+ Meer informatie

KOMEN ZE NOG WEL AAN DE ORDE?

12 minuten leestijd

Het vervullen van het bijzondere ambt in Christus’ kerk wordt vandaag allesbehalve als gemakkelijk ervaren. Velen die er toe worden geroepen zien er erg tegenop. En wie het inmiddels mogen doen, hebben het er soms moeilijk mee. En dat dan niet alleen of allereerst vanwege de tijd en de energie die men er voor moet aanwenden en op het gezin of op andere dingen in mindering moet brengen, maar vooral, omdat men er zich wel eens verlegen onder voelt om vandaag de leden van Christus’ gemeente, die aan de zorg en het opzicht van de ambtsdrager zijn toevertrouwd, aan boord te komen met een gesprek over, met een stukje bezinning op en doordenking van wat de kerk zegt te belijden en te geloven. Die verlegenheid kan twee oorzaken hebben. Vooral jongere ouderlingen vertrouwen je wel eens toe dat zij zich voor hun taak te weinig toegerust voelen. Met toerusting wordt dan bedoeld dat men de bijbel goed kent en dat men zich de leer van de kerk, als omschreven in de belijdenissen, eigen heeft gemaakt. Het valt niet te ontkennen dat aan die toerusting vandaag veel ontbreekt. Het is verbazend met welk gemak soms ambtsdragers bij hun aantreden het verbindingsformulier ondertekenen. Vragen over datgene waaraan zij hun naam verbinden, zouden sommige ondertekenaars weleens in grote verlegenheid kunnen brengen. In de kerken wordt algemeen de klacht gehoord dat kennis van en inzicht in de Schrift onder de maat zijn. Bovendien schort het bij velen aan bereidheid om dat tekort op te heffen. Het levenspatroon biedt daarvoor misschien ook nauwelijks ruimte. Maar dat wreekt zich wel. Wie als ouderling op huisbezoek in allerlei situaties de Schrift wil laten spreken, moet daarin goed de weg weten. Het gaat daarbij niet alleen om parate tekstkennis. Er zal ook enig inzicht in de achtergronden en bedoeling van de Heilige Schrift voorhanden moeten zijn, omdat anders het gevaar van onoordeelkundig gebruik van de bijbel om de hoek kijkt. Een goed inzicht in de bijbel, kennis van de geloofsbelijdenis, een redelijk georiënteerd zijn in de kerkelijke situatie van onze dagen en een zeker vermogen om de geestelijke ontwikkelingen van onze tijd te analyseren, zullen de ouderling in zijn bezig zijn in de gemeente onder Gods zegen slagvaardig maken. Daar hoort ook bij inzicht in de kernthema’s van het christelijk belijden, waarover vandaag zoveel te doen is.

Komen de kernthema’s nog wel aan de orde?

Toen ik onlangs met een ambtsbroeder over de belangrijkheid hiervan sprak, maakte hij de opmerking: “maar vandaag wordt er op huisbezoek over die gespierde en monumentale taal van de belijdenis toch niet meer gesproken? Huisbezoeken zijn (zoals ik ze ervaar—en ik hoor dat ook wel van anderen -) toch niet veel méér dan gezellige en gemoedelijke ontmoetingen met leden van de kerk, waarbij wordt gesproken over kerkelijk meeleven, meewerken, naleving van de kerkelijke verplichtingen, meer of minder genoegen onder de prediking, vreugde en zorgen in het gezin etcetera, maar dat is het dan toch wel? Natuurlijk komt ook de aantrekkelijkheid van een leven met God aan de orde, maar daarover praat je vandaag toch niet meer in termen van de oude belijdenissen van de kerk? Daarvoor hebben ook veel van onze mensen geen antenne meer…”Wat door deze broeder werd gezegd, geeft generaal gesproken waarschijnlijk de werkelijkheid weer. In een gesprek over christelijk geloofswaarden en geloofsgeheimenissen in termen van de belijdenissen naar de diepte afsteken? Men doet het niet meer of men durft het niet meer.

De vrees in moeilijke vragen verstrikt te raken.

Meer ambtsdragers dan wij weten hebben er moeite mee om de kernthema’s van de christelijke belijdenissen, als ze die al kennen, in gesprekken aan de orde te stellen. Ze vrezen ermee in moeilijke vragen verstrikt te raken. Veel van wat erin staat—stelt men—spoort niet met de werkelijkheidservaring van de hedendaagse mens. In het denken en spreken over God en het geloof overheerst het relativisme. De lucht is er vol van. De veranderende inzichten rond zaken van geloof en leven sijpelen in orthodox Nederland langzaam door. Uit allerlei theologische publicaties en voordrachten is het voor ingewijden duidelijk dat men met de vragen van vandaag stevig worstelt. Er zijn er die het christelijk geloven en belijden, met alle punten en komma’s, tot elke prijs binnen de bedding van het traditionele denken willen houden. Men wil zich ervoor wachten het christelijk geloof in harmonie te brengen met de producten van het Verlichtingsdenken, maar men beseft ook dat men om de vragen van vandaag niet heen kan. Dat leidt, als het om heel wezenlijke dingen gaat, soms tot heel diffuse gedachtenconstructies en visies, waarmee lezers of luisteraars niet of nauwelijks uit de voeten kunnen. En waarmee ambtsdragers op huisbezoek geen of nauwelijks raad weten. Op de preekstoel zijn voorgangers voorzichtiger, behoedzaam geworden in het poneren van allerlei stelligheden in betrekking tot de vraag op welke wijze de HERE God aan het leven van mens en wereld stuur geeft. Er is wel eens een prediking geweest—en soms ook nu nog wel—waarin precies werd aangeduid hoe de hoogheilige God in concrete situaties denkt, overweegt, besluit en handelt. Het Woord van God bevat daaromtrent veel aanwijzingen, maar het is erg pretentieus om er als nietig mensenkind absolute conclusies aan te verbinden. Er is meer oog gekomen voor de verhouding tussen het handelen van God in het leven van mens en wereld en onze menselijke verantwoordelijkheid. Niet alleen onder modernen, maar ook in orthodoxe kringen wordt men op dit punt minder stellig en meer voorzichtig. Gevoed door nieuwe inzichten, voortgaand bijbelonderzoek en door wat dagelijks aan wetenschappelijke informatie op de beeldbuis aan mensen voorbijtrekt, strookt bij niet weinig kerkmensen en niet in de laatste plaats bij jongeren, de geloofsbeleving niet (meer) met hun werkelijkheidservaring. Op huisbezoek worden ambtsdragers er liever niet op bevraagd…

Een voorbeeld

Neem zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus. Ik geef hier iets weer uit een gesprek dat een kennis en ik enige tijd geleden, zittend op een terras in de grote stad, met elkaar hadden. Hij was door wat hij noemde de “intellectuele ongeloofwaardigheid” van de christelijke geloofsleer van de kerk losgeweekt.

We zaten daar samen, pratend en kijkend naar passerende mensen, die je waarschijnlijk één keer en daarna nooit meer zult zien. Mensen, ergens vandaan en naar iets of iemand onderweg. Ouderen, stokouden, jongeren, weigestelden en op het oog minder bedeelden, uiterlijk bevallige figuren en door de natuur misdeelden, invaliden en sportieve figuren, conventioneel geklede lieden en mensen in een uitmonstering die niet van deze wereld lijkt te zijn; mensen die nog in de volle kracht van hun leven staan en mensen die naar je inschatting “aan het laatste restje toe zijn”, om het met een regel uit een bekend gedicht te zeggen. Allen met een eigen geschiedenis van vreugde en verdriet, van voorspoed en tegenspoed, van succes en nederlaag, van wilskracht en geestelijk onvermogen, van liefde en haat, van eenzaamheid en geborgenheid, van bedrog en rechtschapenheid, van humaniteit en onmenselijkheid, van intelligentie en geringe begaafdheid, van zonde en—wie weet bij hoevelen—van vergeving ook. Eén straat van de vele straten in een stad; één stad onder duizenden steden, waarin miljoenen dagelijks op en neer, heen en weer gaan, waarin geleden en gestreden, geprofiteerd en gekrepeerd wordt, waarin geboren wordt en waarin men sterft, soms met duizenden tegelijk vóór het eerste levensjaar is voltooid, met miljoenen in korte tijd als de voorwaarden om gezond verder te leven ontbreken, met duizenden in de kleinschalige oorlogen die overal ter wereld worden gevoerd. En dichterbij: de langzaam wegstervende mens in de stampvolle verpleeginrichtingen voor demente bejaarden, onder alle decorumverlies waarmee de ontluistering van de dementerende mens in vaktermologie wordt aangeduid.

Hoe zie jij God in dit alles, wilde mijn opponent weten. Hoe ga je in jouw geloof met deze dingen om? Geloof jij echt en gelooft jouw kerk werkelijk, dat er een God is, die aan al dat gewemel en gewriemel op deze planeet leiding geeft? Zou het nu echt zo zijn dat God aan het leven van al die mensen, kort of lang van duur, in miserabele of optimale omstandigheden (wat is in dit verband trouwens optimaal), levend in primitieve staat of in een geïndustrialiseerde cultuur, van nog in volledige primitiviteit levende indianen tot de meest gecultiveerde West-Europese burgers, van de hongerende inwoners van Opper-Volta tot de weldoorvoede burgers van de welvaartslanden op het westelijk halfrond, van de wieg tot het graf leiding geeft? Mag men er werkelijk van uitgaan dat het leven van elke mens op aarde, hoe bedreigd en kwetsbaar, hoe ook massaal geleefd in situaties, waarin van een laatste deel van leven bijna geen sprake meer lijkt te zijn, onder Gods directe zorg staat en dat dáár, waar wij in het leven van miljoenen mensen slechts absurditeit en zinloosheid kunnen ontdekken, van een zingeving sprake kan zijn die ons ontgaat, maar die voor God wel bestaat? En welke zou dat dan wel mogen zijn? En bij wie nadenkt, komt er dan over deze vragen nog een heel klemmende vraag heen. Is het geen inbeelding, in elk geval een overschatting van onze eigen situatie, als we binnen het westerse christendom Gods Vaderlijke zorg over ons belijden en beleven in de geest van zondag 10 van de Hei-delbergse catechismus, terwijl “loof en gras, regen of droogte, vruchtbare tijden en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede”, zaken lijken te zijn die voor de mens gewoon samenhangen met de vraag wáár zijn wieg stond, in welke cultuur hij of zij opgroeide en tot ontwikkeling kwam? Koesteren christenen op dit punt geen idealen en verwachtingen die haaks staan op elke werkelijkheidszin, die op zijn minst overtrokken, misschien wel een fictie, in elk geval al te pretentieus zijn? In de vanzelfsprekendheid waarmee wij met de dingen van ons geloof plegen om te gaan, komen we aan het doordenken van deze dingen in de regel maar weinig toe, maar hier liggen de vragen die bijvoorbeeld in het gesprek met de niet gelovige medemens een hoge drempel lijken te zijn om de God, zoals die in het christelijk geloof door ons wordt beleden, toe te vallen. Het zijn dezelfde vragen die jonge mensen een zó sterk gevoel van irrationaliteit (strijdigheid van de dingen) geven, dat zij erdoor worden losgeweekt van het christelijk geloof. Kunnen deze vragen elke gelovige, die het met de dingen om zich heen te kwaad heeft, niet dikwijls benauwen?

Andere voorbeelden

Uit de bijlage van “de Verdieping” van Trouw van enkele weken geleden bleek dat in het denken van prof. dr. W. J. Ouweneel, die decennia lang als een dukdalf in de discussie over “Schepping en evolutie” de evolutiegedachte afwees, een duidelijke omslag is gekomen, zo goed als in zijn visie op de historiciteit van in de bijbel beschreven gebeurtenissen (“Een echte slang in het paradijs? Van welk merk? Ik wil het niet weten”). Het is een gangbare opvatting geworden dat het bijbelse scheppingsverhaal niet meer letterlijk als een natuurkundig verslag kan worden gelezen. Maar hoe dan wel, tegen de achtergrond van wetenschappelijk onderzoek dat aantoont dat de aarde al miljoenen jaren moet bestaan?

Uitverkiezing is een thema uit de belijdenis van de kerk dat in het verleden veel pennen en tongen in beweging bracht en dat mensen in hun geestelijk leven heeft geschud en geschokt. Men hoort het nu in de preken bijna niet meer noemen. “Waar-om niet?” vroeg onlangs een meisje. Omdat er toch de gedachte aan vast zit van een soort ‘Voorprogrammering”?

Bij het passeren van artikel 41 K.O. in een classicale vergadering brachten ambtsdragers onlangs in het midden dat zij op de huisbezoeken nogal eens stuiten op broeders en zusters die het moeilijk hebben met de klassieke verzoeningsleer. Na het lezen van wat moderne theologen erover op papier hebben gebracht, is wat de kerk daaromtrent belijdt en gelooft niet meer zo vanzelfsprekend. De classisvergadering nam er kennis van, maar ging er niet nader op in…

Jezus, God en mens. In de moderne theologie is de Heiland nagenoeg geheel van zijn Goddelijkheid ontdaan en tot gewoon mens, zij het een bijzondere, gereduceerd. De termen waarin de belijdenissen van de kerk erover spreken zijn voor mensen van nu maar moeilijk toegankelijk en voor een ambtsdrager in gesprek met een intelligente jongere maar moeilijk hanteerbaar.

Er zou op meer te wijzen zijn.

Een kerk die probeert om de vragen van vandaag heen te gaan, doet dat tot haar schade. Niet dat alle nieuwe inzichten en opvattingen moeten worden omarmd, maar zij zullen zich met name aan onze jongeren steeds sterker opdringen. En dat vraagt om bezinning met het oog op de prediking en het pastoraat.

Aankondiging

Deze uitvoerige bijdrage mondt dan ook uit in de aankondiging dat in Ambtelijk Contact, te beginnen in de volgende editie, een serie artikelen zal worden gestart rond kernthema’s van de geloofsbelijdenis. Deze bijdragen zullen uiteraard deels beschouwend maar vooral ook praktisch van opzet zijn, nchtingwijzend voor de ambtsdrager in zijn ambtelijk bezig zijn.

In deze serie zullen thema’s aan de orde komen als: schepping en evolutie, Gods voorzienig bestel, God- en mens-zijn van Jezus Christus, het kruislijden van Christus, de opstanding van Jezus Christus en de moderne kritiek daarop, de hemelvaart van Christus (een astronomische ongerijmdheid?), de Heilige Geest, de Kerk (in haar verdeeldheid), de uitverkiezing, vergeving van zonden en rechtvaardiging, toekomstverwachting (terugkomst van Jezus Christus) en de wederopstanding van het lichaam tot eeuwig leven (zal er weerzien zijn? en plaats voor alle gezaligden?)

Te hopen is dat deze serie zal beantwoorden aan het doel dat de redactie bij de voorbereiding voor ogen stond: een handreiking voor de ambtsdrager in het gesprek over hedendaagse geloofsvragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.