+ Meer informatie

Een gebed uit de diepten

6 minuten leestijd

Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Heere! hoor naar mijne stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen. - Ps. 130 : 1, 2.

Psalm 130 is één van de liederen Hammaàloths. Deze liederen werden gezongen bij de opgang of optocht der Israëlieten naar de tempel te Zion. Van heinde en ver, uit steden, dorpen en vlekken stroomde de feestvierende menigte samen. Op alle wegen, die naar Jeruzalem leidden zag men tempelgangers gaan. Nu trok de stoet niet zwijgend voort. Men zong de liederen der optochten. Onder meer werd gezongen Psalm 130. Deze psalm is ons niet onbekend. Wij kennen hem. Hij staat in onze psalmbundel. Wij zingen hem. Nu is het echter de vraag of in deze psalm onze zielstoestand verklaard ligt. Opmerkelijk is het, wanneer we deze psalm in onze bijbel lezen, dat de naam van de dichter niet genoemd] wordt. De Heere vermeldt de naam van del dichter niet. Hierin ligt verklaard, dat allen, | die op weg zijn naar het hemelse Zion deze kennen als hun levenslied. Wie de inhoud van deze psalm niet beleeft, zal niet voor God in Zion verschijnen. Zielsbeleving wordt ons al in het eerste vers getekend. Het is een gebed uit de diepten. De dichter bevindt zich in de diepten. Hij is een mens van de diepte. Van nature zijn we daar een vreemdeling van. De mens is van huis uit geen mens van de diepte.

Hij is een mens van de oppervlakte. Onbewogen gaat hij door het leven en trekt zich van de werkelijkheid niets aan. Men kan ook een mens van de hoogte zijn. Als een eigengerechtigde kan men voortgaan over de weg des levens. Rijk en verrijkt zijnde en geen dings gebrek. Men leeft in de vaste overtuiging, dat het einde vrede zal zijn. Men gelooft en twijfelt nimmer. Men heeft geen strijd. Men kan voor God bestaan. Echter zonder kennis van de diepte. Men mijdt allen, die spreken over de diepten. Men ergert zich aan een prediking, waarin het gaat over de diepten. Zo zijn er velen in onze tijd. Men bedriegt zich echter voor de eeuwigheid. Niemand komt in de hemel, zonder kennis van de diepten, waarvan de dichter spreekt. Men moet kennen het lied uit de diepte. Wie nu door Gods Geest bewerkt wordt, wordt een mens van de diepte.

Dit leert ons de bijbel duidelijk. Wanneer de dichter van Psalm 130 het heeft over de diepte, gebruikt hij een beeld. Een treffend beeld.

In het Oosten waren er puttenen kuilen. Daarin werd in de regentijd water verzameld. In de droge periode was de bodem bedekt met een laag slijk. Wie nu in zo’n put of kuil terecht kwam, kon er niet in staan, maar zakte er geleidelijk aan in weg. Hachelijk was de positie van iemand, die daarin geraakte.

Men kwam er niet meer uit. Men kon er zich zelf niet uitwerken. Zelfverlossing was onmogelijk. Was uitgesloten. Aan een man in een put was nu de dichter gelijk. Critiek was zijn toestand. De dood voor ogen. Beleden moest worden; ik heb mijzelf in de diepte gebracht. Door eigen schuld ben ik er ingekomen. Hij was in de diepte van zonde en ongerechtigheid terechtgekomen. De Heere had zijn ogen geopend voor de werkelijkheid. Deze werkelijkheid greep hem aan. Hij had tegen de Heere gezondigd. Zijn wet overtreden. Hij leefde in een gescheiden staat van God. Het trof hem tot in het diepst van zijn bestaan, dat de zonden scheiding hebben gemaakt tussen de Heere en hem. Als zondaar zal hij nu de eeuwige dood sterven. Voor altijd gescheiden zijn van God. Niet kennend Zijn gunst en gemeenschap. In de diepten moest hij buigen voor Gods recht. Voor ’s Heeren doen.

Maar we horen hem ook roepen uit de diepten. De Geest, Die ontdekt aan de diepten, leert ook roepen uit de diepten. Het roepen uit de diepten is dus een levenskenmerk. Nu zijn er kerkmensen, die spreken over de diepten. Zij missen echter de beleving. Zij staan aan de rand van de diepten, maar zij zijn nimmer gekomen in de diepten. Wanneer we gevoelen dat we er in zijn, wordt het anders, dan roepen we er uit. Beschouwende kennis, de zaken beredeneren baten niet, wanneer de dood komt. Het komt op de beleving aan. Die beleving kennen Gods kinderen. Uit hun hart welt op, wat de dichter uit. Met hem roepen zij uit de diepten. Zij roepen. Roepen wordt in de diepten geleerd. Het bidden gaat over in smeken, roepen. Roepen tot de Heere. Het roepen blijft niet in de diepte, maar rijst uit de diepten naar omhoog. Het is een roepen tot de Heere. Een roepen tot Jehovah. Die Naam zegt, dat God barmhartig, genadig en groot van goedertierenheid is. In die Naam ligt verzegeld, dat allen, die Hem aanroepen Zijn goedertierenheid ondervinden. Die Naam nu is de dichter niet onbekend. Die Naam heeft waarde voor hem. Het kennen van die Naam verwekte goedertieren gedachten van de Heere in hem. Het gaf hem vrijmoedigheid om in zijn nood, die Naam aan te roepen. Te uiten: „Heere! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.” Wie dit nabidt, kent en gevoelt zijn nood. Weet zich een onwaardige. Men belijdt het van harte; het horen en verhoren des Heeren niet verdient te hebben. Naar recht moet de Heere in de diepte laten. In de diepte laten omkomen. Het is rechtvaardig, wanneer de Heere in Zijn heiligheid het oor afwendt van het roepen. Toch kon men het roepen niet nalaten. In het hart ligt door Gods genade de overtuiging, dat bij de Heere goedertierenheid is, dat bij Hem veel verlossing is. Deze geloofsovertuiging doet roepen. Vertrouwend roepen. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven. De Naam Jehovah zegt, dat Hij wil en zal helpen. De Naam Adonai geuit in vers 2 zegt, dat Hij kan helpen. Van Gods willen, van Gods zullen, van Gods kunnen is de dichter overtuigd. Vandaar dat de dichter het roepen niet staakt. Hij roept niet eenmaal, maar blijft aanhoudend roepen. Hij klemt zich in zijn smeken aan Gods Namen vast. Dit heeft Christus ook eenmaal gedaan, toen Hij als Borg, de verlossing van Zijn volk volbracht. Hij heeft in de plaats der Zijnen uit de diepste diepte geroepen en is verhoord. Immers van Hem staat geschreven: „Die in de dagen Zijns vieses gebeden en smekingen tot Degene, die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende en verhoord zijnde uit de vreeze, hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden en geheiligd zijnde is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.” Hierin nu ligt verzekerd, het horen, de verhoring van de smeking, van het geroep uit de diepte. De Heere schenkt wat het hart van Hem begeert. Hij haalt op uit de ruisende kuil, uit modderig slijk. Hij stelt de voeten op een rotssteen. Hij maakt de gangen vast. Hij geeft een nieuw lied in de mond. Een lofzang ter eer en verheerlijking des Heeren.

Leeft U in de diepte? Roept tot de Heere. Hoopt op de Heere. Hij zal U bevrijden, want Zijn naam is: HEERE; Heere!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.