+ Meer informatie

Kroniek

9 minuten leestijd

Nieuwe gezichten.

Het is ons een genoegen u hier enkele nieuwe gezichten voor te mogen stellen. Allereerst de heer Drs. P. D. van Geet, die korte tijd geleden zijn intrede deed bij de Sectie Gezinszorg en Gezinsverzorging van de Algemene Diakonale Raad. Hij vervult de vacature, die ontstaan was door het vertrek van de heer Masman. Was laatstgenoemde vooral een man van het voorterrein, weinig thuis, dat wil zeggen op Maliesingel 26, veel op pad, de heer Van Geet zal zijn taak vooral op het bureau vinden: in werk, dat op de achtergrond geschiedt. Veelal in commissies die zich bezighouden met studie en bezinning, dingen waaraan het diakonaat thans meer behoefte heeft dan ooit.

In Utrecht werd op zondagavond 11 september Ds. de Planque bevestigd als predikant voor bijzondere werkzaamheden: het directeurschap van de Stichting voor Kerkelijk Sociale Arbeid aldaar. We heten hem hartelijk welkom in de kring van diakonale werkers. Hij is daarin trouwens geen onbekende. In Brabant en Limburg hebben vele diakenen hem reeds ontmoet in zijn vorige functie, waarin hij werkzaam was ten behoeve van de gere-patrieerden.

In Groningen is dezer dagen Drs. P. A. C. Douwes zijn werk begonnen als directeur van de Provinciale Stichting voor Diaconaal Maatschappelijk Werk. Nu ook Groningen zijn directeur heeft, resteert alleen nog de provincie Utrecht. Het is toch wel een feit om even de aandacht op te vestigen, dat dus nu nagenoeg alle provincies de beschikking hebben over zulk een figuur, wij willen niet nalaten onze voldoening erover uit te spreken, dat de opbouw van het provinciale diakonale apparaat thans zover gevorderd is. Overigens wacht de nieuwe directeur van Groningen lang geen eenvoudige taak. De sociale verschuivingen en structuurveranderingen in de Groninger samenleving plaatsen niet alleen het diakonaat, maar heel de kerk voor problemen, die bepaald niet met een handomdraai op te lossen zijn. Voor directeur en P.D.C. ligt hier een zware, maar toch ook weer prachtige taak, waarvoor wij hen veel wijsheid en inzicht toe bidden.

Een goede conferentie.

De Groninger P.D.C. hield dezer dagen haar jaarlijkse wapenschouw: de provinciale diaconale conferentie, die dit jaar een bijzonder feestelijk tintje kreeg, doordat aan de talrijke aanwezige diakenen thans hun nieuwe provinciale directeur kon worden voorgesteld. Deze kwam ook zelf een ogenblik aan het woord: „Ik ben uw aller dienaar, als zodanig diaken onder de diakenen.” Bovendien werd de verheugende mededeling gedaan, dat nu over een eigen provinciaal diaconaal bureau kan worden beschikt, dat gevestigd is op Emmasingel 19. Men wil nu dus in Groningen kennelijk aan de slag gaan.

De conferentie bedoelde dit jaar echt een werkvergadering te zijn: de gerepatrieer-denzorg, de bejaardenzorg en de internationale hulpverlening kwamen er aan de orde. Over het eerste sprak de voorzitter, Ds. Sikken, van de subcommissie voor gerepatrieerdenzorg van de P.D.C.: „Je kunt geen diaken zijn, als je geen bewogen mens bent, maar wat doet u in uw eigen dorpsgemeenschap voor deze gere-patrieerden?”

Ds. de Jong, voorzitter van de subcommissie voor de bejaardenzorg, bepleitte o.m. een landelijk Hervormd, desnoods interkerkelijk, initiatief voor de bouw van verzorgingsgelegenheden voor chronische patiënten. De taak van de subcommissie noemde hij: een helpende hand te zijn op de achtergrond. In de komende wintermaanden zal zij haar bezoeken aan de diaconieën voortzetten!

Tenslotte sprak de heer H. de Jong Sr., secretaris van de landelijke Sectie voor Internationale Hulpverlening, die op de hem eigen wijze de diakenen dit werk op het hart bond.

Een goede conferentie, met een prima organisatie en een hartelijke sfeer.

Een nieuwe jaar-gang.

We hadden het voorrecht te mogen spreken voor een nieuwe groep meisjes, die zojuist hun diakonaal jaar in Utrecht zijn begonnen. De gebruikelijke gang van zaken is, dat deze meisjes alvorens zij vanuit Utrecht naar de diverse instellingen, waar zij hun werkjaar gaan vervullen, uitzwermen, eerst voor een vormings-week bijeenkomen.

Zo waren wij op Oud-Poelgeest bij deze nieuwe lichting te gast om er iets te vertellen over de nieuwe vormen van diakonaal werk. We troffen er een intense belangstelling aan, die zich in een levendige discussie uitte. Wat ons frappeerde was, dat van enig vooroordeel tegen alles wat zich als „diakonaal” aandient blijkbaar bij deze generatie geen sprake meer is. Onze opmerking, dat het diakonaat nog steeds van jaren her behept is met een slechte pers, werd met oprechte verbazing beantwoord: „Wat wij van het diakonaat zien in onze tijd, vervult ons alleen maar met bewondering.”

Dat het jonge geslacht blijkbaar zo over het diakonaat van deze dag oordeelt, is iets, waarvan je toch wel stil wordt en dat je met oprechte dankbaarheid vervult.

Volksgezondheid.

Over de gééstelijke volksgezondheid werd in Diakonia al eerder geschreven. Het maart-nummer van het vorige jaar werd er zelfs geheel aan gewijd. Maar we willen ditmaal iets vertellen over de „lichamelijke” volksgezondheid. We werden namelijk in de gelegenheid gesteld om het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, dat te Bilthoven gevestigd is, te bezichtigen. Het is een rijksinstelling, die als zodanig nauw samenwerkt met de inspecties voor de volksgezondheid, ook regeringsopdrachten uitvoert, doch overigens toch op een volkomen zakelijke basis werkt: er worden vaccins bereid tegen pokken, polio, tetanus en andere ziekten. Daarnaast worden geregelde controles uitgevoerd op het drinkwater, de zuiverheid van de lucht (van belang in fabriekssteden) en met name ook op de radioactiviteit ervan.

Een indrukwekkend stuk werk, waarvoor we dankbaar mogen zijn. Er zijn vele landen, die in deze strijd voor de volksgezondheid lang zo ver niet zijn, waar ernstige ziekten hun verderfelijke werking nog vrij kunnen uitwoeden. Hier strijden mensen, gebruikmakend van de inzichten en middelen der huidige wetenschap, weliswaar op een ander front dan wij in ons diakonale werk, maar toch ook weer naast en met ons tegen ziekte en leed.

Een werkvergadering.

Het moge bekend zijn, dat de Raad voor de Herderlijke Zorg en de Algemene Diakonale Raad, die ieder hun eigen verantwoordelijkheid ten opzichte van de zorg voor de bejaarden hebben, de coördinatie hiervan verwezenlijken in de zogenaamde Contactsectie voor de bejaardenzorg.

De Contactsectie heeft dezer dagen alle provinciale subcommissies voor de bejaardenzorg van de P.D.C.’s te Utrecht voor een middagvergadering bijeengeroepen. Een werkbespreking, die onder leiding stond van de voorzitter Dr. A. A. Koolhaas: „Misschien is een van de problemen van de bejaardenzorg, dat wij van de bejaarden een probleem hebben gemaakt.”

De heer Tilanus, voorzitter van de Nederlandse Federatie voor Bejaardenzorg, leidde de besprekingen in: „naar de individuele bejaarde toe dienen we ervoor te waken, dat we hem apart zouden zetten. We zullen hem als een gewoon burger moeten zien. Ook in ons diakonaal maatschappelijk werk benaderen we de bejaarde van één kant. We zullen dit werk toch breder moeten aanpakken en wellicht streven naar plaatselijke werkgroepen. Deze zullen dan systematisch te werk hebben te gaan. Naar de samenleving, waarin de bejaarde heeft te leven, toe zullen we vooral aandacht dienen te geven aan de bouw van aangepaste woningen voor bejaarden. In het geheel van het woningbouwbeleid zou ongeveer 5 % voor bejaardenwoningen moeten worden bestemd. We dienen er overigens ook rekening mee te houden, dat in de bejaarden als groep sociologische verschuivingen plaatsvinden.

Voor alles dient te worden gezorgd voor het behoud van de zelfstandigheid van de bejaarde.”

Deze werkbespreking was ook bijzonder leerzaam, door de verslagen die vanuit verschillende plaatselijke commissies voor bejaardenzorg van het werk werden gedaan. Achtereenvolgens kwamen commissies uit de volgende plaatsen aan het woord: Rhoon, Hengelo, Delft, Hattum en Vlaardingen. Zr. de Klerk sloot de rij met het verhaal over „Tafeltje dek je”: de verzorging van maaltijden, die in Haarlem vanuit een breed opgezette commissie nu reeds zes jaar lang plaatsvindt. Uit deze verslagen bleek, dat al deze commissies zeer nauw samenwerken met de plaatselijke diaconie, in de meeste gevallen ook functioneren als diaconale commissies. Het waren stuk voor stuk voortreffelijke toespraakjes, waarin zeer behartigenswaardige dingen werden gezegd. Het viel ons op, dat in dit werk de vrouwelijke gemeenteleden het grootste aandeel hebben. Hoeveel werkloze krachten er in de verschillende gemeenten van onze kerk schuilen, is bij geen benadering te zeggen. Het blijkt echter, dat juist in de zorg voor de bejaarde broeder of zuster vele van deze krachten aan het werk gezet kunnen worden. En waarlijk niet alleen de vrouwelijke leden der gemeente.

De bejaarden-pedicure.

De diaconale commissie voor de bejaardenzorg te Hengelo onderhoudt op voorbeeldige wijze een bejaardensocieteit.

Sprekers en spreeksters komen er van tijd tot tijd over de meest uiteenlopende onderwerpen een praatje houden.

Het was van tevoren nauwelijks te voorzien geweest, dat de pedicure, die ook uitgenodigd was om eens over haar werk te vertellen, zo’n aandachtig gehoor zou vinden, dat op een gegeven moment één van de aanwezigen zijn broekspijp opstroopte en zijn schoen en kous uittrok: „mevrouw, moet u hier eens kijken.” Mevrouw keek en zag, dat er een knaap van een likdoorn onder de nagel van een teen zat. Geen wonder, dat de man ongelukkig liep. En dat zelfs al jaren.

Het kwam na het opzienbarend resultaat van de goede zorgen aan de voeten van deze bejaarde tot een speciaal spreekuur van de pedicure voor bejaarden van deze sociëteit. Ongeveer 10 tot 15 personen komen daar thans geregeld op bezoek. Zij hebben het voorrecht van een speciaal tarief, waarvan zo nodig bovendien de diaconie nog de helft voor haar rekening neemt.

Kennismaking.

September is de maand, waarin de nieuwbakken studenten aan de verschillende universiteiten door de ouderejaars in de geheimen van het studentenleven worden ingewijd. Dit gebeurt op de meest uiteenlopende manieren. Een groepje eerstejaars vrouwelijke studenten aan de Utrechtse universiteit kreeg de enigszins ongewone opdracht om eens te gaan kennismaken met een stukje sociaal werk. Ze kwamen terecht met hun ongewone opdracht bij het bureau van de Utrechtse diakonie en met name bij de directeur van de Stichting voor Kerkelijk Sociale Arbeid. Na een kort beraad werd tenslotte besloten, dat zij zich van hun taak zouden kwijten, door één voor één de ge-zinsverzorgsters in hun arbeid een dag gezelschap te houden. Deze kennismaking is zeker voor het diakonaat even waardevol te achten als voor de betrokken studenten! G. J. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.