+ Meer informatie

BESLUITEN GENERALE SYNODE HAARLEM-NOORD 1998

44 minuten leestijd

A. KERKORDE

1. artikel 6

De synode besloot art. 6 K.O. te wijzigen c.q. aan te vullen aldus:

1. in sub 2b de woorden ‘deputaten voor kerk en onderwijs’ te wijzigen in ‘deputaten kerkjeugd en ondenwijs’;

2. een sub h toe te voegen, luidende:

predikanten naar art. 6 K.O. die naar de uittredings- of pensioneringsregels die daarvoor gelden hun werkzaamheden, waarvoor zij zijn afgestaan, beeindigen, terwijl hun naar de regels van de kerkorde nog geen emeritaat kan worden verleend, blijven predikant in volle rechten en plichten, totdat zij met emeritaat gaan.

2. artikel 13

De synode besloot:

1. lid 1a K.O. als volgt aan te vullen:

‘…indien niet wegens het bereiken van de leeftijd van 65 jaar of het vervuld hebben van 40 dienstjaren emeritaat wordt aangevraagd…’;

2. lid 1a K.O. laatste regel te wijzigen in: ‘… de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ) in te dienen.’;

3. bij sub 2a de volgende zinsnede te laten vervallen:

‘…zoals bij benoeming tot hoogleraar aan de Theologische Universiteit gelijk tot nu toe onder ons gebruikelijk is.’.

3. artikel 18

De synode besloot tot de volgende toevoeging:

Een dienaar des Woords die als hoogleraar benoemd is aan de Theologische Universiteit voor de opleiding tot de dienst des Woords blijft op de wijze van emeriti-predikanten verbonden aan de kerk die hij gediend heeft en behoudt de rechten van een dienaar des Woords. De gezamenlijke kerken nemen de verplichting op zich naar behoren in hun onderhoud te voorzien, evenals in dat van hun weduwen en wezen.

4. artikel 41

De synode besloot:

1. de passage ‘of de armen verzorgd worden’ te wijzigen in ‘of de diaconale roeping vervuld wordt’;

2. lid 1 K.O. als volgt aan te vullen: ‘…waarbij er bij iedere classis op wordt aangedrongen dat elke gemeente een diaken afvaardigt naar de classisvergadering’.

5. artikel 84

De synode besloot:

1. Art. 84 sub 3 K.O. aldus te wijzigen:

Voor de uitvoering van niet-ambtelijk werk kan de generale synode medewerkers (doen) aanstellen. Deze aanstelling zal geschieden met inachtneming van de door de generale synode vastgestelde rechtspositieregeling(en).

De generale synode wordt als werkgever vertegenwoordigd door

a. de deputaten Landelijk Kerkelijk Bureau voor zover het medewerkers betreft die werkzaam zijn op het Landelijk Kerkelijk Bureau;

b. door het curatorium, c. q. deputaten-financieel van de Theologische Universiteit, voor zover het medewerkers betreft die werkzaam zijn aan deze Universiteit; het curatorium voor de niet-ambtelijke docenten en deputatenfinancieel voor het onderwijs-ondersteunend personeel.

2. Niet-ambtelijke werkers vervullen hun taak onder leiding van de deputaten op wier terrein zij werken.

B. NIEUWE REGLEMENTEN/HERZIENING BIJLAGEN

1. bijlage 12a

Concept-akte van ontslag van de ambtelijke dienst in de gemeente voor dienaren des Woords die tot hoogleraar benoemd zijn.

De classis … van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, bijgestaan door deputaten naar art. 49 K.O. van de particuliere synode van het…,

gezien en beoordeeld hebbende:

a. de aanvrage bij de raad van de Christelijke Gereformeerde Kerk van … om ontslagen te worden van de verplichtingen die het ambtswerk in de gemeente met zich meebrengt;

b. de inwilliging van deze aanvrage door de kerkenraad, aangezien de ontslagaanvrage het gevolg is van een benoeming door de generale synode van … tot hoogleraar aan de Theologische Universiteit;

acht de aanvrage gewettigd;

reden waarom zij besluit:

1. aan de weleerwaarde heer ds. … op de meest eervolle wijze het gevraagde ontslag te verlenen met ingang van …;

2. dit ontslag te verlenen op grond van art. 18 K.O.;

3. dat ds. … de rechten van een dienaar des Woords behoudt;

4. ds. … Gode en het Woord zijner genade te bevelen met oprechte dankbetuiging voor de trouwe arbeid die hij omtrent… jaren bij bovengenoemde classis heeft vervuld en die hier in dankbare herinnering zal blijven, vergezeld van de hartelijke bede, dat het de Here behagen moge de zegen op die arbeid te bestendigen en ds. … tot rijke zegen te stellen in het werk waartoe hij ais hoogleraar geroepen wordt.

datum:

De classis voornoemd,
preses
scriba

2. bijlage 29

Instructie voor de deputaten ‘kerkjeugd en onderwijs’

(deze vervangt de oude bijlagen 29 en 36)

art. 1

De generale synode benoemt 11 deputaten ‘kerkjeugd en onderwijs’.

art. 2

Deputaten zijn gerechtigd een tweetal adviseurs aan te trekken, die door hun opleiding en/of dagelijks werk goed georiënteerd zijn in de vragen met betrekking tot de jeugd, het jeugdwerk, de opvoeding en het ondenwijs.

art. 3

Tot de taak van deputaten behoort:

a. te bevorderen dat aan de jeugd een christelijke opvoeding en schriftuurlijke voorlichting en leiding wordt gegeven;

b. activiteiten die dienen tot stimulering van georganiseerd jeugdwerk te steunen;

c. advies te geven in zaken die het bestaan van de jeugdorganisaties of het leven van de kerkelijke jeugd in het algemeen raken;

d. alles te doen wat het geven van christelijk onderwijs aan de jeugd van de gemeente bevordert;

e. contact te onderhouden met de kerkenraden, de jeugdbenden en met andere organisaties die zich met jeugd en jeugdwerk in de kerken bezighouden;

f. contact te onderhouden met kerkleden die betrokken zijn bij het onderwijs;

g. contact te onderhouden met predikanten die naar art. 6 K.O. zijn vrijgesteld voor werk in het onderwijs.

art. 4

Het contact met de kerkenraden wordt onderhouden door:

a. het verstrekken van informatie omtrent het jeugdwerk, de christelijke opvoeding en het onderwijs;

b. het opwekken tot het houden van de jaarlijkse jeugdzondag in september;

c. het geven van voorlichting aan de jeugdouderlingen en/of jeugddiakenen.

art. 5

Het contact met het georganiseerde jeugdwerk wordt gerealiseerd door:

a. het geven van kerkelijke begeleiding en financiële steun aan het werk van beide jeugdwerkorganisaties, de CGJO en het LCJ, met inachtneming van ieders eigen verantwoordelijkheid;

b. het geven van kerkelijke begeleiding en financiële steun aan het werk van de Stichting Young Eagles Kampen met inachtneming van haar eigen verantwoordelijkheid.

art. 6

Het contact met betrokkenen bij het onderwijs wordt onderhouden door hen te instrueren en te adviseren inzake de roeping die zij hebben met betrekking tot het ondenrwijs.

art. 7

De verantwoordelijkheid ten aanzien van studerenden wordt gerealiseerd door het onderhouden van contacten met en het geven van financiële steun aan het landelijke en plaatselijke studentenwerk, met inachtneming van hun eigen verantwoordelijkheid.

art. 8

Deputaten zijn gerechtigd namens de kerken deel te nemen aan besprekingen e. d. die tot doel hebben het onderwijs op grond van Schrift en belijdenis te bevorderen.

art. 9

Deputaten zijn gemachtigd aan de kerken jaarlijks een collecte te vragen voor de instandhouding van het jeugdsteunfonds en dit fonds te beheren met het oog op de taken in art. 5 en 7 genoemd.

art. 10

Deputaten zijn naar art. 84 K.O. en binnen de grenzen van hun instructie bevoegd tot:

a. het in ontvangst nemen van gelden, waaronder legaten en erfstellingen;

b. het verrichten van betalingen.

art. 11

Deputaten zullen van hun werkzaamheden en van hun financiële beheer verantwoording afleggen aan de generale synode.

3. bijlage 30a

Instructie voor de deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland.

art. 1

De generale synode benoemt deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland.

art. 2

Het getal van de deputaten is bepaald op tenminste zeven.

art. 3

De taak van deputaten is:

a. naar de eis van het Woord van God en in overeenstemming met de gereformeerde confessie wegen te zoeken die kunnen leiden tot de eenheid van de kerken van gereformeerde belijdenis in Nederland;

b. door middel van contact en overleg alles te doen wat bevorderlijk is voor het proces van onderlinge herkenning en samenwerking tussen de gereformeerde belijders in Nederland;

c. voor zover het met hun opdracht samenhangt de kerken te vertegenwoordigen, onder meer door afgevaardigden of waarnemers aan te wijzen.

art. 4

Deputaten hebben het recht de generale synode voorstellen te doen met betrekking tot de zaken die in hun rapport aan de orde worden gesteld.

art. 5

Deputaten zullen contact onderhouden met andere deputaatschappen over zaken die beide deputaatschappen betreffen, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan de deputaten voor de correspondentie met de buitenlandse kerken.

art. 6

Deputaten kunnen zowel aan kerkenraden, classes en particuliere synoden als aan andere deputaatschappen advies geven inzake kerkelijke en oecumenische verhoudingen waarmee zij te maken hebben.

art. 7

Deputaten kunnen zich tot kerkenraden, classes en particuliere synoden wenden om te informeren naar ontwikkelingen in de kerkelijke verhoudingen die met het oog op het zoeken van de eenheid van belang zijn.

art. 8

Deputaten leggen aan de generale synode een begroting voor drie jaren voor.

art. 9

Deputaten zullen hun archiefstukken overeenkomstig de aanwijzingen van de generale

synode doen opnemen in het archief van de synode.

art. 10

Deputaten brengen van al hun werkzaamheden verslag uit aan de generale synode.

4. bijlage 30b

Instructie voor de deputaten voor de correspondentie met de buiteniandse kerken

art. 1

De generale synode benoemt deputaten voor de correspondentie met de buitenlandse kerken.

art. 2

Het getal van de deputaten is bepaald op tenminste zeven.

art. 3

De taak van deputaten is:

a. volgens artikel 51 van de kerkorde de correspondentie met kerken in het buitenland te onderhouden en na te gaan of bestaande relaties uitgebreid en nieuwe contacten gelegd kunnen worden;

b. namens de kerken te participeren in internationale oecumenische organen van kerken van gereformeerde belijdenis;

c. voor zover het met hun opdracht samenhangt de kerken te vertegenwoordigen, onder meer door afgevaardigden of waarnemers aan te wijzen.

art. 4

Deputaten hebben het recht de generale synode voorstellen te doen met betrekking tot de zaken die in hun rapport aan de orde worden gesteld.

art. 5

Deputaten zullen contact onderhouden met andere deputaatschappen over zaken die beide deputaatschappen betreffen, waarbij in het bijzonder gedacht kan worden aan de deputaten voor de buitenlandse zending en de deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders in Nederland.

art. 6

Deputaten kunnen zowel aan kerkenraden, classes en particuliere synoden als aan andere deputaatschappen advies geven inzake kerkelijke en oecumenische verhoudingen waarmee zij te maken hebben.

art. 7

Deputaten leggen aan de generale synode een begroting voor drie jaren voor.

art. 8

Deputaten zullen hun archiefstukken overeenkomstig de aanwijzingen van de generale

synode doen opnemen in het archief van de synode.

art. 9

Deputaten brengen van al hun werkzaamheden verslag uit aan de generale synode.

5. bijlage 39

Rechtspositieregeling van kerkelijke werkers, dan wel van niet-ambtelijke medewerkers van deputaatschappen als bedoeld in art. 84 lid 3a K.O.

De synode besloot:

de Rechtspositieregeling (bijlage 39 K.O.) vast te stellen, zoals deze door deputaten LKB als bijlage 1 bij hun rapport is gepresenteerd, met dien verstande dat de aanhef zal luiden: Rechtspositieregeling van kerkelijke werkers, dan wel van niet-ambtelijke medewerkers van deputaatschappen als bedoeld in art. 84, lid 3a K.O.

en dat in deze voorgestelde regeling elke venwijzing naar curatoren zal vervallen.

Dit laatste dient ook te geschieden in art. 2 en de ondertekening van de model-arbeids overeenkomst.

C. TOEVOEGINGEN EN WIJZIGINGEN IN BIJLAGEN

1. bijlage 1

Instructie voor de deputaten voor de geestelijke verzorging van de varenden De synode besloot:

art. 3 te wijzigen in:

‘Deputaten kunnen aan hun college een drietal mensen met ervaring in de vaart, zo mogelijk ambtsdragers, als adviseurs toevoegen’.

2. bijlage 3Instructie voor de deputaten voor de geestelijke verzorging van de militairen De synode besloot:

1. tot wijziging van art. 2 sub a als volgt:

(Deze deputaten hebben tot taak:)

in overleg met de hoofdkrijgsmachtpredikant of op zijn verzoek predikanten uit eigen kerk te werven voor de dienst van de geestelijke verzorging, dan wel toestemming tot indiensttreding bij deze dienst te verlenen.

2. tot verwijdering bij art. 2 sub d van de zinsnede:

‘en de garnizoenskerken te activeren met betrekking tot de geestelijke verzorging van militairen in hun rayon’.

3. bijlage 4

Instructie voor de deputaten voor onderlinge bijstand en advies

De synode besloot:

de instructie van deputaten als volgt te wijzigen:

art. 4 Steunverlening

Deputaten verlenen financiële steun aan kerken door toekenning van een maximale uitkering over een kalenderjaar op basis van het werkelijke en voor deputaten aanvaardbare exploitatietekort. Op basis van een jaarbegroting kan een voorlopige toezegging worden gedaan, waaraan overigens geen rechten ontleend kunnen worden. De steuntoezegging en uitkering blijven voorts - behoudens zeer bijzondere omstandigheden - beperkt tot de som van:

a. 25% van het netto-totaal der predikantskosten (honorarium, premies, huisvesting enz.) volgens de richtlijnen van deputaten voor financiële zaken, nadat deze kosten zijn verminderd met de neveninkomsten uit arbeid van de predikant, voorzover deze neveninkomsten meer bedragen dan 15% van het minimumtraktement. Deze steun geldt uitsluitend voor kerken, die per 1 januari van het desbetreffende jaar minder dan 250 (doop)leden hebben.

b. en c. ongewijzigd.

d. toevoegen: ‘Deze steun zal nimmer meer bedragen dan f 200,= per (doop)lid per jaar.’

art. 5 aan het eind toevoegen:

‘Dit geldt tevens voor het ter hand nemen van het beroepingswerk’.

4. bijlage 5

Instructie voor de deputaten voor de algemene kas tot steun aan de kerken ten behoeve van de verzorging van emeriti predikanten, predikantsweduwen en -wezen De synode besloot:

1. art. 7 te wijzigen door de eerste alinea als volgt vast te stellen:

‘Een gehuwde of ongehuwde emerituspredikant ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze tezamen met zijn eventuele AOW- of WAZ-uitkering 70% van de uitkeringsgrondslag bedraagt, en hij ontvangt voorts 10% van de AOW-uitkering van een gehuwde, respectievelijk ongehuwde voor degenen die 65 jaar en ouder zijn.’;

2. art. 12 te wijzigen door de eerste alinea’s als volgt vast te stellen:

‘Een predikantsechtgenote, die weduwe wordt en geen kinderen heeft te verzorgen, ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze tezamen met haar eventuele ANW- of AOW-uitkering 50% van de uitkeringsgrondslag bedraagt en zij ontvangt voorts 20% van de ANW-uitkering, respectievelijk 10% van de AOW-uitkering en een toeslag van f 650,= per jaar.

Indien zij één kind dan wel twee of meer kinderen heeft te verzorgen, ontvangt zij een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze tezamen met haar eventuele ANW- of AOW-uitkering gelijk is aan 60% respectievelijk 70% van de uitkeringsgrondslag en zij ontvangt voorts 20% van de ANW-uitkering respectievelijk 10% van de AOW-uitkering.’

Verder wordt in de derde alinea ‘16’ vervangen door ‘18’;

3. art. 13 te vervangen door de volgende tekst:

‘Aan weduwen die recht hebben op een uitkering ingevolge de ANW, doch bij wie dit recht in verband met de inkomenstoets niet of niet geheel tot een uitkering leidt, wordt deze korting niet door de emeritikas gecompenseerd.’;

4. art. 14 te vervangen door de volgende tekst:

‘Op de weduwenuitkering ingevolge art. 12 en 13 van deze instructie wordt in mindering gebraclit:

a het weduwenpensioen, waarop de weduwe recht heeft op grond van pensioengerechtigde diensttijd, die haar echtgenoot voor zijn overlijden heeft doorgebracht in functies voor en/of nevenfuncties tijdens zijn ambtsperiode. Bij een eerder huwelijk tevens het weduwenpensioen waarop zij recht heeft uit dat huwelijk.

b de korting op de AOW-uitkering, die voortvloeit uit het niet-verzekerd zijn gedurende het verblijf buitenslands;

c de halfwezenuitkering en/of het wezenpensioen waarop een kind als bedoeld in artikel 12 recht heeft;

d voor weduwen beneden de 65 jaar, die geen recht hebben op een uitkering ingevolge de ANW, de uit arbeid verkregen inkomsten, waaronder begrepen uitkeringen en eigen pensioen.

Alle in dit artikel genoemde inhoudingen worden slechts toegepast voorzover het pensioen en/of de uit arbeid verkregen inkomsten een bedrag van 15% van het aanvaardbare minimumtraktement van predikanten met 10 dienstjaren te boven gaan.’

5. in art. 15 de volgende wijzigingen aan te brengen:

‘AWW’ wordt vervangen door ‘AWN’ (4x);

‘AWW’ wordt vervangen door ‘Wajong c. q. WAZ’;

Aan de laatste regel wordt toegevoegd: ‘voor wezen van 16-20 jaar’.

De eerste regel van de tweede alinea wordt als volgt gewijzigd: ‘Wordt de ANW-uitkering voor een volle wees beëindigd of ingetrokken…’ enz.;

6. in art. 20 de volgende wijziging aan te brengen:

Schrappen het zinsdeel: ‘of, indien het totaal-bedrag van de uitkeringen welke in dat jaar zullen moeten worden gedaan, meer is, aan laatstgenoemd totaal-bedrag’.

5. bijlage 7

Reglement voor het studiefonds van de Theologische Universiteit

De synode besloot:

Art. 4 van de onder voorlopige uitvoeringsregeling wordt nader vastgesteld overeenkomstig de tekst die daarvoor is opgenomen in bijl. 1 van het rapport van deputaten voor het studiefonds, met dien verstande dat de daar vermelde bepalingen 1, 6, 8.3 en 9 worden vervangen door de volgende tekst:

1. 1.1 Een student die via het admissie-examen is toegelaten tot de studie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en geen recht heeft op gemengde studie financiering (WSF), maar kan aantonen dat hij zonder een soortgelijke financiering niet in zijn levensonderhoud kan voorzien, kan een bijdrage aanvragen ten laste van het studiefonds.

1.2 Na via het admissie-examen te zijn toegelaten zal de studie voor degene die financiële ondersteuning van deputaten voor het studiefonds behoeft kunnen aanvangen zodra deze deputataten die ondersteuning toezeggen.

1.3 Deputaten zullen geen ondersteuning toezeggen indien en zolang de hun ter beschikking gestelde financiële middelen daarvoor niet toereikend zijn.

1.4 Bij de toezegging zal worden vermeld, dat de ondersteuning wordt verleend voor de periode waarvoor de begroting van deputaten is vastgesteld en zolang ondersteuning in deze periode nodig is en deputaten daarvoor middelen beschikbaar hebben. Voorts zal worden vermeld dat indien nodig verlenging zal plaats vinden indien een volgende generale synode daarvoor opnieuw voldoende middelen ter beschikking stelt.

6. De bijdrage uit het studiefonds wordt ter beschikking gesteld als renteloze lening.

8.3 Indien de aanvrager geen predikant wordt of een benoeming tot bijzondere arbeid aanvaardt (art. 6 K.O.) of overgaat tot een andere staat des levens (art. 12 K.O.) of als predikant het verband van onze kerken verlaat, dient hij naast de verplicht af te lossen lening ook het op dat moment nog resterende deel van de oorspronkelijk kwijt te schelden lening af te lossen in nader overeen te komen termijnen.

9. In bijzondere gevallen waann de regeling met voorziet of leidt tot een onredelijke uitwerking beslissen deputaten in overleg met het curatorium, voorzover de hun ter beschikking staande financiële middelen toereikend zijn

6. bijlage 9

Instructie voor de deputaten-financieel voor de Theologische Universiteit

De synode besloot:

art 4 sub b van de instructie van deputaten-financieel TU te laten beginnen met:

‘het benoemen van het ondenwijs-ondersteunend personeel’ en verderop in dat artikel de term ‘overig personeel’ te vervangen door ‘onderwijs-ondersteunend personeel’.

7. bijlage 12

Akte van aanstelling voor de hoogleraren aan de Theologische Universiteit

De synode besloot tot de volgende wijziging:

‘akte van ementaat’ wordt vervangen door akte van ontslag’.

8. bijlage 13

Reglement voor het verlenen van emeritaat, verlof en ontslag aan de hoogleraren van de Theologische Universiteit

De synode besloot art 2 sub b te wijzigen als volgt:

(Ementaat wordt met ingang van een door de generale synode nader te bepalen datum verleend)

aan een hoogleraar die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

9. bijlage 21

Instructie voor de deputaten voor de hulpverlening in binnen- en buitenland

De synode besloot tot de volgende aanvullingen:

1. bij art 1 toe te voegen:

‘en een secundus-deputaat’;

2. bij art 4 toe te voegen:

d ‘adviezen te geven aan kerken en kerkleden over mogelijkheden tot hulpverlening’;

10. bijlage 33

Instructie voor de deputaten tot beheer van een landelijk kerkelijk bureau (voorheen kerkelijk administratief bureau)

De synode besloot:

1. de instructie van het deputaatschap in verband met de naamswijziging aan te passen (art 1,2,4) en art 4 van hun instructie aan te vullen met:

F. ten behoeve van deputaatschappen:

1. het inzetten van secretariële hulp naar behoefte;

2. het mede verzorgen van rapporten en bneven, die aan meer dan één adres moeten worden verzonden;

3. het verlenen van administratieve hulp die wordt gevraagd;

4. het mede voorbereiden van vergaderingen (convocaties en bijlagen);

2. in de instructie van deputaten § E aan te vullen met de woorden ‘die in het Landelijk Kerkelijk Bureau participeren’.

11. bijlage 42

Concept-beroepsbnef

De synode besloot:

de tekst van de concept-beroepsbnef (bijlage 42 KO) onder b met bijbehorende bijlage als volgt te wijzigen:

b. het genot van een door de kerk ter beschikking gestelde pastone, gelegen aan (adres), zoals nader uitgewerkt in de bij deze brief gevoegde bijlage;

bijlage:

De pastone wordt als ambtswoning ter beschikking gesteld voor de termijn waarin de beroepen predikant aan de gemeente als dienstdoend predikant verbonden is Hij is gehouden om de pastorie gedurende deze periode te bewonen.

12. bijlage 48

Concept-regeling voor de kerkelijke positie van predikanten belast met de geestelijke verzorging van militairen

De synode besloot:

in bijlage 48 KO de volgende wijzigingen aan te brengen:

a. in art 2 het begnp ‘periode’ te wijzigen in ‘contractperiode;

b. art 3 te wijzigen als volgt:

‘In het geval een predikant, met toestemming van zijn kerkenraad en van de deputaten, zich voor een contractperiode van minimaal 2 jaar tot maximaal 5 jaar of voor onbepaalde tijd…’ (enz.);

c. art 4 als volgt te wijzigen:

‘Wanneer een predikant, als sub 3 bedoeld, terugkeert uit zijn dienst in de krijgsmacht na beëindiging van zijn contract en inmiddels…’ (enz.)

art. 4 aan te vullen als volgt:

‘Wanneer een predikant, als sub 3 bedoeld, terugkeert uit zijn dienst in de krijgsmacht bij leeftijdsontslag en in overleg met zijn kerkenraad geen beroep uit de kerken meer in overweging wenst te nemen, zijn de kerkenraad en de classis ontslagen van de financiële verantwoordelijkheid voor het levensonderhoud van de predikant en zijn gezin, waarbij het recht op ementaat onverlet bhjft.

Wanneer een predikant terugkeert uit zijn dienst in de krijgsmacht vanwege tussentijds ontslag door bijzondere omstandigheden, zullen de kerkenraad en de classis waaraan hij is verbonden, na beëindiging van de wachtgeldregeling, een overbruggingsregeling treffen voor zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin’.

D. BELANGRIJKE UITSPRAKEN VIA INSTRUCTIES

1. grote-steden-problematlek

De generale synode kwam tot de volgende uitspraak:

De generale synode

kennis genomen hebbende van

a. de instructie van de particuliere synode van het westen inzake de problematiek van de kerken in de grote steden;

b. het daarbij behorende rapport van de door de particuliere synode ingestelde commissie ter bestudenng van de nood van de snel kleiner wordende Chr. Geref. kerken in de grote steden;

overwegende

a. de grote zorg over de toekomst en mogelijkheden van voortbestaan van de Chr. Geref kerken in de grootstedelijke gebieden;

b. de grote vragen rond de blijvende levensvatbaarheid van de kleiner wordende kerken in de grootstedelijke gebieden, waar de secularisering van de samenleving zich als zeer sterk manifesteert;

gelet op

a. de moeite van deze kleiner wordende gemeenten om een eigen predikant te behouden of predikantsvacatures vervuld te krijgen vanwege onvoldoende financiële middelen;

b. de moeite van deze gemeenten om blijvend op verantwoorde wijze in de vervulling van de bijzondere ambten te voorzien;

besluit

1. deze noden en moeiten in de voorbede en het meeleven van de kerken aan te bevelen;

2. een deputaatschap te benoemen met de instructie om

a. eventueel in overleg met daartoe geëigende deputaatschappen na te gaan op welke wijze de kerken in grootstedelijke gebieden kunnen worden bijgestaan om onder de zegen van de Here als lichaam van Christus te blijven functioneren;

b. op de generale synode van 2001 m. b. t. de pastorale, missionaire, diaconale, financiële en kerK.O. rdelijke aspecten van de problematiek met voorstellen te K.O. men die het voortbestaan en de blijvende levensvatbaarheid van deze kerken dienen.

2. betreffende positie van predikanten naar art. 6 K.O. bij leeftijdsontslag

De synode besloot:

art. 6 K.O. aan te vullen aldus:

h. predikanten naar art 6 K.O. die naar de uittredings- of pensionenngsregels die daarvoor gelden hun werkzaamheden, waarvoor zij zijn afgestaan, beëindigen, terwijl hen naar de regels van de kerK.O. rde nog geen emeritaat kan worden verleend, blijven predikant in volle rechten en plichten, totdat zij met emeritaat gaan.

3. betreffende hierziening liturgischie formulieren

De generale synode

overwegende

a. dat de bestaande liturgische formulieren zoals die zijn vastgesteld door de generale synoden 1968/69, 1971/72 en 1974 qua taal en stijl met meer voldoende aansluiten bij het taalgebruik van deze tijd;

b. dat een uitbreiding van het schnftuurlijk onderwijs in de bestaande formulieren en een eventuele vermeerdenng van de liturgische formulieren nader onderzoek behoeft;

besluit

een deputaatschap in te stellen met als opdracht:

a. een onderzoek te doen naar de wenselijkheid van een uitbreiding van het schriftuurlijk onderwijs in de bestaande liturgische formulieren zoals die zijn vastgesteld door de generale synoden 1968/69, 1971/72 en 1974;

b. onderzoek te doen naar de wenselijkheid cq mogelijkheid van een vermeerdenng van deze liturgische formulieren;

c. onderzoek te doen naar een bewerking wat betreft taal en stijl in hedendaags Nederlands van alle liturgische formulieren, zoals die zijn vastgesteld door de generale synoden 1968/69, 1971/72 en 1974;

d. daarover te rapporteren aan de volgende generale synode.

4. betreffende misbruik van en in pastorale en/of gezagsrelaties

De generale synode

kennis genomen hebbend van

1. de instructie van de particuliere synode van het noorden inzake misbruik van en in pastorale en/of kerkelijke gezagsrelaties (zoals seksueel misbruik of intimidatie, geweld, mishandeling ed);

2. de aanvankelijke bespreking daarvan ter vergadenng;

constaterende

dat er tot nu toe geen kerkelijk onderzoek is geweest naar de ernst en de mate waarinn deze problematiek in onze kerken voorkomt;

overwegende

a. dat genoemd misbruik of vermeend misbruik een verwoestende werking kan hebben in kleiner of breder verband;

b. dat het van belang is om zulke situaties te voorkomen;

c. dat ook in andere kerken van gereformeerde belijdenis de gesignaleerde problematiek aandacht vraagt en er wellicht mogelijkheden zijn tot samenwerking en/of overleg;

van oordeel zijnde

dat in pastorale contacten en in kerkelijke gezagsrelaties de eer van God en het heil van (de leden van) zijn gemeente in het geding zijn;

besluit

een commissie in te stellen met de opdracht

1. onderzoek te doen, zo mogelijk in overleg met andere kerken van gereformeerde belijdenis, naar de noodzaak en de mogelijkheid

a. een gedragscode op te stellen voor ambtsdragers ter voorkoming van misbruik van en in pastorale en/of kerkelijke gezagsrelaties;

b. een gedragslijn op te stellen voor en hulp te bieden aan kerkenraden die worden geconfronteerd met beschuldigingen terzake;

c. mogelijke slachtoffers van misbruik zoals bedoeld op weg te helpen om hun klachten op een kerkrechtelijk verantwoorde wijze onder de aandacht te brengen van de plaatselijke kerkenraad, waarbij een zorgvuldige behandeling gewaarborgd is door middel van de onder b. genoemde gedragslijn;

en bij gebleken noodzakelijkheid en mogelijkheid hieraan uitvoering te geven;

2. aan haar bestaan bekendheid te geven in de kerken door publicatie in kerkbladen die in onze kerken verschijnen;

3. van haar werk rapport uit te brengen op de volgende generale synode.

5. publiciteit

Op de synode van Zienkzee 1995 diende een instructie inzake publiciteit. De synode nam daarover na onderzoek nu een besluit, als volgt:

De generale synode

constaterend

dat het draagvlak voor het opzetten van een breed informatie-bulletin voor de kerken genng is;

besluit

1. met tot het opzetten van één landelijk bulletin voor informatie en/of toerusting van onze kerken over te gaan;

2. de redactie van De Wekker te verzoeken in ovenweging te nemen om bijvoorbeeld één maal per jaar een nummer te doen verschijnen waarin deputaatschappen informatie geven over hun werkzaamheden en/of een meer direct uitnodigingsbeleid terzake te voeren.

6. inzake de predikantstraktementen

De synode besloot:

aan deputaten financiële zaken op te dragen:

1. de werkelijke verschillen in inkomenspositie, arbeidsverhouding en eventueel rechtspositie tussen predikanten en kerkenraden in onze kerken te onderzoeken of te doen onderzoeken;

2. bij dit onderzoek ook gegevens uit andere kerken te betrekken;

3. aan de volgende synode verslag uit te brengen van de resultaten van het onderzoek en indien nodig naar aanleiding daarvan voorstellen te doen tot verbetenng van de waargenomen situaties.

7. inzake het huwelijk

De generale synode

kennis genomen hebbende van

de instructie van de particuliere synode van het westen inzake de ontwikkelingen rond de wetgeving m. b. t het huwelijk;

van mening dat

1. het huwelijk door God is ingesteld en als zodanig geëerbiedigd moet worden;

2. de gemeente van Chnstus geroepen is daarom het huwelijk in ere te houden;

3. twee mensen, man en vrouw, bijbels gezien het huwelijk sluiten ten overstaan van God en de samenleving;

constaterend dat

1. de kerken van oudsher geroepen zijn de overheid aan te spreken op de erkenning en de bescherming van het huwelijk als unieke levensvorm van man en vrouw;

2. de wet- en regelgeving van de Staat der Nederlanden ten aanzien van het sluiten van burgerlijke huwelijken hoe langer hoe meer leidt tot uitholling van de bijbelse begnppen ten aanzien van het huwelijk in onze samenleving;

3. de kerken gehoorzaam dienen te zijn aan wat de Schnft zegt t. a. v. het huwelijk;

besluit

deputaten voor contact met de overheid op te dragen

a. attent te zijn op de probleem- en conflictpunten, welke door het overheidshandelen opgeroepen zouden kunnen worden met het oog op het huwelijk zoals de bijbel daarover spreekt;

b. een op bijbelse gronden gebaseerde aanbeveling voor de kerken op te stellen hoe in dezen gehandeld dient te worden;

c. hierover aan de volgende synode te rapporteren.

8. inzake de vrouw in het ambt

De synode van Zienkzee stelde n. a. v een instructie terzake een deputaatschap in ter bestudering van de zaken rond de vrouw in het ambt. De synode nam hierover het volgende besluit:

De generale synode

kennis genomen hebbende

van het eindrapport van deputaten voor de vragen rond vrouw en ambt;

overwegende

1. dat zij geroepen is het werk van deputaten te beoordelen in het licht van de opdracht die de generale synode 1995 aan deputaten verstrekt heeft;

2. dat deputaten bij de uitvoenng van de synodale opdracht gestuit zijn op de vraag naar de juiste interpretatie van deze opdracht;

3. dat de Chr. Geref. Kerken in het verleden (1956) op grond van de gereformeerde ambtsopvatting hebben uitgesproken dat er gelijkwaardigheid is tussen de ambten;

4. dat de ambten, zoals die thans in de Chr. Geref. Kerken functioneren, met rechtstreeks afkomstig zijn uit het Oude en Nieuwe Testament, maar wel bijbelse wortels hebben;

5. dat uit de gereformeerde visie op de ambten blijkt, dat de ambten met alleen voortvloeien uit de gaven die de Here aan de leden van de gemeente verleend heeft, maar dat naast het ontvangen hebben van bepaalde gaven van de Heilige Geest een afzonderlijke roeping nodig is om in het ambt te kunnen dienen;

6. dat de klassieke gereformeerde ambtsopvatting geen plaats heeft toegekend aan vrouwelijke ambtsdragers;

7. dat het van het grootste belang is dat de kerken in de zaken van vrouw en ambt de eenheid van het kerkverband bewaren;

van oordeel

1. dat deputaten terecht besloten hebben dat de mogelijkheid open gehouden moest worden dat de bestaande visie onhoudbaar is of bijgesteld moet worden;

2. dat uit de studie van het deputaatschap blijkt dat de ambtelijke structuur zoals de Chr. Geref. Kerken die kennen schriftuurlijk verantwoord is;

3. dat het niettemin de vraag is of in de praktijk van het kerkelijke leven in de Chr. Geref. Kerken de grote diversiteit van gaven en diensten waarmee de Heilige Geest de nieuwtestamentische gemeente heeft toegerust voldoende tot zijn recht komt;

4. dat het te betreuren is dat deputaten niet tot een eensluidende visie konden komen ten aanzien van de hermeneutiek en de exegese van de in het geding zijnde Schriftplaatsen;

5. dat het verschil tussen de meerderheid en de minderheid van deputaten vooral samenhangt met een verschillende taxatie van de relatie tussen openbaring en cultuur/historie;

6. dat de visie van de meerderheid van deputaten - in tegenstelling tot die van de minderheid - een deugdelijke en overtuigende onderbouwing is van het standpunt dat in de Chr. Geref. Kerken steeds als het schriftuurlijke heeft gegolden;

7. dat uit het geheel van het spreken van de Heilige Schrift duidelijk is dat het gezaghebbend leiding geven aan de gemeente aan de man en niet aan de vrouw toekomt;

spreekt uit

dat het standpunt ten aanzien van de vrouw in het ambt, dat in de Chr. Geref. Kerken steeds heeft gegolden, schriftuurlijk verantwoord is;

en besluit

1. deputaten te danken voor hun grondige studie en rapport;

2. een studiedeputaatschap in te stellen dat, gelet op de grote diversiteit van gaven en diensten, waarmee de Heilige Geest in de nieuwtestamentische gemeente zowel mannen als vrouwen heeft toegerust, onderzoekt of en in hoeverre hieraan in de kerkelijke praktijk van de Chr. Geref. Kerken (voldoende) recht wordt gedaan, en op basis van dit onderzoek voorstellen formuleert aan de generale synode van 2001, rekening houdend met de uitspraak van de generale synode van 1998 dat het standpunt ten aanzien van de vrouw in het ambt, dat in de Chr. Geref. Kerken steeds heeft gegolden, schriftuurlijk verantwoord is;

3. het moderamen van de generale synode op te dragen:

a. om in overleg met de pre-adviseurs het deputaten rapport en het commissierapport gereed te maken voor publiciteit en

1. toe te zenden aan de kerken;

2. beschikbaar te stellen aan kerkleden en geïnteresseerden;

b. een pastorale brief naar de kerken te sturen waarin:

1. de uitspraak van de generale synode wordt toegelicht;

2. de kerken opgeroepen worden van de diensten van de zusters van de gemeente optimaal gebruik te maken;

3. de kerken opgeroepen worden in de zaken van vrouw en ambt de eenheid van het kerkverband te bewaren.

9. inzake een voorlopige regeling voor losgemaakte predikanten

N. a. v. een ingediende instructie van de particuliere synode van het noorden kwam de synode tot de volgende uitspraak:

1. In plaats van art. 11 lid 4 K.O. wordt vastgesteld de ‘regeling voor begeleiding van losgemaakte predikanten’. 2. De in voorgaand besluit 1 genoemde regeling luidt als volgt:

1. indien een predikant wordt losgemaakt van zijn gemeente wordt die losmaking van kracht met ingang van de dag volgend op die waarop de classis tot losmaking heeft besloten.

2. Een tegen het classisbesluit ingediend appel heeft geen opschortende werking.

3. Indien een appel in laatste instantie is toegewezen, zal de classis in haar eerstvolgende vergadering naar bevind van zaken handelen.

4. Na de losmaking wordt aan de predikant door en voor rekening van de kerkenraad een uitkenng verstrekt op basis van het traktement dat hij van zijn kerkenraad ontving in het jaar voorafgaand aan zijn losmaking, vermeerderd met vakantietoeslag, huurvergoeding, tegemoetkoming in de premies en toeslagen overeenkomstig de nchtlijnen voor predikantstraktementen van deputaten financiële zaken. De uitkenng zal bedragen 100% van bedoelde basis gedurende 3 maanden, 80% gedurende de daarop volgende 9 maanden, 70% gedurende de daarop volgende 12 maanden, waarna geen uitkenng meer zal worden verstrekt. Indien er naar het oordeel van de kerkenraad geen sprake is van ernstig verstoorde verhoudingen tussen kerkenraad en predikant staat het de kerkenraad vrij de uitkering in het derde jaar voort te zetten met 50%, waarna geen uitkering meer zal worden verstrekt.

5. Indien de kerkenraad ten genoegen van de classis aantoont deze lasten niet of met geheel te kunnen dragen, kan hij een bijdrage vragen aan de classis. Indien de classis ten genoegen van de particuliere synode aantoont deze bijdrage met of niet geheel te kunnen leveren, kan zij een bijdrage vragen aan de particuliere synode.

6. Andere inkomsten onder meer uit arbeid of wettelijke uitkeringen tijdens de werkelijke duur van de begeleiding volgens deze regeling verworven worden in mindering gebracht op de in art. 4 genoemde uitkenng, voorzover zij tezamen met de uitkenng van de kerkenraad 115% van de in art. 4 bedoelde basis te boven gaan en voor de echtgenote inkomsten boven de 40% van deze basis.

7. Het recht op uitkenng vervalt:

a. op de datum van bevestiging als predikant in een gemeente:

b. op het moment dat betrokkene geen predikant meer is in de Chr. Geref. Kerken;

c. bij het bereiken van het recht op emeritaatsuitkenng;

d. bij overlijden;

e. bij weigenng een naar het oordeel van de classis passend beroep of andere passende arbeid te aanvaarden;

f. indien het recht bestaat op een wettelijke uitkenng en de uitkenng onder lid 6 vermeld daarop in mindenng wordt gebracht of geweigerd wordt een wettelijke uitkenng aan te vragen;

g. indien geen ernstige pogingen worden ondernomen tot het gaan vernchten van passende arbeid, hetzij binnen, hetzij buiten de kerken.

8. Tijdens de duur van de financiële regeling dient begeleiding van de predikant en zijn gezin plaats te vinden door een commissie die is samengesteld namens de kerkenraad en de classis, waarvan de kerkenraad, of de classis -indien de kerkenraad dit wenst - de samenroeper is Deze begeleiding dient er onder meer op te worden gencht alle maatregelen te nemen die kunnen leiden tot aanvaarding van een passend beroep naar art 4 of 6 K.O. dan wel andere passende arbeid.

Nu de generale synode een commissie heeft ingesteld voor begeleiding van predikanten die voortijdig hun dienst hebben beëindigd, kan de kerkenraad die commissie vragen de begeleiding te verzorgen.

9. Indien de losmaking noodzaakt tot verhuizing zonder recht op kostenvergoeding door derden zullen de kosten daarvan door de kerkenraad worden vergoed overeenkomstig de daarvoor in het maatschappelijk verkeer gangbare regels, zoals die ook zijn vermeld in bijlage 39 K.O.

3. Deze regeling geldt met terugwerkende kracht voor losmaking waarvan de begeleiding nog niet is voltooid.

4. Deze regeling wordt van kracht op de dag volgend op die waarop de generale synode deze heeft vastgesteld.

10. inzake een aspect in de verhouding met de Ned. Geref. Kerken

De particuliere synode van het oosten diende een instructie in inzake de samenwerking met die Ned. Geref. Kerken waar vrouwelijke ambtsdragers dienst doen. De synode deed de volgende uitspraak:

De generale synode,

kennis genomen hebbend

van de instructie van de particuliere synode van het oosten d. d. 22 april 1998;

overwegend

dat het besluit van de Landelijke Vergadering van de Ned. Geref. Kerken om vrouwen toe te laten tot het diakenambt de nauwere vorm van samenleven met de Ned. Geref. Kerken op plaatselijk niveau onder spanning zet;

van oordeel

1. dat de in de instructie genoemde situaties - inzake (de voortzetting van) samenwerking met een gemeente waar vrouwelijke ambtsdragers dienst doen - reële mogelijkheden zijn die zich kunnen voordoen in de praktijk van het kerkelijk leven;

2. dat er in dergelijke situaties op kerkelijke wijze gehandeld dient te worden;

3. dat het verzoek om bijlage 6 K.O. aan te vullen c. q. te wijzigen in genoemde situaties prematuur is, nu de generale synode besloten heeft de kerkrechtelijke positie van de samenwerkingsgemeenten nader te onderzoeken;

besluit

1. de kerken er op te wijzen dat een nauwere vorm van samenleven met een Ned. Geref. Kerk die overgegaan is of overgaat tot verkiezing en bevestiging van vrouwelijke diakenen, op gespannen voet staat met de in de Ghr. Geref. Kerken geldende Kerkorde en de besluiten van de meerdere kerkelijke vergaderingen;

2. de betrokken kerkenraden er op te wijzen dat de samenleving met een Ned. Geref. Kerk ter plaatse waarin vrouwelijke diakenen fungeren, ongewenste spanningen oproept ten aanzien van de loyaliteit aan het eigen kerkverband en het zich houden aan de in de Ghr. Geref. Kerken geldende Kerkorde en de besluiten van de meerdere vergaderingen;

3. deputaten voor de eenheid van de geref. belijders in Nederland op te dragen de in de instructie gesignaleerde problematiek te onderzoeken en aan te geven hoe kerken dienen te handelen, die te maken hebben en krijgen met de verkiezing en bevestiging van vrouwelijke diakenen in de Ned. Geref. Kerk ter plaatse, en daarom bijlage 6 K.O. in dit stadium niet aan te vullen c. q. te wijzigen;

4. van dit besluit mededeling te doen aan de particuliere synode van het oosten.

E. BETREFFENDE DEPUTAATSCHAPPEN

1. Emeritikas

De synode besloot tot het volgende:

1. Er wordt niet overgegaan tot samenvoeging van de pensioenfondsen van de Theologische Universiteit en van de emeritikas naar art. 13 K.O.

2. Er wordt niet overgegaan tot het sluiten van een risicoverzekering voor de uitkeringen aan weduwen en wezen.

3. De koppeling van de uitkenngsgrondslag aan het geadviseerde minimumtraktement van een predikant met tien dienstjaren wordt ook voor de komende dne jaar gehandhaafd.

4. Voor het vermogensbeheer worden de volgende bepalingen vastgesteld:

1. Aan deputaten art 13 K.O. wordt verzocht zo spoedig mogelijk te komen tot benoeming van een adviseur voor het vermogensbeheer. Deze dient gekwalificeerde kennis en ervanng te hebben in het opereren op de onderscheidene beleggingsmarkten. De adviseur dient in te stemmen met en te (doen) handelen overeenkomstig deze bepalingen. Deputaten kunnen, gehoord de penningmeester, de benoeming van de adviseur ongedaan maken. Indien geen adviseur in functie is, treedt de penningmeester in zijn plaats.

2. De effecten worden in depot gegeven bij het hoofdkantoor van een grote bankinstelling.

3. De adviseur houdt contact met een daar werkzame hooggekwalificeerde professionele beleggingsdeskundige met als doel voor wat betreft mutaties in dit vermogen flexibel af te stemmen op de ontwikkelingen op de onderscheidene beleggingsmarkten.

4. De penningmeester van deputaten is jegens deputaten verantwoordelijk voor de beleggingstransacties. Deze transacties behoeven vooraf de (telefonische) goedkeunng van de penningmeester. De penningmeester kan zich laten bijstaan door beleggingsdeskundigen, al dan met lid zijnde van deputaten art 13 K.O.

5. De penningmeester brengt één maal per half jaar schriftelijk verslag uit aan deputaten over de sinds de vorige verslaggeving uitgevoerde transacties, de daaruit geresulteerde samenstelling van de beleggingsportefeuille (effecten en bank- en girosaldi) tegen marktwaarde, de voor de nabije toekomst verwachte liquiditeiten en globale voornemens voor beleggingstransacties. De penningmeester zendt aan de adviseur een exemplaar toe van dat verslag. De adviseur dient in de gelegenheid te worden gesteld en is voorts desgevraagd gehouden, daarop zijn toelichting te geven.

6. Bij beleggingstransacties dient speculatie te worden vermeden. Zo zijn transacties met geleend geld en termijntransacties met toegestaan.

7. Bij het aankoopbeleid wordt primair uitgegaan van de jaarlijkse bijdragen van kerken en deputaatschappen, giften en legaten, rente en dividend en voorts aflossingen, onder aftrek van verplichtingen op korte termijn Indien daartoe aanleiding bestaat kan ook verkoop van effecten plaatsvinden en herbelegging van de vrijkomende middelen.

8. Indien het totaalbedrag van aan- en verkopen van effecten in een kalenderjaar hoger wordt dan 30% van de koerswaarde van de effectenportefeuille per 1 januari van dat jaar is voor verdere transacties vooraf instemming nodig van deputaten.

9. Belegging in aandelen dient zich te nchten op fondsen, die een trendmatig gezonde koersontwikkeling te zien hebben gegeven en die kennelijk bij professionele beleggers breed vertrouwen genieten.

10. De belegging in aandelen dient te worden gespreid over een redelijk aantal fondsen en tegelijkertijd over diverse soorten fondsen, zoals de financiële sector, industne, handel en onroerend goed.

11. De koerswaarde van het in aandelen belegd vermogen dient voorshands niet hoger te worden dan 20 á 30% van de koerswaarde van de totale effectenportefeuille vermeerderd met de liquiditeiten.

12. In zeer bijzondere omstandigheden kan van deze nchtlijnen worden afgeweken met instemming van de adviseur en krachtens besluit van deputaten.

13. Desgevraagd kunnen ook andere deputaatschappen worden geadviseerd met betrekking tot het beheer van hun vermogen.

5. Aan deputaten wordt verzocht bij volgende rapportages de geactualiseerde tekst toe te voegen van de voor hen vastgestelde instructie, tenzij een herziene tekst van de K.O. met de geactualiseerde tekst van deze instructie beschikbaar is.

6. Een samenwerkingsgemeente dient bij te dragen aan de chr. geref. emerltikas op basis van het aantal chr. geref. leden.

Voorts besloot de synode:

De generale synode,

overwegend

1. dat tegen de achtergrond van ingrijpende veranderingen elders in de samenleving in verband met uitkeringen en pensioenen, de bestaande regelingen in verband met emeritering steeds meer een eigen vreemdsoortig karakter krijgen;

2. dat regelmatig problemen ontstaan wanneer predikanten vrijwillig of onvrijwillig hun ambtsbediening voortijdig beëindigen;

3. dat onderzoek door deputaten emeritikas in het verleden niet geleid heeft tot voorstellen om te komen tot wijziging van de bestaande regelingen in verband met de emeritaatsuitkeringen;

4. dat enkele voorstellen van deputaten en van commissie 7 een gedeeltelijke aanpassing inhouden van de bestaande regelingen aan ontwikkelingen in verband met uitkeringen en pensioenen elders in de samenleving;

van oordeel

1. dat het voor gemeenten en predikanten van belang is dat inzake uitkeringen en pensioenrechten bij vrijwillige of onvrijwillige beëindiging van het dienstverband duidelijkheid en zekerheid geboden worden;

2. dat aansluiting bij regelingen elders in de samenleving in verband met uitkeringen en pensioenen voor meer duidelijkheid en zekerheid kan zorgen;

3. dat aansluiting bij regelingen elders in de samenleving in verband met uitkeringen en pensioenen kan zorgen voor meer rechtsgelijkheid onder predikanten in verschillende werksituaties;

besluit

1. een commissie te benoemen van twee deputaten art. 13 ko en drie externe deskundigen en deze commissie op te dragen te onderzoeken onder welke voorwaarden en tegen welke kosten predikanten ondergebracht kunnen worden bij een pensioenfonds;

2. deze commissie hierover te laten rapporteren aan de volgende generale synode.

2. de Theologische Universiteit 2.1. het curatorium

De synode besloot:

1. goedkeuring te hechten aan de benoeming van drs. W. P. de Groot tot universitair docent in de apologetiek en evangelistiek;

2. goedkeuring te hechten aan de benoeming en herbenoeming van drs. R. W. J. Soeters tot universitair docent in de vroege kerkgeschiedenis en Middeleeuwen;

3. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van drs. G. J. van ‘t Spijker tot universitair docent in het Nieuwtestamentische Grieks;

4. goedkeuring te hechten aan de benoeming van prof. drs. J. A. Meijer voor het ondenwijs in het patristisch Latijn;

5. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van drs. B. J. Dikken en mevr. dr. A. Drint tot universitaire docenten;

6. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van mevr. D. M. van Hulzen-Schipper tot logopediste en drs. M. C. Mulder tot begeleider in de studie van de judaica;

7. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van dr. D. J. Steensma tot universitair docent in het vak ethiek;

8. het onderwijs in het vak ethiek te optimaliseren door het laten geven van enkele series gastcolleges over gerichte ethische onderwerpen en verdere optimalisering te bevorderen;

9. het curatorium op te dragen te onderzoeken of en hoe in de nabije toekomst samenwerking op het terrein van dit vakgebied met de Theologische Universiteit te Kampen (II) gerealiseerd zou kunnen worden;

10. goedkeuring te hechten aan de benoeming van drs. A. Heijstek tot tijdelijk docent psychologie in de propedeuse;

11. akkoord te gaan met het ‘Akkoord van samenwerking van de Theologische Universiteiten van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland en de Gereformeerde Kerken in Nederland voor de Vooropleiding van aanstaande dienaren des Woords’;

12. akkoord te gaan met de regeling inzake het vak gemeente-opbouw, zodat voortaan dit vak interdisciplinair gedoceerd wordt door de docenten dogmatiek, ambtelijke vakken, kerkrecht en eventueel Nieuwe Testament, waarbij de coördinatie in handen is van de hoogleraar kerkrecht;

13. akkoord te gaan met de definitieve regeling inzake de kerkrechtelijke positie van de hoogleraren en de nieuwe ‘Concept-akte van ontslag van de ambtelijke dienst in de gemeente voor dienaren des Woords die tot hoogleraar benoemd zijn’, alsmede met de daaruit voortvloeiende wijzigingen in art. 13 K.O. en bijlage 12 K.O.;

14. akkoord te gaan met de voorgestelde wijziging van art. 2 b van het ‘Reglement voor het verlenen van emeritaat’ etc. (bijlage 13 K.O.) in: b. aan een hoogleraar die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt;

15. het curatorium op te dragen om een afwijzing bij het admissie-examen met redenen te omkleden en daarvan de afgewezene in kennis te stellen;

16. instemming te betuigen met het voorgenomen beleid inzake persoonlijkheidsvorming van de studenten;

17. goedkeuring te hechten aan het voornemen van het curatorium om een psychologische test tot de vereisten voor het admissie-examen te doen behoren;

18. in te stemmen met de geformuleerde toelatingseisen tot het volgen van de promotiestudie;

19. het curatorium op te dragen zich te bezinnen op de procedure van voordracht van nieuw te benoemen hoogleraren en hierover aan de eerstvolgende synode te rapporteren;

20. het curatorium op te dragen zich te bezinnen op de vraag of het onderwijs in het vak psychologie niet beter door een vakdocent gegeven kan worden.

2.2. deputaten-financieel voor de Theologische Universiteit

de synode besloot:

1. a. het stimuleringsfonds voor a. s. promovendi terug te brengen tot f 80.000,= en het resterende bedrag van het fonds terug te storten in het vermogen van de TU;

b. terzake van het stimuleringsfonds te bepalen dat de commissie ter beoordeling van de aanvragen geen bijdragen zal toekennen dan nadat van deputaten-financieel is vernomen, dat de nog in het fonds beschikbare middelen voldoende zijn om aan de aanvraag te voldoen;

2. aan het vermogen van de TU een bedrag van f 450.000,= te onttrekken ten gunste van het studiefonds tot dekking van het in de jaren 1996-1998 bij deputaten studiefonds ontstane tekort; de door het studiefonds ontvangen leningen worden daarmee afgelost c. q. kwijtgescholden. In toekomstige onvoorzienbare, onvermijdbare begrotingsoverschrijdingen van deputaten studiefonds zal niet worden voorzien door de TU, noch tijdelijk noch als schenking;

3. niet over te gaan tot fondsvorming voor buitenlandse studenten. Bij aanmelding van buitenlandse studenten zal het curatorium aan deputaten zending dan wel aan deputaten hulpverlening vragen zich voor de studiekosten garant te stellen. Aan deputaten studiefonds wordt opgedragen de financiële ondersteuning uit te voeren binnen het kader van de hun daarvoor beschikbaar gestelde middelen. Aan deze deputaten wordt verzocht voor deze ondersteuning een reglement te ontwerpen en dit ter goedkeuring voor te leggen aan de volgende generale synode;

4. het emeriteringsfonds van de TU niet samen te voegen met het emeriteringsfonds van deputaten naar art. 13 K.O.;

5. deputaten-financieel van de Theologische Universiteit op te dragen een rechtspositieregeling op te stellen voor de niet-ambtelijke docenten en het ondenwijs-ondersteunend personeel aan de TU, naar analogie van de rechtspositie-regeling voor niet-ambtelijke medewerkers op het Landelijk Kerkelijk Bureau en daaroverte rapporteren aan de volgende synode.

2.3. het studiefonds

De synode besloot:

1. De bestaande voorlopige uitvoeringsregeling in art. 4 van het reglement voor het studiefonds wordt na amendering (zie C. toevoegingen en wijzigingen in de bijlagen ad 5) en met inachtname van besluit 2 gehandhaafd als een voorlopige regeling.

2. Deputaten zullen voor het overige de voorlopige uitvoeringsregeling bedoeld in voorgaande besluiten hanteren overeenkomstig hun voorstel voor aanpassingen daarvan, met dien verstande dat de daarin genoemde ‘70-30’-regeling wordt vervangen door een ‘30-70’-regeling.

3. Deputaten wordt opgedragen, in aanmerking nemende het ter synode van 1998 dienaangaande besprokene, aan de generale synode van 2001 binnen de grens van maximaal f 2,= per kerklid per jaar een andersoortige regeling ter definitieve vaststelling voor te leggen voor financiële steun aan studenten die geen gebruik kunnen maken van de studiefinancieringsregeling van de overheid.

4. Uit het studiefonds worden geen bijdragen verstrekt na beroepbaarstelling.

3. de evangelieverkondiging onder Israël

De synode besloot:

1. de brief van het OJEC voor kennisgeving aan te nemen;

2. deputaten op te dragen in hun werk waar nodig uiting te geven aan onze verbondenheid met Israël om mede langs deze weg mee te werken aan het wegnemen van het negatieve beeld van de christelijke kerk;

3. deputaten op te dragen in hun contacten met Messias-belijdende joden in Israël uiting te geven aan hun zorg en meeleven in situaties waarin hun positie en identiteit onder spanning komt te staan;

4. deputaten op te dragen om in de ontmoeting en het gesprek met Israël attent te blijven op publicaties die de Persoon en het (verzoenend) werk van Christus tekort doen en na te gaan of en in hoeverre de Israëlwerker daarmee te maken krijgt in zijn contacten in Israël en op welke wijze hiermee in het Joodse denken wordt omgegaan.

4. de evangelieverkondiging onder Israël en de buitenlandse zending

overbruggingsregeling repatriërende predikanten

1.

1.1 Er wordt een commissie ingesteld ter begeleiding van predikanten die voortijdig hun ambtelijke dienst hebben beëindigd.

1.2 De commissie bestaat uit drie door de generale synode te benoemen leden, te weten een theoloog, een psycholoog en een lid met kennis en ervaring terzake van arbeidsaangelegenheden.

1.3 De commissie is tot begeleiding gehouden

a. indien de predikant die het aangaat zes maanden na beëindiging van zijn dienst nog geen beroep heeft ontvangen en de kerkenraad waaraan hij is verbonden om die begeleiding vraagt. De begeleiding zal plaatsvinden in overleg met de kerkenraad, classis en deputaten, voorzover van toepassing;

b. indien de predikant zijn ambt heeft verlaten, is geschorst of afgezet en de kerkenraad om begeleiding vraagt.

1.4 Deze commissie zal voorzover in de onderscheidene gevallen van toepassing onder meer de volgende taken uitvoeren:

a. persoonlijke begeleiding van de predikant en zijn gezin in de ontstane situatie;

b. verkenning van de mogelijkheden die kunnen leiden tot het ontvangen van een beroep;

c verkenning van de mogelijkheden om andere passende betaalde arbeid te verrichten;

d zonodig verkenning van de mogelijkheden tot bijscholing en omscholing;

e zonodig verkenning van de mogelijkheden om andere arbeid te verrichten ten dienste van het kerkverband;

f het in goed overleg met de predikant komen tot een volgorde van acties teneinde alsnog arbeid te verwerven;

g de vaststelling van de uitkering en de daaraan verbonden voorwaarden overeenkomstig de door de generale synode gestelde regels en in overleg met de kerkenraad en de betrokken deputaatschappen evenals de controle op de uitbetaling daarvan en de nakoming van de gestelde voorwaarden;

h rapportage over de ontwikkelingen aan de kerkelijke vergaderingen en deputaatschappen, die het aangaat;

i voorts alles wat naar het oordeel van de commissie dienstig kan zijn om de gestelde doelen te bereiken.

1.5 De begeleiding is er op gericht alle maatregelen te nemen die kunnen leiden tot aanvaarding van een passend beroep naar art. 4 of 6 K.O., dan wel passende arbeid die niet strijdig is met de naam en de eer van een dienaar des Woords. Wanneer een predikant tot een andere staat des levens wenst over te gaan, kan de commissie hem daar ook bij begeleiden. Indien voor het verkrijgen van passende arbeid omscholing nodig is, kan de commissie besluiten tot vergoeding van de hiervoor gemaakte kosten.

Predikanten die de leeftijd van 57 jaar en 6 maanden hebben bereikt op de datum van beëindiging van de dienst worden daarbij vrijgesteld van de verplichting andere passende arbeid te aanvaarden.

1.6 De commissie wordt door de betrokken predikant, de kerk waaraan hij verbonden is en de andere betrokken deputaatschappen voorzien van alle informatie die relevant is voor de beoordeling van de situatie en de uitvoering van haar werkzaamheden. De predikant kan tegen enige beslissing van de commissie in beroep gaan bij de classis waartoe de kerk behoort waaraan hij is verbonden. De mogelijkheid van beroep heeft geen opschortende werking.

1.7 Indien er geen mogelijkheid is passende arbeid te verkrijgen, kan de commissie erin bemiddelen dat de dienaar des Woords tijdelijk arbeid verricht ten behoeve van het kerkverband of één of meer plaatselijke gemeenten.

1.8 a. De te verstrekken uitkering zal voor rekening zijn van de kerk waaraan de predikant verbonden is indien de predikant in en voor rekening van deze kerk zijn dienst verrichtte.

b. De te verstrekken uitkering zal voor rekening zijn van een deputaatschap indien de predikant werkzaam was voor of uitgezonden was door dat deputaatschap.

c. De te verstrekken uitkering zal voor rekening komen van deputaten OBA indien de predikant zijn dienst verrichtte krachtens art. 6 K.O.

d. Indien en voorzover de predikant arbeidsongeschikt is verklaard zullen deputaten art. 13 K.O. de emeritaatsuitkering verstrekken volgens de daarvoor geldende regels.

1.9 Het recht op uitkering vervalt:

a. op de eerste dag van een aangegaan dienstverband, waaronder ook begrepen bevestiging in een nieuwe beroeping;

b. bij weigering een naar het oordeel van de commissie passend beroep of andere passende arbeid te aanvaarden;

c. indien recht bestaat op een wettelijke uitkering en de uitkering van de kerken daarop in mindering wordt gebracht of geweigerd wordt een wettelijke uitkering aan te vragen;

d. indien geen ernstige pogingen worden ondernomen zinvolle arbeid hetzij buiten hetzij binnen de kerken te vernchten;

e. bij overlijden

1.10 Voor de hoogte en de duur van de uitkenngen zijn bepalend de door de generale synode vastgestelde voorlopige of definitieve specifieke regelingen. Bij het ontbreken daarvan zal uitkenng maximaal kunnen plaatsvinden tot en met het kalenderjaar waarin de volgende synode plaatsvindt en voorts zoveel langer als overeenstemt met hetgeen door die synode wordt besloten.

1.11 De commissie brengt rapport uit van haar bevindingen aan de volgende synode.

2. Vastgesteld wordt de volgende direct ingaande ‘voorlopige regeling voor begeleiding van repatnërende missionaire predikanten’:

2.1 De regeling heeft betrekking op voortijdige terugkeer of terugkeer door het verstrijken van de overeengekomen termijn.

2.2 Indien zes maanden na het werkloos worden nog geen beroep is ontvangen, is er sprake van een uitzonderlijke situatie waarop deze regeling van toepassing is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.