+ Meer informatie

Naar de katechisatie

6 minuten leestijd

(154)

DE WET DES HEEREN

Het zesde gebod (3)

Wie wel eens op de tribune van de rechtszaal rechtszittingen heeft bijgewoond, zal gerild hebben over processen betreffende misdadigers. En dan zal het een wonder worden voor degenen, die aan zichzelf ontdekt zijn geworden, die iets leren verstaan van wat David bad in Psalm 51: „En reinig Gij, o Heere, die vuile bron van al mijn wanbedrijven.”, dat zij daar niet staan, dat de Heere nog onderscheid maakt, bij wie geen onderscheid te vinden is.

Het is Gods wet, welke geheel bloot legt de wortel van het zondekwaad. Dat geldt dus ook van het zesde gebod, de doodslag! En wie dan in de spiegel van Gods wet ZICHZELF beziet, zal beven voor Gods Aangezicht en zichzelf als een veroordeelde kennen.

Wat nu geeft Gods Woord aan als de wortel van de doodslag? Dat is de nijd, de haat, de toorn en de wraakgierigheid. I Johannes 3 : 15 zegt: „Een iegelijk, die zijn broeder haat is een doodslager.” De nijd is de wangunst tegenover de naaste, zo zelfs, dat men de plaats van de naaste niet naast zich duldt.

Het is de h a a t, welke de naaste van zijn plaats wil stoten, ja, hem wèg wenst. Ezau wilde Jacob doden, Jozefs broeders ... Jozef, Doëg ... David, Haman ... de Joden, het sanhedrin ... Jezus. De toorn is de ontbranding van de haat. En de wraakgierigheid bedoelt zichzelf te wreken, zelf in te grijpen bij het onrecht. Maar de Heere zegt: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.” Rom. 12 : 19.

Onze Heidelberger Katechismus zegt in Zondag 40: „en zulks alles houdt voor een doodslag”. En wie zal in dit alles vrij uitgaan? Gods wet eist: God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf. Maar nu zijn we zo verdorven geworden in ons bestaan, dat wij geneigd zijn God en onze naaste te ha t en! Die neiging ligt diep in ieder’s hart. Dat is wat! Ten opzichte van God: Hem te willen wegstoten van Zijn plaats, God van Zijn troon af te stoten en zelfs deze te bezetten. Daarmede zijn de van God afgevallen engelen, de duivel met zijn trawanten, in de hemel begonnen en toen heeft satan deze aanslag op God weten te volbrengen door de naar Gods beeld geschapen mens, waardoor deze moed- en vrijwillig is gevallen! En die val leeft de mens nog dagelijks uit krachtens zijn verdorven bestaan.

En nu is die mens zó blind en dwaas geworden, dat hij meent zo slecht nog niet te zijn en langs de weg van verbetering en beschaving toch weer goed te kunnen worden. Zo ook tegenover zijn naaste. Zo dacht het oude pelagianisme, zo denkt Rome en de remonstrant en de humanist. „Bouw scholen en ge kunt de gevangenissen sluiten.” Dit was de oude leus van het humanisme, maar vandaag zien we ditzelfde beginsel krachtig doorwerken en wel op maatschappelijk, staatkundig- politiek en kerkelijk terrein. En waar de handhaving van het gezag wegvalt, wint dit modern-humanistisch beginsel al meer veld. De kerk en worden er al meer mee geïnfecteerd. Wordt veelal in de prediking niet gemist de waarheid van de algehele verdorvenheid van de mens? Wordt niet al minder gewezen op de noodzakelijkheid van de levendmaking en van de waarachtige bekering des mensen? Ongetwijfeld blijft de mens verantwoordelijk voor God als nog redelijk zedelijk schepsel en vanwege de weldaden, welke hij nog in Gods algemene goedheid mag ontvangen. Maar deze verantwoordelijkheid houdt niet in, dat de mens zèlf nog wel het geestelijk- goede kan willen en zich dus kan bekeren. De eis der bekering moet de mens uitdrijven in de middellijke weg tot het vragen: Heere, bekeer GIJ mij, zo zal ik bekeerd zijn. be bruidkerk in het Hooglied moest weer smeken: „Trek mij, wij zullen U nalopen.”

Welnu, zo leert Gods Woord over-duidelijk de noodzakelijkheid van de VERNIEUWING van het hart als het wonder van Gods vrijmachtige, maar ook almachtige genade. In Ezechiél 37 zien we o.m. daarvan een treffend bewijs.

Dit wonder van Gods herscheppende genade is zo aanbiddelijk groot. Want dan wordt men van een vijand en hater Gods ... een vriend, een liefhebber van God en van de naaste. Maar dan wordt ook de Wet des Heeren een LIEFDE-WET, een leefregel der , dankbaarheid. Zo bezingt de dichter van psalm 119 de wet.

Onze Katechismus wijst dan ook in Zondag 40 op het beginsel, op de gezindheid van het nieuwe leven. Wij lezen daar: „Maar is het genoeg, dat wij onze naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?” En dan luidt het antwoord: „Neen; want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, g e biedt, dat wij onze naaste liefhebben als onszelf en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren en ook onze vijanden goed te doen.” We willen hiervan nader iets zeggen in een volgende les D.V. Alleen nog deze opmerking. Komen we met dit antwoord dan toch weer niet terecht bij de z.g.n. „moraal-prediking” van onze tijd? Denk aan het streven van de „medemenselijkheid”, waarbij zelfs de verlossing al meer wordt een verlossing uit de sociale ellende? Ja, waarbij het gaat om de m ens en niet om de vraag: hoe komt GOD aan Zijn eer. Wil onze Heidelberger ook die kant van een „moraal-prediking” uit? Volstrekt niet!

Deze hedendaagse moraal-prediking maakt immers de TWEEDE tafel van Gods Wet 1 os van de EERSTE tafel: God lief te hebben boven alles. Maar onze Katechismus laat juist telkens duidelijk uitkomen, dat de tweede tafel wortelt in de EERSTE tafel. Zo ook ten opzichte van de doodslag. Dit raakt wel dus de naaste, maar in het antwoord op vraag 106 komt toch klaar uit: hoe G o d de dingen beoordeelt, namelijk : dat God de nijd, haat, toom en wraakgierigheid haat en zulks alles houdt voor een DOODSLAG.

Wie nu aan deze wortel van de doodslag dieper ontdekt wordt, leert zich diep-schuldig, ja, verdoemelijk voor God kennen. Die gaat vragen: o God, is er voor zulke „doodslagers” nog genade? Zulke ontdekten laat de Heere niet staan omkomen, maar aan zulke veroordeelden in zichzelf komt de Heere de enige weg der verzoening en behoudenis aan te wijzen en wel in Hèm, Die Zichzelf heeft willen geven om gezet te worden naast ... doodslagers, ja, Zich heeft laten veroordelen en Zich laten wegleiden naar het kruis, toen Zijn eigen volk voor Pilatus heeft uitgeroepen: laat Barabbas los en laat Hem gekruisigd worden! En aan het kruis heeft Hij Zich doen hangen tussen de beide moordenaars ... . „En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: en Hij is met de misdadigen gerekend.” Markus 15 : 28.

Zo is de Borg geworden de enige VRIJSTAD voor ... doodslagers!

Is u, lezer(es) als zulk een ontdekte een vluchteling geworden naar diè Vrijstad en hebt u in die Vrijstad een veilige schuilplaats mogen vinden? Hebt u ook een volkomen verzoening mogen ontvangen door de dood van Die Hogepriester d.i. door Zijn voldoening aan de eisen van Gods gerechtigheid? Dat te beleven is onuitsprekelijk rijk, maar ook noodzakelijk, want ... „Mar buiten zulen zijn de honden . en doodslagers.” Openbaringen 22 : 15.

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.