+ Meer informatie

Genève, stad van de Reformatie

15 minuten leestijd

Geen stad is in het verleden zo nauw verbonden geweest met de Reformatie als het Zwitserse Genève. Calvijn wist hier het leven van overheid en burgers op bijbelse leest te schoeien. Is er in het moderne Genève nog iets terug te vinden wat herinnert aan die ingrijpende gebeurtenissen in de zestiende eeuw?

Voor de moderne toerist is Genève een aantrekkelijke stad, onder andere door de prachtige ligging aan het Meer van Genève. Bij hem zal de naam van de stad onwillekeurig beelden oproepen van luxe winkelstraten, voorname woonwijken, brede boulevards en schaduwrijke parken. Hij zal zich laten rondleiden door het indrukwekkende Palais des Nations, waarin de Europese kantoren van de Verenigde Naties zijn gehuisvest.

En een boottocht over het meer zal ongetwijfeld op zijn programma staan. Daarbij zal hij vol ontzag opkijken naar de grootste fontein ter wereld die het water 140 meter de lucht in stuwt en hij zal genieten van het schitterende uitzicht op de oevers, waar de torens van de aloude Sint-Pieter de ligging van de historische binnenstad markeren.

Ook een wandehng door de binnenstad is voor de hedendaagse bezoeker een verplicht nummer. Maar voor de meesten is de Sint-Pieterskerk niet meer dan een kathedraal zoals vele andere. En de naam van Johannes Calvijn zegt hen in de regel niet veel meer dan die van Rousseau en Voltaire, twee beberoemde filosofen die hier hun sporen hebben nagelaten.

Monument
De belangstelling van een rechtgeaarde calvinist zal evenwel in de eerste plaats uitgaan naar alles wat herinnert aan de tijd dat Genève een van de brandpunten van de Reformatie in Europa was. Velen beginnen met een bezoek aan het beroemde reformatiemonument. Het dateert uit 1917, toen herdacht werd hoe Luther 400 jaar terug een eerste stap zette op weg naar de Kerkhervorming.

Het merkwaardige is dat Luther zelf op het Geneefse monument helemaal niet voorkomt, evenmin als Zwingli. Van deze twee hervormers staat er alleen maar een borstbeeld, een beetje verscholen tussen de struiken. De volle aandacht valt op de vier figuren in het midden. Johannes Calvijn, iets groter dan de anderen en een stapje naar voren komend, is duidelijk de belangrijkste.

Aan zijn rechterhand staat zijn vriend en voorganger in Genève, Guillaume Farel. Aan de andere kant zijn opvolger, Theodorus Beza, en ten slotte John Knox, de strijdbare Schotse reformator, die ook enige tijd in Genève heeft doorgebracht. Aan weerskanten staat de Latijnse spreuk Post tenebras lux.

Dat is al eeuwenlang het devies van de stad en het betekent: Na de duisternis komt het licht. Onderaan is het bekende Jezusmonogram in de stenen gebeiteld. Je komt het in het oude Genève dikwijls tegen: IHS, de Griekse beginletters van de naam Jezus.

Willem van Oranje
Op de meeste afbeeldingen van het Geneefse gedenkteken zie je niet veel meer dan de hoofdpersonen in het midden, stijf en strak uit zandsteen gehouwen en recht voor zich uit kijkend. Dat is jammer, want in werkelijkheid is het monument groter en veelzijdiger. Indrukwekkender ook.

Het geheel is een honderd meter lange muur die hoog oprijst uit een smal, langgerekt waterbassin waarin de figuren zich weerspiegelen. Links en rechts van de middenpartij staan personen afgebeeld die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verbreiding van het calvinisme, bijvoorbeeld Cromwell in Engeland en Willem van Oranje in Nederland.

Door middel van citaten en reliëfbeelden heeft de ontwerper geprobeerd hen te kenschetsen. Zo zie je aan de ene kant John Knox preken voor een aandachtig gehoor, terwijl aan de andere kant Willem van Oranje de Staten-Generaal toespreekt.

Daarbij staat de volgende uitspraak in de stenen gebeiteld: „De onderdanen zijn niet door God geschapen ten behoeve van de vorst om hem in alles wat hij beveelt, onverschillig of het nu goddelijk of ongoddelijk, recht of onrecht is, onderdanig te zijn en als slaven te dienen, maar de vorst (is geschapen) ter wille van de onderdanen -zonder welke hij geen vorst kan zijn om met recht en redelijkheid over hen te regeren."

Bedreigde stad
Vlak achter het reformatiemonument verheft zich de heuvel waarop de oude binnenstad is gebouwd. In Calvijns tijd was men bezig hier een nieuwe stadsmuur op te trekken om de inwoners te beschermen tegen vijandelijke aanvallen. En dat was hard nodig, want Gèneve was een bedreigde stad.

Oorspronkelijk maakte zij deel uit van het Duitse Keizerrijk. Maar de keizer was ver weg. En daarom had hij het gezag over Genève in handen gegeven van de plaatselijke bisschop, die daardoor dus zowel kerkelijke als wereldlijke macht uitoefende. Maar altijd waren er kapers op de kust.

In de oude stad zou Calvijn zelfs bij donker, nog moeiteloos de weg kunnen vinden, want het stratenplan is sinds de 16e eeuw niet noemenswaard veranderd. Wel zou hij zich verbazen over de boulevards langs het water, want die zijn later aangelegd op een gedempt gedeelte van het meer.

10.000 inwoners
Het aantal inwoners bedroeg omstreeks 1537 ruim 10.000. Toen het na de Reformatie toenam door de toevloed van duizenden vervolgde protestanten, vooral uit Frankrijk, ontstonden er grote huisvestingsproblemen. Geleidelijk aan werd elke lege plek volgebouwd. En op bestaande huizen kwamen hogere verdiepingen.

Maar nieuwe voorsteden bouwen deed men niet. Dat was te gevaarlijk. Genève moest een ongenaakbare vesting blijven. Door de straten trokken karren en muilezels, bepakt met koopwaar. In de talrijke herbergen van de benedenstad ging het er vaak vrolijk en luidruchtig toe. En als de wijn uit de streek eens te rijkelijk vloeide, liepen de zaken nogal eens uit de hand.

St-Pieterskerk
Op het hoogste punt van de bovenstad prijkt de befaamde Geneefse St-Pierre. De kerk zou nooit zo beroemd geworden zijn als Calvijn er niet zijn magistrale preken had gehouden. Het gebouw kan in grootte en pracht niet wedijveren met de gotische kathedralen van Frankrijk. Vorm en stijl verraden dat er in de loop der eeuwen heel wat aan het gebouw geknutseld en geknoeid is.

De bouw begon in 1160 op de plek waar de burgers van Genève al sinds onheuglijke tijden voor de eredienst waren bijeengekomen. Het was de tijd van de romaanse bouwstijl. Omstreeks de eeuwwisseling kwam het koor gereed, maar het duurde tot na 1234 voor het schip van de kerk in gebruik kon worden genomen. Toen de torens nog. Daar deed men nog eens een halve eeuw over.

Twee jaar na de voltooiing, toen de strijd om de macht eens weer hoog oplaaide, "bombardeerde" de Graaf van Genève door middel van een soort reuzenkatapult de kathedraal met grote brokken steen, nadat hij de stad in brand had gestoken. Het opsommen van alle branden en verwoestingen die de kerk in de loop der jaren teisterden zou een eentonig verhaal opleveren. Maar elke keer opnieuw werd de schade hersteld, telkens door andere bouwmeesters.

En zo veranderde de romaans opgezette basiliek geleidelijk aan in een min of meer gotische kathedraal. De romaanse voorgevel kan men alleen nog op oude gravures bewonderen, want die dreigde omstreeks het jaar 1700 al in te storten. Een Italiaanse architect ontwierp toen een heel nieuwe entreepartij in neo-klassieke stijl. Daardoor lijkt de St-Pieter nu aan de voorkant meer op een Griekse tempel dan op een middeleeuwse kathedraal.

Beeldenstorm
Voor de Reformatie zag de St-Pieterskerk er van binnen heel anders uit dan nu. De muren en de gewelven waren veelkleurig beschilderd. In de zijbeuken stonden altaren voor allerlei heiligen opgesteld. De daarbij behorende beelden en schilderijen zorgden voor een bont geheel. Het koor met zijn rijk versierde stoelen was afgesloten door een hek.

Op het hoofdaltaar het beroemde schilderij van Conrad Witz waarop de wonderbare visvangst wordt uitgebeeld alsof het gebeuren zich op het Meer van Genève had afgespeeld. Toen kwam die beruchte zondag 8 augustus 1535. Guillaume Farel, gestuurd door "de Heren van Bern", verkondigde al enige tijd de leer van Luther in de stad.

Hij had toestemming gekregen om te preken in de kerk van de wijk St-Germain en in een kloosterzaal. Maar zijn enthousiaste toehoorders waren daarmee niet tevreden. Die achtste augustus liet Farel zich door de menigte naar de Sint-Pieter voeren, waar hij de preekstoel beklom en waar toen voor 't eerst een protestantse eredienst werd gehouden. De zaak liep evenwel helemaal uit de hand: Na de preek begonnen de kerkgangers de heiligenbeelden kort en klein te slaan.

Ze haalden schilderijen van de muur en vernielden het liturgisch meubilair. Een complete beeldenstorm dus. De volgende dag moesten de aanstichters bij het stadsbestuur op het matje komen. Maar ze waren ervan overtuigd dat ze niets verkeerds hadden gedaan want, zeiden ze, „al die dingen waren in de kerk aangebracht in strijd met het Woord van God."

Gevolgen
De gebeurtenissen van die zondag hebben verstrekkende gevolgen gehad. De Geneefse Raad probeerde aanvankelijk de kool en de geit te sparen: De St-Pieter moest netjes worden opgeruimd en verdere vernielingen werden verboden.

Maar daar stond tegenover dat de mis voorlopig niet meer bediend mocht worden, zolang de priesters niet op grond van de Bijbel konden aantonen dat schilderijen en beelden in de kerk nodig waren. Dit leidde tot de definitieve afschaffing van de rooms-katholieke eredienst in Genève. Toen kon de kathedraal helemaal worden ingericht naar de inzichten van de reformatoren en naar de behoeften van de protestantse eredienst.

Op 29 augustus 1541 besloot de raad van de stad dat het koorhek afgebroken moest worden, dat er een nieuwe preekstoel moest komen en dat de koorstoelen een andere plaats zouden krijgen. Dit alles „opdat de kerk geschikter zou zijn voor de prediking".

In 1643 werd besloten dat ook de overgebleven beschilderingen op muren en pilaren met witkalk bestreken zouden worden. In 1660 plaatste men banken in de kerk, iets wat in rooms-katholieke kerken niet gebruikelijk was. Twee jaar later werd het orgel verwijderd, omdat Calvijn tegen het gebruik van muziekinstrumenten in de eredienst was. Van de pijpen werden bekers gegoten voor het Heilig Avondmaal.

Pas in de 18e eeuw, tegelijk met de restauratie van de voorgevel, werd er opnieuw een orgel in de St-Pieter geplaatst.

Calvijnstraat
Niet ver van de St-Pieter vinden we de rue Calvin, de straat waar Calvijn heeft gewoond. Het was niet eens zo eenvoudig voor het stadsbestuur om een goed onderkomen voor hem te vinden. Lang niet alle huizen waren geschikt.

In de benedenstad, langs de oevers van het meer, woonden de kooplieden, de lakenwevers, de smeden, kortom mensen met bezigheden die veel drukte en lawaai met zich meebrachten. In de nauwe kronkelige straatjes tussen beneden- en bovenstad vond men de handwerkslieden: metselaars, timmerlui, kleermakers, enzovoorts.

In de bovenstad, rond de St-Pieter, woonden de notabelen, de geestelijken, de klerken en rechtsgeleerden, de drukkers en de boekverkopers. Daar vond men voor Calvijn een huis in de Kanunnikenstraat (rue des Chanoines), die men later naar Calvijn genoemd heeft. Hij woonde op nummer 11. Het was een smal, diep huis met een tuin erachter, die uitzicht had op het meer.

Helaas is er van de originele woning niets overgebleven. Alleen een plaquette op de muur herinnert er nog aan. Wie wil weten hoe een Geneefs huis er in de reformatietijd en daarvoor uitzag, moet net om de hoek, in de rue du Puits-St-Pierre, het huis Tavel eens gaan bekijken. Het is het oudste huis van Genève.

Oorspronkelijk was het de woning van een vooraanstaande Geneefse familie. Het is nu ingericht als museum. Gelijkvloers worden allerlei aspecten van het leven in middeleeuwen en renaissancetijd belicht. Verder zijn er schilderijen en afbeeldingen van de Geneefse reformatoren, waaronder het bekende schilderij van de zieke Calvijn, die vlak voor zijn overlijden afscheid neemt van zijn vriend Farel.

Het hart van de stad
In de geschiedenis van de Reformatie duikt steeds weer de naam van het Molardplein (place du Molard) op. Geen wonder: Wat in vroeger tijd de Dam was voor Amsterdam, dat was de Molard voor Genève. Hier vond ook de eerste confrontatie plaats tussen reformatiegezinden en de verdedigers van het traditionele geloof.

Het begon met een aanplakbiljet in oktober 1532. Een schoolmeester maakte daarop bekend dat hij de mensen in één maand zou kunnen leren lezen en schrijven. Hij had daarvoor een huis gehuurd in de Goudenkruisstraat (rue de la Croix d'or), die op de Molard uitkomt. Het leren lezen en schrijven gebeurde dikwijls met bijbelgedeelten, met het Onze Vader, of met andere godsdienstige teksten.

Het publiek kreeg al snel door dat er met deze nieuwe schoolmeester iets bijzonders aan de hand was. Vaak werd er tijdens de lessen meer gepreekt en gediscussieerd dan gelezen en geschreven. En Froment (zo heette de schoolmeester) vond in deze stadswijk een open oor voor zijn lutherse ideeën.

Naar de Molard!
Steeds meer nieuwsgierigen en belangstellenden kwamen de "lessen" van Froment volgen. Het huis werd al gauw te klein. Op nieuwjaarsdag van het jaar 1533 stonden de mensen tot op straat. „Naar de Molard! Naar de Molard!" werd er geroepen. En of Froment wilde of niet, hij werd meegenomen naar het havenplein.

Daar klom hij te midden van een grote menigte op een visbank en hield voor de vuist weg een preek. Het ging over Matthéüs 7:15. „Wacht u voor de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn ze verscheurende wolven." Het is niet moeilijk te raden wie Froment daarmee bedoelde: de priesters en de monniken van die dagen.

Over dit onderwerp raakte de schoolmeester niet uitgepraat en zijn gehoor leek onverzadigbaar. Zelfs toen de stadswachter, zwaaiend met zijn knuppel, op het toneel verscheen, wist Froment niet van ophouden.

Pas toen er een groep gewapende tegenstanders de Molard opkwam, sprong de vermetele prediker van de visbank en liet zich door steegjes en gangetjes wegvoeren om de wraak van de priesters en de monniken te ontgaan. Hij dook onder bij vrienden en naderhand werd hij over het meer de stad uitgesmokkeld.

Vechtpartij
Een paar maanden later was het Molardplein opnieuw het toneel van een treffen tussen voor- en tegenstanders van de Reformatie. Het ging er nog veel heftiger toe dan op nieuwjaarsdag. Het was Goede Vrijdag.

Een rondreizend predikant had in de open lucht een gereformeerde avondmaalsdienst gehouden. Gewaarschuwd door omwonende burgers kwam een gewapende troep priesters eropaf. Aan het hoofd een kanunnik uit de naburige, bevriende stad Freiburg, Werli geheten. Op de Molard kwam het tot een treffen tussen de twee rivaliserende bevolkingsgroepen.

Het begon met een scheldpartij over en weer. Maar het ging al spoedig van kwaad tot erger. Steeds grover klonken de verwensingen en bedreigingen, tot sommigen met elkaar slaags raakten. Er ontstond een handgemeen, waarbij enkele "gereformeerden" gewond werden. Hun medestanders verloren hun zelfbeheersing en koelden hun woede op Werli, de kanunnik uit Freiburg.

Het liep uit op een bloedig gevecht, waarbij Werli dodelijk gewond werd. Door wie? Niemand die het wist. Een arme kerel, die men tot de bekentenis bracht dat hij de moordenaar was, werd onthoofd. En de Geneefse autoriteiten, uit angst voor wraak van de Freiburgenaars, zorgden voor een begrafenis van de kanunnik met veel pracht en praal.

Toch voorkwamen ze daarmee niet dat de Freiburgse burgers het lijk van hun stadgenoot eigenhandig kwamen opgraven om het met veel eerbetoon naar hun eigen stad te vervoeren voor een herbegrafenis.

Sinds die gebeurtenissen was het met de vriendschap van het rooms-katholieke Freiburg gedaan en werd Genève in de armen gedreven van het protestantse Bern. En dat opende de weg naar een volledige overwinning van de reformatiegezinden in 1536.

Calvijn-college
In de rue du Vieux-College, een paar minuten lopen vanaf de kathedraal, staat het Calvijncollege. Van het begin af aan had Calvijn gedroomd van een school voor voortgezet onderwijs. Hij begreep hoe belangrijk dat was, niet alleen voor een goede vorming van de Geneefse jeugd, maar ook als startpunt voor een predikantenopleiding.

In 1559 was het zover. Met de burgemeesters, de huisarts, een paar metselaars en timmerlieden "en andere mannen van verstand" ging Calvijn op 25 maart een geschikte plek uitzoeken voor een nieuw schoolgebouw. Het oog viel op een grote tuin, beplant met wijnstokken, die bij een voormalig hospitaal had behoord.

Met de bouw ging het niet zo voorspoedig. Nu eens waren er geen stenen, dan weer geen dakpannen. En altijd was er geldgebrek. De bouw moest gefinancierd worden uit giften en legaten en uit de opbrengst van allerlei boetes. De notarissen van de stad werd verzocht alle stervende burgers te vragen in hun laatste wilsbeschikking een legaat voor de nieuwe school op te nemen. Ook de opbrengsten van verbeurd verklaarde goederen van veroordeelden werden gebruikt voor de bouw van het college.

Succes
De lessen begonnen al voor er een dak op de school zat. Calvijn slaagde erin een aantal bekwame leraren aan te trekken, onder wie Theodorus Beza, die hem later op zou volgen. Deze werd rector van de Academie.

De nieuwe school bestond eigenlijk uit twee afdelingen: Het zogenaamde College of schola privata, verdeeld in zeven klassen en bestemd voor de jeugd van Genève, en de zogenaamde Academie oftewel schola publica, die in de eerste plaats bestemd was voor het geven van een theologische opleiding.

Het werd een groot succes. In 1562 had het College al 280 leerlingen in de hoogste klas en aan de Academie werden niet minder dan 162 studenten ingeschreven. De meesten kwamen uit het buitenland, zoals Gaspar Olevianus, die bekend geworden is door de Heidelbergse Catechismus, en Marnix van Sint-Aldegonde, later de vertrouweling van Willem van Oranje.

Bij Calvijns dood telde de theologische opleiding al meer dan 300 studenten, die zich later verspreidden over een groot deel van Europa. En zo speelde de Academie een belangrijke rol bij de verbreiding van het calvinisme tot ver over de grenzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.