+ Meer informatie

TERUGBLIK OP DE GENERALE SYNODE 1986

14 minuten leestijd

Nu de generale synode weer voorbij is en ik het geheel op een (kleine) afstand nog eens overzie, wil ik een aantal zaken de revue nog eens laten passeren. Het is uiteraard geen verslag van de zittingen. Daarvoor kunt u uitstekend terecht in De Wekker. Het zijn wat indrukken die bij mij achterbleven en het is ook een klein stukje evaluatie van enkele zaken die veel aandacht kregen.

Eerst denk ik nog even aan de weken die aan de synode voorafgingen. Wat is er in die weken veel over de synode gesproken en geschreven. Het was lang niet altijd even verheffend en bemoedigend. Zo was er kritiek op de afvaardigingen. Veel te eenzijdig samengesteld, zei de één. En weer een ander wist te melden dat het nog wel eens op een kerkscheuring uit zou kunnen lopen, als de synode niet uiterst behoedzaam haar weg zou gaan. Zelf behorend tot het ressort van de classis Amersfoort en ook deel uitmakend van de afvaardiging naar de part. synode van het Oosten deed mij dat wel eens pijn. De „Amersfoortse kwestie” kreeg immers wel bijzonder veel aandacht. Nu is dat best te begrijpen. Maar begrepen al die critici wel voldoende dat we in Amersfoort en ook in Utrecht, waar de part. synode gehouden werd, alleen maar hebben willen denken en spreken zoals het Woord van God het ons gebiedt?

Dat het geen gemakkelijke synode zou worden, daar waren we allen wel min of meer van overtuigd. Er lagen ook zoveel bezwaarschriften op de synodetafel. In dat licht mogen we ook de bidstonden zien die voor de synode gehouden werden. Er is veel gebeden om wijsheid en inzicht. Er is gebeden: „Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet”. Deze woorden vormen het slot van vers 9 uit Jeremia 14. Ds. M.C. Tanis preekte erover tijdens de bidstond in Den Haag en in zijn gebed vertolkte hij met deze woorden wat leefde in vele harten. „Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere, doe het om Uws Naams wil, Heere, verlaat ons niet”.

Bemoedigd en gesterkt zijn we naar huis gegaan. We mochten alles in de hand van de Koning der Kerk leggen. En zou de Heere om Jezus’ wil ons niet willen horen? We beseften: het is Zijn zaak, ’t gaat bovenal om Zijn Naam, om Zijn eer en het gaat om het heil der kerken die we liefhebben en mogen dienen. In dit besef hebben we onze arbeid mogen doen.

Er is op de synode en tijdens de weken waarin de commissies hun werk moesten doen, heel veel verzet. Dat moest ook wel. Er lagen maar liefst 15 instructies, 31 rapporten, 32 ingekomen stukken en 52 bezwaarschriften op behandeling te wachten. Om alles op tijd en ook goed op de vergaderingen van de synode te kunnen behandelen is een goede voorbereiding noodzakelijk. Vandaar dat er acht commissies ingesteld werden die allen een taak kregen.

Het samenstellen van die commissies is nog niet zo eenvoudig. Om dat te kunnen doen is een breed inzicht in ons kerkelijk leven vereist. In zo’n commissie moet onze hele kerk a.h.w. weer terug te vinden zijn. Nu, daar is het moderamen, bijgestaan door de preadviseurs en de samenroepende kerk heel goed in geslaagd.

Het is mij opgevallen dat er van de kant van de commissies praktisch geen meerderheids- en minderheidsvoorstellen waren. Dat duidde op eensgezindheid waar we dankbaar voor mogen zijn.

Bij alles wat op de synode aan de orde kwam, kreeg de „Amersfoortse kwestie” wel heel veel aandacht als ook het rapport van deputaten voor algemene diakonale en maatschappelijke aangelegenheden en het rapport van deputaten voor onderzoek naar berijmde Schriftgedeelten.

Wat het eerste betreft is het wel goed om even terug te gaan naar de classis Amersfoort. In haar vergadering op dinsdag 29 januari 1985 te Harderwijk sprak de classis uit dat het standpunt van de beide predikanten van Amersfoort, inzake abortus provocatus „in strijd is met Gods Woord en Wet, dat eerbied voor het menselijke, ook het beginnende leven eist en de menselijke situatie niet beslissend doet zijn, tenzij het leven zelf er mee gemoeid is”. Ook sprak de classis uit „dat dit standpunt geen recht doet aan de tot dusver gevoerde strijd tegen het legaliseren van abortus provocatus, maar in tegendeel deze strijd ondermijnt en de voorstanders tegemoet komt; dat handhaving van dit standpunt het vertrouwen in de confessioneel ethische trouw van de voorstanders van dit standpunt vermindert en de kerkelijke verhouding bemoeilijkt”. De classis besloot toen de predikanten van Amersfoort te vermanen op dit standpunt terug te komen en de kerkeraad van Amersfoort te vermanen de verklaring van 1 december 1984 in te trekken, waarin hij zich volledig achter het standpunt van zijn predikanten stelde. De kerkeraad van Amersfoort ging tegen dit besluit in appel bij de particuliere synode van het Oosten. Maar toch was hiermee de zaak op de classis niet afgedaan. Van beide kanten bleef de wens bestaan om toch door te praten om elkaar op grond van Schrift en belijdenis te vinden. Men besloot het besluit c.q. appel op te schorten gedurende die tijd. Dit zijn moeizame gesprekken geweest waarin men elkaar niet kon overtuigen en die uiteindelijk hierin resulteerde dat de classis haar besluit verder verduidelijkte en onderbouwde maar ook aanscherpte. Het „schorsingswaardig” werd uitgesproken.

De part. synode moest zich toen over de handelwijze van de classis uitspreken. Zij had zich niet alleen te beraden over de inhoudelijke kant van de zaak maar ook over de procedurele gang van zaken. Wegens „de verstrengeling van formele en materiële zaken” was dit geen gemakkelijke taak. Na diepgaande studie besloot de part. synode het appel van Amersfoort en ook van Veenendaal-B. niet toe te wijzen. Het gevolg was dat de kerkeraad van Amersfoort en anderen zich wendden tot de generale synode.

Niet zonder spanning heeft men in den lande de uitspraak van onze hoogste meerdere vergadering afgewacht.

Ik heb het als een zegen ervaren dat onze synode zich in alle rust over deze materie kon buigen en zich met algemene stemmen heeft kunnen uitspreken. Terecht werd er veel waardering uitgesproken voor het werk van de commissie die zich nauwgezet door alle stukken heengeworsteld heeft. Wat heeft men in alle openheid, zonder enig vooroordeel naar elkaar willen luisteren. Hoe treffend vertolkte een van de preadviseurs ons aller gevoelen toen hij zei: „het gebod van God mag onder ons toch niet ter discussie staan.” De synode oordeelde dat er procedurele fouten zijn gemaakt. Op 21 januari 1985 heeft de classis Amersfoort een wettig besluit genomen, maar toen de kerkeraad van Amersfoort tegen dit besluit in appel ging, had de classis niet verder moeten gaan. De classis had dan ook het „schorsingswaardig” niet mogen uitspreken. Maar t.a.v. de inhoudelijke kant van de zaak, het materiële dus, heeft de synode de appels afgewezen. Het Studierapport van de part. synode inzake abortus provocatus vond de generale synode een verantwoord stuk en een evenwichtige benadering van deze materie. Het is op grond van dit Studierapport dat de part. synode haar inhoudelijke besluiten nam. De generale synode oordeelde dan ook dat genoemd Studierapport voor verder gesprek goede diensten kan bewijzen.

De generale synode besloot „de part. synode op te dragen de behandeling van de zaak terug te verwijzen naar de classis Amersfoort en de part. synode te verzoeken de classis op te dragen het gesprek met de kerkeraad van Amersfoort en zijn predikanten in broederlijke geest voort te zetten, uitgaande van het classisbesluit van 29 januari 1985. Bij dit gesprek dient als handreiking te worden genomen het Studierapport van de part. synode van het Oosten inzake abortus provocatus”. Tevens benoemde de generale synode een commissie om haar besluit ter classisvergadering toe te lichten en deze vergadering bij te staan. Deputaten naar art. 49 K.O. hebben daar dan ook bij aanwezig te zijn.

Het is dus duidelijk dat het besluit van de classis Amersfoort van 29 januari 1985 nog recht overeind staat. Uitgaande van dit besluit zal het gesprek weer op gang moeten komen, met als handreiking het al eerder genoemde Studierapport.

Van ganser harte hoop ik dat de broeders in de classis Amersfoort elkaar weer zullen vinden en dat de helpende hand, in de vorm van het Studierapport, door allen met beide handen zal worden aangegrepen. Want de ruimte, die de predikant en de kerkeraad van Amersfoort voor hun standpunt vroegen en die de classis niet kon geven, heeft ook de synode niet gegeven.

Veel hoofdbrekens heeft het rapport van deputaten ADMA de synode gekost. Bij de bespreking van dit rapport kwam aan het licht dat er binnen dit deputaatschap nogal wat problemen waren waarover diepgaand gesproken zou moeten worden. Dit is dan ook gebeurd, maar dan in comité, vanwege „de verstrengeling van personen en zaken” zoals de verslaggever in De Wekker terecht opmerkt. Het past mij dan ook niet hier op in te gaan. Wel zou ik even in willen gaan op het synodebesluit. De synode oordeelde m.b.t. ADMA dat het beter zou zijn nieuwe deputaten te benoemen. De synode nam hiermee het voorstel van de commissie niet over: „1 deputaten opnieuw te benoemen en in de ontstane vacatures nieuwe deputaten te benoemen; 2 het moderamen aan te wijzen uit de nieuw te benoemen deputaten”. De vraag kan gesteld worden, en is ook gesteld: heeft de synode daar nu wel goed aangedaan? Uit de oplossingen die aangedragen zijn, meen ik wel dat deze de meest juiste is. Anders zou er m.i. teveel naar personen gekeken zijn. En als iemand jaren in een bepaalde functie in een deputaatschap zitting heeft gehad en die functie aan een nieuwe deputaat moet overgeven, die het beter moet doen, terwijl zo iemand ook zelf in het deputaatschap zitting blijft houden, lijkt mij dat erg moeilijk, zo niet frustrerend. Dan kunnen er beter nieuwe deputaten komen om de zaken opnieuw aan te pakken.

Los van dit deputaatschap denk ik toch wel eens dat wij binnen onze toch betrekkelijk kleine kerk met zoveel deputaatschappen ervoor moeten waken dat de deputaatschap- pen niet te veel verzelfstandigen. Ik geloof ook niet dat het goed is om jaren achtereen in een en hetzelfde deputaatschap te zitten. We hebben immers allemaal onze grenzen, onze beperktheden en eenzijdigheden.

Het rapport van deputaten berijmde Schriftgedeelten werd aanvankelijk op de synode niet zo enthousiast ontvangen. De commissie die dit rapport moest beoordelen, was hier al wel een beetje op voorbereid, gelet op de verschillende reacties in en buiten de wandelgangen. De commissie had ook tot taak de hele stapel verzoeken om revisie van het besluit van de synode van 1983 - de synode besloot toen de aangeboden bundel Schriftgetrouwe liederen niet vrij te geven - te beoordelen. Er werd door de voorstanders een dringend beroep op de synode gedaan deze liederen alsnog vrij te geven voor het gebruik in de eredienst. De synode oordeelde dat er geen nieuwe gronden aangevoerd werden die aanleiding zouden kunnen zijn om op haar besluit van 1983 terug te komen. Vandaar dat de commissie ook de vraag onder ogen zag of de voorstanders van de Schriftgetrouwe liederen met deze bundel aangeboden berijmde Schriftgedeelten wel genoegen zouden nemen. En zouden zij, die genoeg hebben aan wat in art. 69 K.O. wordt aangeboden, ook niet tegenstemmen? Maar het was niet aan de commissie deze vragen ter discussie te stellen. Zij had tot taak de bundel berijmde Schriftgedeelten op haar inhoud te beoordelen die het deputaatschap in opdracht van de synode van ’83 aanbood. De commissie kwam aanvankelijk met een meerderheids- en een minderheids- voorstel, later met twee voorstellen. Ik noem ze maar a. en b., elk gesteund door drie commissieleden, waarbij in voorstel b. ook enkele voorstellen uit de synode verwerkt waren. In beide voorstellen werden de deputaten hartelijk bedankt voor de consciëntieuze wijze waarop zij hun arbeid verrichtten. In voorstel a. werd voorgesteld opnieuw deputaten te benoemen met als opdracht: a. zo spoedig mogelijk de door de synode vastgestelde berijmde Schriftgedeelten in een proefbundel uit te geven en aan de kerken toe te zenden met het verzoek hem te beproeven en voor 1 januari 1989 reacties aan deputaten te zenden; b. de reacties in een rapport aan de synode van 1989 aan te bieden, opdat de generale synode in 1989 kan uitspreken welke van de liederen, genoemd in voorstel 2 behoren tot de in art. 69 K.O. bedoelde berijmde Schriftgedeelten; c. te zoeken naar berijmde Schriftgedeelten, die de heilsfeiten bezingen en die gebruikt kunnen worden op de feestdagen, alsmede naar berijmde Schriftgedeelten die betrekking hebben op doop en Avondmaal”. In voorstel b. werd gezegd dat deze bundel de indruk wekt een soort verlegenheidsoplossing te zijn en daarom werd de synode geadviseerd deze bundel niet vrij te geven voor gebruik in de eredienst en de zaak van het kerklied nu verder te laten rusten en dus geen nieuwe deputaten meer te benoemen. Uiteindelijk heeft de synode toch voorstel a. aangenomen, daar de bundel voldeed aan de norm van 1980. In het licht van het besluit van 1983 kon dit ook moeilijk anders.

In de pers las ik ergens dat zij die voorstemden, daarmee de eenheid van onze kerken beoogden. Dit heeft zeker meegespeeld, was wellicht bij verschillende afgevaardigden de belangrijkste drijfveer. Hadden zij zelf genoeg aan de 150 Psalmen, zij wilden deze berijmde Schriftgedeelten andere broeders en zusters niet onthouden die, zoals een broeder ter vergadering opmerkte, graag met duidelijke bewoordingen van het Lam willen zingen. Er is vooral op de voorgaande synode, maar ook nu veel over de eenheid gesproken.

Wat zou het een zegen zijn als deze bundel daartoe mag bijdragen en we ons als kerken ook gezamenlijk houden aan art. 69 uit onze kerkorde.

Graag zou ik nog een paar gebeurtenissen uit het hele synodale gebeuren naar voren willen halen die mij, en ik denk ons allemaal, bijzonder aangesproken hebben. Dat is de emeritering van prof. dr. B.J. Oosterhoff en, zo mag ik het wel noemen, de afscheidstoespraak van de synodepraeses, ds. J.H. Velema bij de sluiting van de synode.

In zijn toespraak tot prof. Oosterhoff haalde de praeses de laatste regel aan van diens rede, in 1959 uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar: „Daarbij (bij het luisteren naar Gods Woord) zal ik uw leermeester moeten zijn. Beschouw mij echter veel meer als uw vriend, die met u begeert te buigen aan de voeten van de grote Leermeester om ons met elkaar te laten onderwijzen”. Dat hebben velen tijdens hun studie in Apeldoorn en ook daarna mogen ervaren. Met grote dankbaarheid denk ik aan de colleges van prof. Oosterhoff terug, wetend dat ik zo veler gevoelen vertolk. Voor de laatste maal was ds. J.H. Velema praeses van de generale synode. Enkele maanden daarvoor begeerde de part. synode van het Oosten hem ook tot praeses, terwijl de voorjaarsvergadering van de classis Amersfoort ook door hem voorgezeten werd. De Heere gaf ds. Velema vele gaven. Als weinig anderen heeft hij zich ingezet voor onze kerken die hij liefhad, daarbij bovenal de eer van zijn Koning zoekend. Wij zeggen wel: er is geen mens onmisbaar. Maar we zullen ze straks wel missen, prof. Oosterhoff en ds. J.H. Velema.

Het was ontroerend de praeses te horen zeggen: „Sprak ik wel eens harde woorden, was ik wel eens te scherp in mijn woorden, wilt u het mij vergeven?” Al 46 jaar mag ds. Velema onze kerken dienen. Jaren waarin hij veel ervaring heeft opgedaan. Het stemde ons dan ook tot dankbaarheid toen hij zei: „We hebben deze synode uit Gods hand mogen ontvangen. Het is de beste synode geweest sinds de laatste 25 jaar. Eensgezind mochten we ons werk doen. Die eensgezindheid moge doorwerken in heel ons kerkelijk leven. Er was op deze synode minder polarisatie, er waren minder tegenstellingen. We mochten onze besluiten nemen coram Deo. Wie ons oordeelt is de Heere”.

De synode van 1986 is weer gesloten. Het was een goede synode waar heel het kerkelijk leven doorgelicht is. „We zijn”- om nogmaals de praeses aan te halen - „onder eikaars oordeel doorgegaan”. We hebben naar elkaar mogen en willen luisteren. Het luisteren op zich was al heel boeiend, ook lettend op de persoon die achter de woorden stak. De karakters van mensen zijn zo verschillend. Ook van hooggeleerde, weleerwaarde en eerwaarde broeders. Maar bij ons allen ging het om de eer van God, en het heil van onze kerken.

We zijn weer naar huis gegaan. leder ging weer terug naar zijn eigen gemeente. leder had ook zijn eigen gedachten. Toen we naar huis gingen kregen we nog een cadeautje mee van de samenroepende kerk. Een simpel geschenk. Een asbak. Met op de bodem een plaatje met grote letters: EBEN -HAEZER.

Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.