van de eigen flat, straat en wijk) als essentiëel mogen worden aangemerkt.

Welzijnsberaad mag zich met beperken tot een gesprek van kerken met maatschappelijke dienstverleners, die vanuit hun discipline slechts een zeer beperkt deel van de welzijnstekorten in het oog krijgen.

Deze te beperkte opzet is gelukkig wel gesignaleerd door de deelnemers aan de tweede conferentie, waar het voorstel in definitieve lezing is vastgesteld. Helaas hebben zij er echter in toegestemd — met het oog op de in aanvang waar-schijnlijk beperkte mogelijkheden van het te stichten beraad — dat toch het accent zal blijven liggen op de maatschappelijke en sociaalculturele welzijnsaspecten.

In dit verband mogen de (Gereformeerde en Christelijke Gereformeerde) kerken, die straks wellicht hun welzijnsberaad gaan starten, worden herinnerd aan de volgende uitspraak, die onlangs in een politiekprogram is gepubliceerd:

”Welzijnsbeleid is niet:

— het aanvaarden van onmenselijke arbeid met als compensatie weekendrecreatie en cultureel opbouwwerk

— het aanvaarden van een hardere en inhumanere maatschappij met als compensatie inspraak en sociale zekerheid.

Op deze wijze wordt in wezen de scheiding in de werkelijkheid aanvaard en bestendigd Welzijnsbeleid is zo een toe-giften-beleid geworden

Bij zulk een desintegratie is het aanwijzen van herstelmogelijkheden een hoofddoel van beleid”

Hetgeen dus in de politiek als een kernwaarheid is ervaren, zou ook de kerken tot nadenken kunnen stemmen bij hun start met een welzijns-beraad

Welzijnsberaad of practicum ?

De kerken constateren, dat hun boodschap niet meer overkomt naar de werkers, die op vele terreinen in deze ”wereld” hun taken vervullen Dat zij dit constateren geeft hoop Het blijft echter de vraag of een poging tot herstel van de relatie mag worden beperkt tot de sectoren maatschappelijke dienstverlening en sociaal-cultureel werk Er zijn méér mensen bezig op vrijwel alle gebieden van de samenleving, die het woord van de kerk in hun dikwijls benarde en bijna altijd eenzame situatie al lang(er) missen De start met een ”welzijnsberaad” zal die velen van harte verblijden, mits dit beraad meer dan in het voorstel tot uitmg komt het karakter krijgt van een ”practicum”, waar de kerkelijke ambtsdragers en de werkers op het wijde veld van heel de samenleving elkaar ontmoeten Waar de ambtsdragers leren de vragen van de ”werkers” te verstaan Waar ambtsdragers en werkers samen die vragen plaatsen onder het hcht van Gods Woord Waar de ambtsdrager onder dat Licht opnieuw verstaat hoe hij spreken moet om door de werker in zijn diepste nood te worden verstaan Opdat die werker, in volle zin gemspireerd, zijn vaak moeilijke weg als een waarachtige getuige zal kunnen vervolgen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.