+ Meer informatie

Uit een preek over Genesis 49 : 22 t/m 26

7 minuten leestijd

Dan gaat Jacob voort in vers 23 wanneer hij zegt: „De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan en beschoten en hem gehaat.”.

De schutters waren zijn eigen broers, want die broers wilden het woord niet, dat Jozef bracht. Die broers verwierpen hem, omdat ze niet wilden aannemen wat hij zei krachtens de openbaringen Gods. Die schutters hebben hem veel bitterheid aangedaan. Want die bitterheid ligt ten eerste dan hierin, dat Jozefs woord verworpen werd, terwijl hij toch wist, dat hij de woorden Gods sprak.

„Veel bitterheid”, ze werpen hem in de put. Eerst willen ze hem doden, maar neen, tenslotte komt hij toch in de put. Hij wordt uit de put gehaald om verkocht te worden aan de Midianieten. Dan wordt zijn veelvervige rok uitgetrokken en krijgt hij een slavenkleed aan, want hij wordt door de Midianieten als slaaf verkocht aan Potifar. Het zou daar alles goed en best gegaan zijn naar de wereld. Hij zou daar alles gehad kunnen hebben wat hij maar begeerde, indien hij niet de zonde geweigerd had waartoe de vrouw van Potifar hem verlokte. Als hij maar toegestemd had. Hij behoefde daar alleen maar „ja” te zeggen tot de vrouw van Potifar. Want we lezen dat deze vrouw iedere dag met hem sprak om de zonde te bedrijven. Omdat Jozef niet zondigen wilde „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?” werd het bewijs van zijn onschuld het bewijs van zijn schuld. Namelijk zijn kleed, dat die vrouw liet zien aan Potifar. Toen zei Potifar: Hij moet de gevangenis in.

Jozef in de gevangenis. Waarom? Omdat hij niet zondigen wilde! Omdat hij onschuldig was in de gevangenis! Denkt het eens in, wat een diepe weg. Juist omdat iemand de zonde niet wil doen, komt hij in de nood en onder de druk. Dan vraag ik, wanneer Jozef daar zit in de gevangenis: „Jozef, houdt ge nog vast aan die God? Gelooft ge nu nog Jozef, dat die God bestaat en dat Hij Zich aan uw ziel heeft geopenbaard? Want kijk nu eens naar uw kleren. Jozef ge zijt begonnen met een veelkleurige rok en toen werd u een slavenkleed aangetrokken. Nu hebt ge tenslotte niet meer aan dan een gevangenispak.”

Dit alles omdat Jozef God vreesde! Want wanneer Jozef God niet gevreesd had, dan had hij een rijk leven bij Potifar gehad. O Jozef, wat is er nu van uw dromen terecht gekomen? Ge komt steeds verder af van het doel. Ge zijt uw rok kwijt, ge zijt niet eens een slaaf meer. Ge zit nu in de gevangenis als een misdadiger. Het gaat al dieper en dieper met Jozef, want u kent ook het verhaal van de schenker en de bakker. De bakker had gedroomd tot zijn oordeel en de schenker had gedroomd tot zijn voordeel. Jozef verklaarde beide dromen. Hij verklaarde in de gevangenis de dromen van een ander, terwijl hij zijn eigen dromen niet meer verklaren kon. „Wil je dan ook nog eens aan mij denken?”, zei Jozef tot de schenker, „wanneer je dan in vrijheid gesteld zult zijn?” De schenker beloofde het natuurlijk gul. Maar.........Jozef bleef in de gevangenis; dewijl hij, dat is de schenker, vergat degene, die hem welgedaan had.

De wegen kunnen diep zijn. Jozef behoorde ook tot de kerk Gods. Ook hier één van de twaalf takken, dat is het leven van de kerk des Heeren. Zo gaat het meer, en zo gaat het met ieder lid van de kerk. In welk opzicht dan ook, het gaat langs de diepte naar de hoogte. De diepte, en die is benauwd. Dat zijn de tijden, dat ze uitroepen:


Zouden Zijn beloftenissen
Verder haar vervulling missen?


Want het gaat precies de verkeerde kant op, dat ze zeggen: „O God, zo komt het er nooit, het gaat in de tegengestelde richting. Zokan het niet en zo moet het niet”. Ze hebben er allen iets van gekend. Jakob ook in zijn leven toen hij zei: „Al deze dingen zijn tegen mij”. Elia heeft er iets van gekend na de Karmel, toen hij lag onder de struiken. David heeft het ook geleerd toen hij vervolgd werd door Saul. Petrus wilde ook niet naar de diepte. Hij kon het ook niet meer bezien toen Christus sprak van Zijn lijden. Hij vond het niet nodig en zei: „Heere, dat zal U geenszins geschieden”. Toen het naar de diepte ging, dacht Petrus: Nu gaat het verkeerd.

Dat denkt de kerk Gods nog: Nu gaat het verkeerd. Jozef heeft zijn rok, zijn prachtige rok moeten verliezen. Zo moeten ook in de kerk des Heeren de rokken verloren worden. Het moet zo worden, dat ze in de gevangenis komen, van de duisternis, van de donkerheiden van de diepte. Want God gaat met Zijn volk door de diepte naar de hoogte.

Jozef, houdt ge nog vast aan die God? Jozef, nu ziet ge: de schenker heeft u ook vergeten en ge komt nooit meer uit de gevangenis. Hoe moet dat nu, Jozef, met uw dromen en met al wat ge verteld hebt? Gelooft ge dat nu nog? En dan vers 24. Dan geeft Jakob het antwoord op de vraag: „Maar zijn boog is in stevigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs”. De Machtige Jakobs, dat is de God Jakobs. Die heeft Jozef vastgehouden. Och, het gaat er tenslotte niet om wat Jozef gedaan heeft en wat Jozef gepresteerd heeft, want Jozef is vastgehouden. Het gaat er om wat God gedaan heeft in Jozef.

Dat is altijd de zaak. Niet wat de kerk zelf doet, want de kerk kan nooit iets goed doen, ze kan alleen maar vallen en afvallen. Maar het gaat er om wat God doet in de kerk, De Machtige Jakobs hield Jozef vast en houdt Zijn volk vast. Anders was Jozef gevallen in het huis van Potifar en anders was Jozef gevallen in de gevangenis. Maar dat is nu het wonder en dat lezen we geregeld van Jozef: De Heere was met hem.

De Heere was met hem met Zijn zegen, met Zijn nabijheid, en dan heeft de mens toch alles mee. Hij had veel tegen, maar hij had toch alles mee. „Zijn boog is in stevigheid gebleven”, omdat de Heere met hem was. Zijn boog is gespannen gebleven, dat wil zeggen: hij is niet verslapt in zijn vernedering en ook niet in zijn verhoging. Want het is een zwaarder werk om aan de Heere vast te houden in de voorspoed, dan in de tegenspoed.

In een gevangenispak geloven, dat er een God bestaat, Die Zich aan uw ziel geopenbaard heeft, is moeilijk. Maar met een koningskleed van purper te geloven, dat er een God in de hemel bestaat, is nog moeilijker, dacht ik. Geen kleinigheid, die verhoging van Jozef. Hij is onderkoning geworden, de tweede in gans Egypteland. Toch is hij blijven buigen voor de God der goden. Dat is geen kleinigheid, want wanneer de koning buigt, valt de kroon van zijn hoofd. Sommigen zijn nog maar korporaal en het gist zit al in de schoenen. Sommigen hebben nog maar een paar letters gegeten en ze vliegen al in de hoogte. Sommigen zijn nog maar een stapje vooruit op de ladder van de maatschappij en ze kennen een ander al niet meer.

Maar Jozef in zijn koningsmantel is de nederige gebleven aan de troon Gods. Jozef met zijn kroon, hij had de eer voor het grijpen, hij leefde in zijn verhoging midden in de weelde; hij had maar te spreken en het stond er, en te gebieden en het was er. Toch, ondanks die enorme verering van mensen, is zijn boog gespannen gebleven, dat wil zeggen: Hij is niet verslapt, hij heeft de goede strijd gestreden, hij heeft het geloof behouden ook op de troon.

De naam Jozef herinnert aan godsvrucht en aan godsvreze, is ’t niet waar? Zoals Jozef zijn er niet veel in de kerk des Heeren.

Wanneer zijn broers terug komen, neemt hij geen wraak; dan zegt hij niet: Nu is het mijn beurt. Hij had het kunnen doen. Och, Jozef zag over de hoofden der schutters heen, en daar is genade voor nodig. Maar dat is toch een bewijs van diepe godsvrucht. Over de hoofden van de schutters heen te zien, dat wil zeggen: Jozef eindigde in de raad Gods. Jozef is een bewijs van de godsvrucht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.