+ Meer informatie

Aanschouw het verbond

8 minuten leestijd

Psalm 74: 20a.

Geliefden!

We zijn gekomen aan het einde van onze ontmoetingsdag. Het is de vijfde, die we hebben mogen houden. Het stemt ons tot blijdschap, dat ook vandaag vele ouderen, maar ook vele jongeren aanwezig waren. Op dagen als vandaag zijn we niet bijeen als een stel demonstranten. Het is volkomen onjuist, wanneer men ons zo ziet. Wij wensen niet te demonstreren. We zijn niet bijeen om kreten of leuzen te laten horen. Samenkomsten als deze staan in het teken van bezinning en toerusting. We wensen ons te bezinnen op het pand, dat de Heere ons heeft toebetrouwd. Die bezinning is noodzakelijk voor ons persoonlijk, gezins- en kerkelijk leven. Die bezinning is altijd geboden, maar wel bijzonder in onze tijd. Nu hebt U op deze dag veel gehoord en we hopen, dat het gesprokene mag terug komen in de zin der gedachten. Dat het ons brenge op de knieën in het gebed tot de Heere. Uit ons hart kome op het woord, dat we vinden in Psalm 74 vers 20a: „Aanschouw het verbond”. Psalm 74 is een lied, dat gedicht is in één van de donkerste tijden van Israël. Het lied doet ons sterk denken aan de klaagliederen van Jeremia en is daar zeker naast te plaatsen. Vandaar dat aangenomen kan worden, dat dit lied gedicht is na de inval van de Babyloniërs. Na de verwoesting van stad en tempel. Die werkelijkheid heeft de dichter diep getroffen. De vijand heeft huis gehouden in Jeruzalem. Met bijlen heeft men de prachtige pilaren omgehouwen. Met breekijzers werden de kostelijke gouden graveersels afgebroken. Weggeroofd werden de ark, de kandelaren, de altaren. De tempelschatten werden meegenomen naar Babel. Het heiligdom zelf werd in brand gestoken. Het heiligdom Gods werd een puinhoop. Starend op die werkelijkheid komt het verleden de dichter voor de aandacht. De tijd van de verbondssluiting. Dit was een rijk moment in Israëls historie. Die verbondsoprichting, die verbondssluiting spreekt van liefde, van eenzijdige liefde. Waardigheid, noch verdienstelijkheid was er in Israël aanwezig. Dit blijkt ons duidelijk, wanneer we Israëls leven in Egypte nagaan. Nu kwam de God van Abraham, Izak en Jacob tot het volk en betoonde, Wie Hij is. En dat uit genade. De eeuwige bewogenheid Gods wordt gezien onder een volk, dat de dood en ondergang verdiend heeft. Het door Hem uitgeleide volk heeft Hij rondom Zich vergaderd tot één kerk. Het werd de vergadering des Heeren. En bij de landinname heeft Hij met het meettouw van de landmeter hun hun erfenis toegewezen. Toen kreeg Israël zijn erfenis. Toen werd Israël zelf Gods erfdeel. En in het midden van het volk ging de Heere wonen op de berg Zion. In het huis van Zijn dienst. Hij maakte Jacob Zijn woorden en Israël Zijn inzettingen en rechten bekend. Geen enkel volk op aarde viel die gunst van God ten deel. Groot en rijk was het begin. Groot en rijk de verbondssluiting en de verbondsopenbaring. Wanneer nu de dichter denkt aan het verleden is er een grote tegenstelling tussen het verleden en het heden. Van het verleden is schier niets meer te zien. Heeft de Heere het verbond verbroken? Neen! Dit kan niet. Zou dit geschieden dan houdt God op God te zijn. Van ’s Heeren kant is er nimmer sprake van verbondsbreuk. Wel wordt in Israëls historie gezien de verbondswraak en dat vanwege de ontrouw van het volk. Die wraak werd gezien in de dagen van de dichter.

De ontrouw van een volk, het verval in de kerk gaat aan Gods oog niet voorbij. De Heere verlaat het volk, wanneer het volk Hem verlaat.

Wanneer we nu denken aan ons volk, dan neemt de God verlating toe. Hoevelen zijn er niet, die de kerk de rug toekeren en leven zonder God.

In de kerken zelf constateren we ook teruggang. Met mokerslagen tracht men de waarheden van het Evangelie te verbrijzelen. Diverse publicaties geven daar blijk van. Het woord „geen” is een woord, dat „in” wordt. Geen schepping door God, maar evolutie. Geen historische Adam. De eerste drie hoofdstukken van de Bijbel moet men niet realistisch zien. Geen vleeswording des Woords. Geen opstanding van Christus uit de doden. Hij is niet werkelijk opgestaan. Hij leeft slechts voort onder de mensen. Als model, als voorbeeld. Geen leven na dit leven, geen hel, geen wederkomst. Getornd wordt aan de belijdenis der kerk, vastgelegd in de drie formulieren van Enigheid. Echter de verkiezing, zoals die beleden wordt in de Dordtse leerregels, zet men een vraagteken. Er komt een gemeentebeschouwing op, die afwijkt van het belijden der vaderen. Bedenkingen worden geopperd tegen een prediking, waarin benadrukt wordt de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, de rechtvaardiging van de goddeloze en een heiliging van het leven door de Geest van God. Hierdoor komt een christendom op, dat de ware zielsbeleving naar Schrift en belijdenis niet kent. Die werkelijkheid grijpe ons aan. Want we horen van die werkelijkheid. We zien die werkelijkheid. Die werkelijkheid brenge ons op de knieën met de bede: „Aanschouw het verbond”. Het verbond Gods is rijk van inhoud. Het spreekt ons van God in Christus. Het wijst ons op het werk Gods in de zondaar. Het werk wat blijkt in roeping, wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardiging en heiliging.Door dat heilswerk alleen kan de kerk blijven voortbestaan. Wordt dat werk gemist gaat de kerk haar ondergang tegemoet. Te midden nu van al de ingezonkenheid van het kerkelijk en godsdienstige leven werd er bij de puinhopen van stad en tempel gepleit bij God. Gepleit op Zijn verbond. Van dat verbond had de Heere Zelf gezegd: „Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen en hetgeen uit Mijn lippen is gegaan, zal Ik niet veranderen.” In Israël lag niets, wat de Heere kon bewegen tot weldoen. Israël was ellendig, in druk neergeworpen, door het wild gedierte omringd. Die ellende had men aan zichzelf te danken. Het was de vrucht van eigen zonde en ongerechtigheid. De vrucht van Israëls ontrouw. Maar nu is er het verbond van God. In dat verbond ligt de dure eed des Heeren, waarin Hij gezworen heeft bij Zijn eigen heiligdom, dat Hij aan David niet liegen zou. Daarin liggen al de beloften van God, die God de Heere waarmaken zou in en door de beloofde Messias. Die zekerheid, die vastheid deed smeken: „aanschouw het verbond”. Zien we op ons zelf, op onze kinderen, op de ontwikkelingsgang in kerk en staat kan er geen verwachting zijn. De Heere moet ons naar Zijn heilig recht overgeven.

Verlaten. Wie nu dit van harte belijdt, kan niet nalaten met de Heere te spreken over Zijn verbond. Smeekt of Hij Zijn verbond wil aanzien. „Heere, denk aan Uw verbond! Wil het aanzien, uit genade”. En wanneer de Heere dit doet, dan laat Hij Zich niet onbetuigd. Hij verheerlijkt Zijn verbondsgenade. Hij schenkt het verbondsleven. Door Zijn aanzien van het verbond, krijgt men zelf ook weer oog voor Zijn verbond. In schuld, boete en berouw wendt men zich tot de God des verbonds. Voor Zijn aangezicht verschijnt men als de tollenaar met de bede: „O, God wees mij de zondaar, de zondares genadig”. Wie nu voor het eerst of bij vernieuwing verschijnt voor de Heere als de tollenaar, ondervindt de toezegging des verbonds: „En als zij zich schuldig kennen, dan zal Ik ze genadig zijn. Dan zal Ik aan Mijn verbond gedenken.”

Door het gedenken Gods verkrijgt men de genade Gods in Christus. Voor het oog wordt ontdekt de vastheid en de onveranderlijkheid van het verbond. De hand strekt zich uit naar de schatten van het verbond. Wanneer dit nu werkelijkheid is, en zo zij het door Gods genade, bij oud en jong, dan nemen we in de nacht der tijden steeds de toevlucht tot de God des Verbonds ons verlatend op Zijn verbond. Het verbond dat bondig is door de Heilige Geest. Het verbond, dat uitgedacht, opgericht, geopenbaard en gesloten is door een Vaderlijk God. Vandaar dat het een verbond is voor vandaag, voor morgen en voor de toekomst. Die zekerheid biedt tot de smeekbede:

Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond; Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen; Denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen, Aan Sions berg, waar G’eertijds hebt gewoond. Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond; Laat dat Uw hart tot ons in liefd’ ontvonken; Het land is vol van duist’re moordspelonken, Vanwaar ’t geweld ons grieft met wond op wond. Dat elk verdrukt ’Uw bijstand eens erlang’; Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeren; Maar wil van hen ellend’ en nooddruft weren, Opdat z ’Uw naam verheffen in gezang.

Zo zij het: hier. In onze gemeente. In ons huis.

(Slotwoord op de ontmoetingsdag te Dordrecht).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.