+ Meer informatie

Rondom de openbare belijdenis

13 minuten leestijd

Behalve nieuwe zijn er ook oude problemen We horen in onze tijd meer van nieuwe dan van oude problemen. Zo is het momenteel een verontrustend verschijnsel, dat er kerken in Nederland zijn waarin weinig jongeren tot het doen van belijdenis komen. Wat zijn daar de oorzaken en achtergronden van?

Het is niet te ontkennen, dat velen zich nauwelijks bij het kerkelijk leven betrokken voelen of zelfs geheel van de kerk vervreemden. Er zijn er die het geloof als een strikt persoonlijke zaak beschouwen, waar geen kerkeraad, die tot de openbare belijdenis zou moeten toelaten, over kan en mag oordelen. Je kunt toch ook geloven zonder dat officiële jawoord? Waarom zou je dan belijdenis doen? Waar de kinderen ook al avond maal mogen vieren, zoals dat op tal van plaatsen het geval is, blijft de belijdenis dik wijls achterwege. Soms is het dan niet meer dan een openlijke keuze om deel te nemen aan het leven van de gemeente. Maar moet men daarvoor nog belijdenis doen?

Er zijn ook nog oude problemen. Een oude vraag is, of het altijd een belijdenis moet zijn van een levend geloof of dat het desnoods ook een „belijdenis der waarheid” mag zijn. Hoewel bijna niemand het ervoor opneemt, komt het nog wel voor, dat men volstaat met een „belijdenis der waarheid”, waarbij men er niet aan denkt om met de gemeente avondmaal te vieren. Het motief om op deze wijze toch maar belijdenis te doen, kan zijn, dat men bij een kerkelijke huwelijksbevestiging en bij de doop van zijn kinderen belijdend lid van de gemeente wil zijn.

In de kerken in het Noorden van het land wordt het verband tussen de belijdenis en de Avondmaalsviering duidelijk gelegd. Daar gebeurt het wel, dat iemand de belijdenis van het geloof jarenlang uitstelt, omdat hem of haar de vrijmoedigheid ontbreekt om toe te treden tot het Heilig Avondmaal. Kerkeraden kunnen dan voor de vraag komen te staan, of de heilige doop te bedienen is aan kinderen van ouders die geen belijdenis deden. Hoe zullen ze „ja” zeggen bij de doopvont, als ze hun „ja” niet uitgesproken hebben in het midden van de gemeente? Of moet men aan volwassen doopleden al wel bepaalde rechten geven?

Maar in andere streken is er een neiging om minder zwaar te tillen aan de belijdenis. Misschien moet het nog anders gezegd worden. Er wordt wel ernst gemaakt met de roe ping die we hebben om voor God en zijn gemeente belijdenis af te leggen. Maar hier staat voorop, dat niet alle doopleden tot de ware gelovigen behoren. Dan kan toch ook geen belijdenis van een persoonlijk geloof van ieder van hen gevraagd worden? Een „belijdenis der waarheid” is nooit ideaal, maar dient zich soms wel aan als een noodop lossing of als een concessie aan de praktijk. Bij een doopsbediening zijn er dan tenmin ste geen grote moeilijkheden. Er is geen sprake van een doopledenstelsel, zoals dat el ders ontstaan is.

Nu zijn we echter bezig de vragen meer praktisch dan principieel te benaderen. We zul len moeten nagaan, wat belijdenis afleggen in wezen is. Daar zou veel over te zeggen zijn, maar er is in 1966 en in 1967/1968 al uitvoerig over geschreven in „Ambtelijk Contact”. Zie het niet lang geleden verschenen register (onder Kerkelijk leven). Toch mogen ook nu enkele hoofdzaken niet ongenoemd blijven.

Wat is belijdenis doen?

Het is een bijbelse eis, dat we het geloof belijden. We zien het in de oude bedeling al gebeuren. Jozua gaat het volk Israël erin voor, als hij plechtig verklaart: Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen (Jozua 24:15). Ruth deed de goede keuze en beleed haar geloof met de woorden: Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God (Ruth 1 : 16). In het Nieuwe Testament wordt telkens over het belijden van het geloof gesproken (Mat. 10:32; Mat. 16: 16; Joh. 6: 68,69; Rom.10:9,10; 1 Tim.6:12 en andere plaat sen).

Wie in de tijd van de vroege kerk gedoopt wilden worden, moesten hun geloof openlijk belijden. De Apostolische Geloofsbelijdenis was oorspronkelijk een doopbelijdenis.

Maar toen de kinderdoop algemeen werd, viel de nadruk op de doop als zodanig. Men liet het sacrament ook hoe langer hoe meer gepaard gaan met ceremoniën als handop legging en zalving met olie. Zo ontstond het vormsel als een zelfstandige kerkelijke handeling en sinds de middeleeuwen werd dat ook als een sacrament beschouwd.

Bij de hervormers kwamen het onderwijs in de christelijke religie, de belijdenis van het geloof en de toelating tot het Avondmaal ervoor in de plaats. Uit wat Calvijn en ande ren erover gezegd hebben en uit de kerkelijke bepalingen in ons land blijkt zonneklaar, dat er een directe samenhang is tussen de belijdenis van het geloof en de viering van het Avondmaal.

Toen de kerk een volkskerk geworden was, zagen velen de geloofsbelijdenis echter meer als een instemmen met de leer van de kerk. Als men volwassen werd, wilde men lid zijn in volle rechten. Dat is er de verklaring van, dat men een „belijdenis der waar heid” gewoon ging vinden. Door de kerkeraden moest dan maar niet gevraagd worden naar persoonlijk geloof. Ook op de inhoud van de belijdenis werd minder gelet, als er maar belijdenis gedaan werd, of zoals dikwijls gezegd werd, als er maar nieuwe leden konden worden aangenomen en bevestigd.

Het is een teken van verval in de kerk, als de vorm van het afleggen van een openbare belijdenis nog wel gehandhaafd wordt, maar er niet meer in alle ernst op gewezen wordt, dat het geloven met het hart en het belijden met de mond volgens de Bijbel bij elkaar horen (Rom.10 :9,10).

De ontwikkeling leidde ertoe dat predikanten zich gedrongen voelden tot het houden van scherpe voorbereidingspreken om te waarschuwen tegen een oordeel, dat men over zich zou halen, wanneer men tot de Avondmaalstafel toetrad. Bijna ieder deed belijde nis en beantwoordde de vragen bij de doop van zijn kinderen bevestigend, terwijl het aantal avondmaalgangers klein was. Het leek wel dat niet de gemeente Avondmaal vier de, maar slechts enkelen die daartoe gerechtigd waren. De meesten hadden, zoals dat heette, wel een kerkelijk recht gekregen, maar ze misten een goddelijk recht.

Hierachter kan een grote huiver liggen voor de dis des Heren, maar ook een verkeerde opvatting van de openbare belijdenis.

Wij mogen er wel bijzonder dankbaar voor zijn, dat de kerk van de Afscheiding blijkens de uitspraken van verschillende synodes van het begin af goed beseft heeft, dat de Here van de kinderen van het verbond niet een zogenaamde belijdenis der waarheid, maar een belijdenis van het geloof vraagt.

In onze uitgave van de kerkorde staan bij de bepalingen bij artikel 61 enkele jaartallen, zoals 1836, 1913 en 1950. Ook 1574 en 1879 worden genoemd.

Het mag ons niet ontgaan, dat de eerste synode van onze kerken die na de Afscheiding gehouden werd, de synode van Amsterdam (1836), al uitgesproken heeft, „dat nie mand erkend mag worden voor een lidmaat van de Kerke Christi, dan op belijdenis des geloofs, en geenszins ten gevolge van het van buiten leeren van eenige waarheden” (artikel 59). Dat is duidelijk genoeg!

Volgens dezelfde synode zullen de lidmaten van de gemeente van Jezus Christus ern stig vermaand en opgewekt worden om zich te wachten voor verachting van het bond zegel van het Heilig Avondmaal. Daartoe wordt ook gerekend, dat het Avondmaal ver zuimd wordt door een verkeerde toepassing van de vermaning van Paulus over de nood zaak van de zelfbeproeving (1 Kor. 11: 28). We lezen in de „Handelingen van de Opzie ners der Gemeente Jesu Christi”, dat de opzieners en herders de wegblijvers van het sa crament zullen opzoeken en onderzoeken, wat de oorzaak van het wegblijven is, opdat gemoedsbezwaren naar het Woord van God uit de weg geruimd worden en de bekom merden opgewekt worden om tot Christus te komen (art. 61).

Toen hij deze passage in ons blad (1968) in haar geheel citeerde, merkte prof. J. Hovius op, dat allerlei invloeden de kracht van deze wijze woorden van de synode hebben ge broken. Hier en daar ontstond het tegendeel van wat de synode van 1836 bedoelde, want de ambtsdragers gingen niet die gemeenteleden opzoeken die niet aan de Avond maalsviering deelnamen, maar ze zochten veeleer de avondmaalgangers op om bij hen een onderzoek in te stellen, of hun toetreden tot de dis des Heren wel gerechtvaardigd was.

Dat is een gevolg van een verkeerde visie op de gemeente. De gemeente is volgens onze confessie de vergadering van de gelovigen. Wij zeggen daarmee niet, dat in de kerk allen zonder uitzondering ware gelovigen zijn. Er kunnen zich onder hen die de naam van de Here belijden, mensen bevinden die Hem met de mond roemen, maar wier hart ver van Hem is. Zelfbeproeving is en blijft noodzakelijk.

Maar omdat de kerk waarin men zich richt naar het zuivere Woord van God, gezien mag worden als de gemeente van onze Here Jezus Christus, mag van haar leden ook niet an ders gevraagd worden dan een belijdenis van het geloof in Hem.

In onze kerken is wel eens gezegd, dat de kerk voor de toelating tot het avondmaal geen levend geloof eist, maar instemming met de belijdenis. Docent P.J.M. de Bruin en anderen hebben dit standpunt rond 1913 verdedigd en er daarbij op gewezen, dat men anders in de praktijk op niet geringe moeilijkheden stuit.

De kwestie kwam op de synode van 1913 in de kerkelijke weg aan de orde. Toen is een principiële uitspraak gedaan: De synode sprak uit, dat op grond van Gods Woord en de belijdenisgeschriften van de kerk een levend geloof als eis van God bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden.

De belijdenis staat niet op zichzelf

Het zou niet goed zijn om de openbare geloofsbelijdenis op zichzelf te beschouwen. De belijdenis heeft een plaats tussen de doopvont en de bondsdis. Wie over het karakter van de belijdenis nadenkt, moet bij het Woord van God, het verbond en de doop begin nen. Ons ja is immers nooit een eerste woord. Het is een antwoord op het Woord van God, op de beloften en eisen van de God van het verbond. Het is er amen op zeggen, niet met de mond alleen, maar met het hart. Daar wil de Here ons toe brengen door zijn Heilige Geest, die er het Woord als middel der genade voor gebruikt.

Zoals het genadeverbond en de geloofsbelijdenis bij elkaar horen, hangen ook doop en belijdenis met elkaar samen. Dat komt al in het doopformulier uit, waarin gevraagd wordt, dat de gedoopte Gods Vaderlijke goedheid en barmhartigheid moge bekennen (moge belijden).

Er is ook een direct verband tussen belijdenis en Avondmaal.Dat is in de gereformeerde traditie steeds weer naar voren gebracht.

Het „Kort Begrip”, dat in 1608 door een van de Middelburgse predikanten opgesteld werd en als leidraad bij het onderzoek door de kerkeraad bedoeld is, heet: Kort Begrip der christelijke religie voor hen die zich willen begeven tot des Heren Heilig Avondmaal. Veelzeggend is het feit, dat een volwassene die na belijdenis van het geloof gedoopt wordt, volgens het formulier moet beloven, dat hij of zij ook in het gebruik van het Heilig Avondmaal zal volharden.

In het formulier voor de openbare belijdenis des geloofs, dat wij aan de synode van 1965/1966 te danken hebben, wordt niet over een verplichting gesproken en geen be lofte geëist, maar wel uitdrukkelijk naar de begeerte gevraagd om het Avondmaal te vieren: Betuigt gij dat ge u vanwege uw zonden mishaagt, u voor God verootmoedigt, uw leven buiten uzelf in Jezus Christus zoekt, en begeert ge ’s Heren dood te verkondi gen tot versterking van uw geloof?

We doen belijdenis in de kerk. Daarmee verbinden we ons ook aan de kerk. Dat is niet het eerste en zeker niet het enige. Daarom moeten wij bezwaar maken tegen een op vatting als die van ds. G.H. Kersten, die de belijdenis niet in verband bracht met het Avondmaal, maar wel met de kerk. Volgens hem spreken doopleden daarmee uit, dat zij bij de kerk willen blijven en hun lidmaatschap bestendigen. Hij noemt de belijdenis des geloofs „een vrijwillige en uitdrukkelijke toestemming aan en belijdenis van de in Gods Woord geopenbaarde en door de Gereformeerde Kerken saamgestelde waarhe den, door hen, die tot de jaren des onderscheids gekomen zijn” (Gereformeerde Dog matiek, II, 1950, blz. 124-128). Dan is een „belijdenis der waarheid” normaal, al is het geen ideaal!

Als wij belijdenis doen in het midden van de gemeente, is dat echter niet omdat de ge meente een samenkomst is van aanhangers van de waarheid, maar omdat zij de vergade ring der gelovigen is. We hebben ons met onze geloofsbelijdenis te scharen in de rijen van de belijdende christenen. Daar is onze plaats, naast de andere broeders en zusters, die de naam van de Here belijden.

Het is niet om het even, in welke kerk wij belijdenis doen. Maar we kunnen ook niet belijden wat wij willen. De kerkeraad ziet erop toe, wie er belijdenis doen en hoe ze het doen. Er wordt naar de beweegredenen gevraagd en er wordt een onderzoek inge steld, waarbij het op meer dan op kennis van de geloofsleer alleen aankomt. Het gaat om de kennis van de Here, waar de Bijbel over spreekt, de kennis van God, die Zich in Christus aan ons geopenbaard heeft. Dat is een zaak van het hart.

Als wij Hem kennen, kunnen wij niet meer zonder Hem leven. Dan zal de belijdenis van Petrus ook de onze zijn: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods (Joh.6: 68,69). Of we zeggen het met die ootmoedige, maar oprechte woorden van dezelfde discipel: Here, Gij weet alles, Gij weet, dat ik U liefheb (Joh. 21:17).

De vragen naar de persoonlijke verhouding tot de Here zijn niet te vermijden of te ont wijken. Ambtsdragers mogen niet de weg van de minste weerstand kiezen. Soms wor den de beslissingen niet zonder moeite genomen. Maar de kerkeraad behoeft niet in te staan voor de echtheid van het geloof van alle leden van de gemeente. Als zij die belij denis doen, hun jawoord geven, is dat hun eigen ja. De synode van 1913 heeft ook ge zegd, dat de kerk niet meer van de belijder eist dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt. Wij zijn immers geen kenners der harten.

Er zal wel eens iemand afgewezen moeten worden die dacht belijdenis te kunnen doen: „Zo kan het niet. Zo mogen we u nog niet toelaten”. Dat valt soms verkeerd en het is niet gemakkelijk. Maar het kan een goede uitwerking hebben, vooral als het op een pas torale wijze gebeurt. De synode van Dordrecht (1618/1619) sprak uit, dat door de ver maningen de genade meegedeeld wordt (Dordtse Leerregels, lll/IV, 17). Dat zijn de „heilige vermaningen van het evangelie”, die de Here wil gebruiken en zegenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.