+ Meer informatie

Gebed en gezang tot en om de Heilige Geest

kan dat – mag dat – zo ja, maar hoe dan?

12 minuten leestijd

Aanleiding tot deze vraagstelling

Er wordt veel, ja heel veel gebeden; er wordt ook veel, heel veel gezongen. Thuis en met je gezin. Met elkaar en individueel. Op vergaderingen van kerkelijke verenigingen en van commissies. Tijdens bijeenkomsten van de kerkenraad en in de regelmatige samenkomsten van de gemeente. In treinen en vliegtuigen. Op landdagen van jeugd en ouderen. In ziekenhuizen en verzorgingstehuizen. In vele gevangenissen en ook in opvangcentra van asielzoekers.

De reformator Johannes Calvijn onderscheidt steeds tweeërlei gebeden: namelijk gesproken en gezongen gebeden. De eerste noemen wij bidden en de tweede gezangen of liederen. Je moet er maar eens op letten, hoeveel liederen gebeden zijn en hoeveel gebeden liederen.
Mogen we nu in ons bidden en zingen de Heilige Geest aanroepen en hoe moet dat gebeuren? Wanneer is dit gebed en gezang Bijbels verantwoord en wanneer niet?

Adres van ons bidden en zingen

Wat is nu het verantwoorde adres van deze onze gesproken en gezongen gebeden?
De Bijbel leert ons in het Oude en Nieuwe Testament keer op keer, dat we zullen en mogen bidden tot de Here God, onze hemelse Vader. Jezus Zelf leert ons dit, want wanneer Hij ergens aan het bidden was, dat, toen Hij ophield, één van zijn discipelen tegen Hem zei: ‘Heere, leer ons bidden’ Hij toen dit antwoord daarop gaf: ‘Wanneer u bidt, zegt dan: Onze Vader, die in de hemelen zijt….’ (Luk.11:1,2).

Later, wanneer de Heiland vertelt over Zijn heengaan uit deze wereld, geeft Hij aan zijn volgelingen het volgende door: ‘Op die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven’ (Joh. 16:23). Jezus Zelf heeft telkens zijn Vader aangeroepen, tot aan de balken van het kruis op Golgotha. Hij riep: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ en ‘Vader, in uw handen beveel Ik Mijn geest’ (Luk. 23:34 en 46). En tijdens zijn leven en werken heeft de Heiland keer op keer tot zijn Vader gebeden. Ik denk bijvoorbeeld aan Zijn lange hogepriesterlijk gebed, waarin hij meerdere keren zich biddend of zingend tot zijn Vader richt. Zie Joh.17 : 1,5,11,21, 24v. Zo is het toegestaan God de Vader te aanbidden en te bezingen! De Psalmen staan er vol en bol van!

Nu hoorden we boven al, dat we de Vader bijzonder mogen aanroepen in de Naam van Jezus, Zijn Zoon. Ook tot de Zoon mag gebeden en van Hem mag ronduit gezongen worden. Ik denk aan het slot van de brieven van Paulus. Zo staat in Romeinen 16 : 27 de lofprijzing dat ‘aan Hem, de alleen wijze God de heerlijkheid zij door Jezus Christus tot in alle eeuwigheid. Amen’. Heel mooi luidt de lofzang op Christus Jezus in Fil. 2 : 5-11, die Zichzelf vernederd heeft en aan mensen gelijk is geworden, gehoorzaam geworden tot de kruisdood, maar die God ook bovenmate verhoogd heeft opdat elke tong Hem als Heer zou belijden, tot heerlijkheid van God de Vader. Wie kent niet de Bijbelse uitroep: ‘Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid’ (Hebr. 13 : 8)? Heel het boek Openbaring is één aanbidding en lofprijzing van het Lam, van de Zoon die op de troon van God zit, omringd van dieren en ouderlingen, die Hem in de hemel aanbidden en lofprijzen ter aansporing van de gemeenten op aarde. Dit Bijbelboek eindigt met de respons:’Ja, Ik kom spoedig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!’ (22 : 20b).

Maar hoe zit dit nu met het aanroepen van de Heilige Geest? Dit is de vraag, die de redactie van Ambtelijk Contact binnen kreeg en aan mij doorgaf. Daar wil ik nu op ingaan.

Mogen we de Heilige Geest aanroepen en hoe dan?

In het Nieuwe Testament is nergens sprake van het aanroepen van en smekingen richten tot de Geest, terwijl de Bijbel toch duidelijk leert, dat de Geest één is met de Vader en de Zoon. ‘Want drie zijn er, die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één’ (1 Joh. 5:7). De Geest, onlosmakelijk verbonden met de Vader en de Zoon, staat naar de Schriften ook in dienst van de gelovigen (Joh.14:16). De Vader, zegt de Zoon, zal ons de Geest als Trooster geven om bij ons te blijven en Die zal de zijnen in alles onderwijzen en hen in herinnering brengen alles, wat Jezus hen gezegd heeft (vs.26).

Ook staat er dat de Zoon de Geest zal zenden, als Hij Zelf zal heengaan (Joh.16:7) en Deze zal hen de weg wijzen in heel de waarheid; wat Hij gehoord heeft, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij hen verkondigen. Hij zal Christus ver-heerlijken door uit het zijne te nemen en het hen te verkondigen (vs.13,14). De Heilige Geest heeft zelf geen eigen boodschap. Hij wijst juist altijd en overal van Zichzelf af en wijst heen naar God-in- Christus. Hij schenkt geen nieuwe openbaringen in plaats van of naast die Christus al schonk. Hij komt niet met aanvullende geheimen, maar Hij zal de toegangen openen tot de volheid en de diepte van de in Jezus de Heer geschonken openbaring en die actualiseren in de voortgang van de geschiedenis tot de voleinding (Joh.16 : 14). In de Geest is het verlossend handelen van God in de Heere Jezus Christus realiteit geworden, maar de uiterste volheid ervan nl. de opstanding en verheerlijking van het menselijke lichaam, moet nog doorbreken in de geschiedenis van hemel en aarde! Voor de gelovigen opent de Heilige Geest de toekomst niet in het heden, maar wordt die toekomst zelf heden. Hij stelt Zichzelf garant, beschikbaar en dienstbaar voor de uitwerking van het werk van Jezus, waarbij Hij niet Zichzelf tot thema van zijn werk maakt.
Er staat evenwel nergens in onze Bijbel, dat wij de Heilige Geest moeten aanroepen en dat Hij door ons gebeden wil zijn!

Hoe heeft de kerk dit Bijbels gegeven verwerkt?

De kerk van Jezus Christus heeft goed begrepen, dat men de Geest niet aanroept buiten zijn werk voor zijn Zenders, de Vader en de Zoon, om. Er zijn dan ook in de kerkelijke traditie heel weinig gebeden te vinden, die zich rechtstreeks tot de Heilige Geest richten. De kerk heeft beleden, dat de Geest Zichzelf klein maakt om te wijzen op Christus en de Vader. In de verschillende liturgieën en de vele gezangen door de eeuwen heen, is dat te zien en te horen.
Bekend is de hymne Veni Creator Spiritus (‘Kom Schepper, Geest’), dat een 9e eeuws kerkelijk Pinksterlied is en door Luther bewerkt en in zijn tijd aanbevolen werd. Dit lied is opgenomen in het Liedboek voor de kerken, nr. 237, en luidt:
‘Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,
houd Gij bij ons uw intocht, Heer;
vervul het hart dat U verbeidt,
met hemelse barmhartigheid’.
Doch behalve dit lied zijn er maar weinig gebeden en gezangen uit de geschiedenis van de kerk te vermelden, die zich rechtstreeks tot de Heilige Geest richten. Christenen blijken daar zeer karig en terughoudend mee te zijn. In principe bidden zij tot de Vader door de Zoon in de Geest, maar niet tot de Heilige Geest zelf.
Het is goed dit eigene van de Heilige Geest te verdisconteren in al het theologisch denken en in het liturgisch vorm geven van de samenkomsten van de gemeente. Men mag Christus de Zoon en de Geest van God niet zomaar vereenzelvigen, ook niet in de liturgie, in lied en gebed. Het blijft steeds van belang de twee bewegingen van God uit, die van de Zoon en van de Geest, goed te onderscheiden. Het werk van de Zoon heeft het karakter van iets dat al voltooid is en ‘voor ons’ is volbracht. Het werk van de Geest is om ons op dit volbrachte werk van Christus en op de Here Christus Zelf te betrekken.
De Geest gaat met ons mee door de tijden heen, door moeite, strijd, zorgen en zegen, en stuwt ons met kracht naar de grote toekomst en roept in en met de bruid om de komst van de Bruidegom (Openb.22:17). Maar we moeten daarbij altijd goed vasthouden, dat de Geest een goddelijk persoon is en niet tot onze beschikking staat. Hij komt, werkt, spreekt (door het Woord!) op eigen soevereine manier! Hij beslist inderdaad Zelf over zijn aanwezigheid en zijn werkzaamheid. Hij doet het ook alles op eigen wijze en met eigen kracht. Het Pinkstergebeuren legt daarvan al getuigenis af. De Geest van God kwam, waar en wanneer en op welke wijze Hij wou en Zelf bepaalde!
Simon, de magiër uit de stad Samaria, meende dat hij door geld de macht over de Heilige Geest zou kunnen krijgen, maar Petrus laat hem duidelijk weten, dat dit in geen enkel opzicht mogelijk is (zie: Hand.8:18vv). Wanneer Paulus later tot de gemeente van Efeze schrijft: ‘Laat de Geest u vervullen’ of ‘wordt vervuld met de Geest’ (nieuwe en oude vertaling), dan schrijft hij niet: ‘Vervul uzelf met de Geest’ alsof wij dat kunnen realiseren!

Het Epiclesegebed

Ik ken één gebed, één gezang, uit de kerkelijke liturgie van de eeuwen kerkgeschiedenis, dat tendeert naar het roepen om de Geest. Dat is het Epiclesegebed, dat werd uitgesproken bij de viering van het heilig avondmaal. Het is een gebed uit de oude christelijke kerk, dat in de canon van de mis of van de eucharistie, bijzonder in de oosterse liturgieën, van grote betekenis werd geacht in het sacramentele gebeuren. Oorspronkelijk viel alle nadruk in deze epiclese of aanroeping op de smeking om de Heilige Geest en zijn genadewerking door de elementen van het heilig avondmaal. In dit zingend gebed en biddend gezang wordt de Heilige Geest over de gaven van brood en wijn op de avondmaalstafel afgeroepen met de intentie, dat de Geest het brood tot het lichaam en de wijn tot het bloed van Christus moge maken.
Toen de leer van de transsubstantiatie echter intrede deed in de Roomse theologie en liturgie, verdween dit Epiclesegebed uit de liturgie. Want men beleed toen, dat door de zegenende instellingswoorden van de priester, de zgn. consecratie, de elementen van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus veranderden. Dit geschiedde ex opere operato, dat wil zeggen: haast automatisch, door het gebruik zelf. Hierbij heeft de Geest geen functie meer!
In onze formulieren voor de bediening van de doop en het avondmaal kan de epiclese verstaan worden als een smeking tot onze God en Vader, dat Hij het te dopen kind genadig wil aanzien en door zijn Geest zijn Zoon Jezus Christus wil inlijven, en bij het avondmaal wordt gevraagd, dat Hij door zijn Heilige Geest in onze harten wil bewerken, dat wij ons met waarachtig vertrouwen aan zijn Zoon hoe langer hoe meer overgeven!
Dit zijn echter geen regelrechte aanroepingen van de Geest, maar indirecte smekingen om de werkingen van de Geest.

Practische verwerkingen

Na de boven vermelde principieel-Bijbelse uitgangspunten en de historische aspecten van het bidden tot en bezingen van de Heilige Geest, wil ik nu de praktische verwerking ervan nagaan en doe dat in de volgende vier punten:

1. Laat ieder zich er wel voor hoeden in zijn bidden en zingen geen enkele inbreuk te maken op de absolute vrijmacht en de goddelijke soevereiniteit van de Heilige Geest. Dat gevaar dreigt, bijvoorbeeld in het zingen, waarin wij de Geest welkom heten, alsof wij dat kunnen bewerkstelligen en wij daarvoor alles in orde hebben gemaakt en dan er ook recht op kunnen maken, dat Hij komt, waar wij zijn.
Zie Lied 788 uit de bundel Opwekking:
‘Wees welkom, Geest van God. Wees welkom, Geest van God.
Leer ons leven uit liefde, zoals Jezus heeft gedaan.
Leid ons in waarheid en wijs ons waar te gaan.
Spreek tot ons hart, opdat wij U verstaan.
Wees welkom, Geest van God!’
Dit gaat in tegen de eigen aard van de zending van de Heilige Geest door de Vader en de Zoon. Hij laat zich zeker niet door ons bemachtigen. Hieraan moeten alle liederen over de Heilige Geest, door mensen gemaakt, getoetst worden.

2. Wij zullen verder altijd tot en om de Heilige Geest bidden en voor en van Hem zingen vanuit zijn gekomen en aanwezig zíjn in deze wereld en in zijn gemeente in het bijzonder. En dat altijd in alle ootmoed en nederigheid, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in de Psalmen. Gelijk we dat van David lezen, waar hij bidt en zingt: ‘neem uw Heilige Geest niet van mij’ (Psalm 51:13b). Ootmoediger kan het niet!

3. Wij mogen zeker bidden tot en zingen voor de Heilige Geest, dat Hij de Zoon, Jezus Christus, meer in ons verheerlijken zal. Dat Hij ons verder wil gebruiken met de gaven die Hij ieder van Zijn kinderen geeft, voor Zijn werken en diensten in Kerk, Koninkrijk en wereld. Want dat is naar de intentie en aard van Zijn komst in de wereld en Zijn werken in de gemeente van Jezus Christus. Dat heeft Hijzelf beloofd, toegezegd. Overeenkomstig die beloften hebben wij ons bidden en zingen in te richten.

4. Het is een rijke zegen, wanneer we met de Heilige Geest leren mee roepen om de spoedige komst van de Koning van de Kerk. Daartoe drijft de Geest ons Zelf aan. Dat lezen we o.a. in het slot van het boek Openbaring. En hoe zal onze Heiland niet intens luisteren naar dit bidden van de Geest en de bruid. Zijn antwoord is: ‘Ja, ik kom spoedig’ en dat zet temeer aan tot bidden en zingen: ‘Amen, kom, Here Jezus!

Dr. Brienen is emeritus predikant van Amsterdam Nieuw-West en woont in Hoogeveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.