+ Meer informatie

De leer van het kerkelijk ambt bij de Reformatoren

10 minuten leestijd

Ter toelichting op hetgeen we in enkele voorafgaande artikelen schreven over de ambtsopvatting van Calvijn volgen hier nu enkele illustraties vooral uit zijn commentaren en brieven. Niemand meer dan juist hij was overtuigd van de geringheid van de ambtsdragers. Alle ambtsoverschatting was hem volkomen vreemd. Een verlenen van waardigheid of verdienste aan het bekleden van een kerkelijk ambt is daarom geheel in strijd, met wat Calvijn voorstond. Daarom schrijft hij in z’n commentaar op 1 Cor. 3 :5: Daarom, wie de mensen bovenmate verheffen, beroven hen van hun wezenlijke waardigheid. Want dit is voor allen het voornaamste, dat zij dienaren des geloofs zijn, dat is, dat zij voor Christus en niet voor zichzelf dienaren gewinnen. En hoewel hij aldus schijnt der dienaren waardigheid te verkleinen, toch vernedert hij hen niet beneden hun rang. Het zijn dienaren, welker arbeid God gebruikt. Niet omdat zij door hun eigen kracht iets vermogen, maar voorzover zij als instrumenten door zijn hand gedreven worden.”

In heel zijn commentaar op dit belangrijke hoofdstuk uit de Conrinthenbrief klinken deze gedachten door. Calvijn geeft zich moeite om aan de ambtsdragers hun juiste plaats toe te wijzen.” Paulus is gewoon van de dienaren op tweeërlei wijze te spreken, gelijk ook van de sacramenten. Want somtijds beschouwt hij de dienaar, gelijk hij door de Heere verordend is, om de zielen eerst te wederbaren en daarna te voeden tot het eeuwige leven, om de zonden te vergeven, om der mensen gemoed te vernieuwen, om het rijk van Christus op te richten en het rijk van de satan te verstoren: en dan schrijft hij hem niet alleen het ambt van planten en natmaken toe, maar versiert hem ook met de kracht van de Heilige Geest, opdat zijn arbeid niet krachteloos zij. Alzo noemt hij zichzelf ergens een dienaar des Geestes, en niet der letter, die het woord des Heeren in de harten inschrijft.

Soms beschouwt hij de dienaar, gelijk hij een dienstknecht is en niet een heer. Gelijk hij een orgaan is en niet een hand. Kortom gelijk hij een mens is en niet God. En dan laat hij niets anders over voor hem dan de arbeid en wel de dode en ijdele arbeid, zo de Heere hem niet door zijn Geest krachtig maakt De reden is, omdat, wanneer enkel over de dienst gehandeld wordt, wij niet alleen de mens moeten aanzien, maar ook God, die in hem werkt door de gave van de Heilige Geest. Niet dat de gave van de Heilige Geest altijd aan het woord van de mens gebonden is, maar omdat Christus in de dienst, door Hem ingesteld, zijn macht alzo bewijst, dat het duidelijk is, dat hij niet tevergeefs ingesteld is. Alzo beneemt Hij zichzelf niets, om de mens toe te schrijven. Want Hij wordt niet van de dienaar afgezonderd, maar veeleer wordt zijn kracht gezegd in de dienaar krachtig te zijn. Wij zullen weten ... dat de mensen, die slechte waardebepalers zijn van de genade Gods, veel te kwistig zijn in het verheffen van de dienaars van God, ja Gode ontnemen, wat ze dezulken toeschrijven.

De ware dienaars arbeiden niet voor zichzelf, maar voor de Heere. Wie de mensen verheffen, beroven hen van hun wezenlijke waardigheid … Want het is veel, als hij zegt, dat wij door hun dienst het geloof verkrijgen. Ja de kracht der uitwendige leer wordt hier zeer geprezen, dewijl zij een orgaan van de Heilige Geest genoemd wordt. En de herders worden met geen gewone lofspraak versierd, wanneer er van God gezegd wordt, dat Hij hen als dienaars gebruikt, om de onvergelijkelijke schat des geloofs uit te delen.

Ook in 2 Cor. 4 spreekt de apostel over ’t ambt en Calvijn tekent er bij aan: Daarom zo wie Christus alleen wil prediken, moet zichzelf vergeten. Hier worden alle herders onderwezen in hun staat en conditie. Want hoe heerlijk de namen zijn waarmee zij versierd worden, zo zijn ze niet anders dan dienstknechten der gelovigen. En voorwaar, ze kunnen Christus niet anders dienen, zonder ook mede zijn gemeente te dienen. Het is wel een heerlijke dienst en hoger dan enig vorstendom, maar het is nochtans een dienst zodat Christus alleen hoog en verheven is en geen metgezellen heeft. Zo betaamt het een herder, dit voor zijn hoogste eer te houden, waarnaar hij heeft te staan, dat hij Gods volk diene. Daarentegen betaamt het ’t volk, dat ze de dienstknechten van Christus, ten eerste vanwege de majesteit Gods, maar voorts ook vanuit de uitnemendheid en grootheid van het ambt waarderen en achten, opdat zij die niet verachten, die de Heere zo hoog heeft gesteld.

Ook in zijn verklaring bij 2 Cor. 5:18 klinkt weer hetzelfde geluid door: Die ons de bediening der verzoening heeft gegeven … „Dit is ook een bijzondere waardigheid der dienaren, dat zij met zulk een bevel van God tot ons gezonden worden, om tussenboden en gelijk borgen te zijn. Maar dit is niet zozeer gezegd, om die dienaars te verheerlijken, maar veel meer tot vertroosting der godzaligen, opdat zij weten, dat God met hen van verzoening handelt, en zoveel als een verbond maakt, zo dikwijls als zij het Evangelie horen. Wat is er beter te begeren, dan dit goed. Zo zullen wij dan bedenken, dat dit het voornaamste doel van het Evangelie is, namelijk, dat wij, die van nature kinderen des toorns zijn, door God in genade worden aangenomen, de vijandschap tussen Hem en ons weggenomen zijnde. Dit bevel wordt de dienaren gegeven, dat zij de boodschap van zulk een groot goed tot ons brengen, ja ons leren van de vaderlijke liefde van God tot ons. Het kan wel zijn, dat een ander, wie hij ook maar is, voor ons een getuige is van deze genade, maar Paulus leert, dat dit ambt in het bijzonder de dienaar is opgelegd. Daarom, wanneer een dienaar behoorlijk geordend, uit het Evangelie verkondigd, dat God met ons verzoend is, zo moet men hem niet anders horen, dan als een afgezant of een gezonden bode Gods, die genoegzame autoriteit heeft om dat zelve te bevestigen.

Het gezag van de dienaar is dus verworteld in het gezag van het Woord van God, dat door die dienaar wordt gebracht. Duidelijk schrijft Calvijn dan ook bij Lucas 7 : 10: Als wij dat Woord niet zo veel gezag toekennen, dat er geen twijfel bij ons overblijft, of de zonden zijn ons vergeven en het leven is ons teruggeschonken, zodra God door zijn dienaren gesproken heeft, zo bezwijkt al, donze hoop op de zaligheid.

Want de sleutel van het koninkrijk der hemelen is de genadige aanneming Gods, die we uit het Woord ontvangen.

Ook in zijn brieven, die een schat van gegevens bevatten omtrent de gedachten van Calvijn klinkt telkens weer dit geluid door. Aan Bullinger schrijft hij: Op tweeërlei wijze spreekt de Heilige Geest van de dienaren des Woords. Soms brengt Hij in rekening wat ze uit zichzelf vermogen. En dan ontneemt Hij hen alle macht. Daarbij hoort het Woord, dat noch hij die plant, noch hij die nat maakt iets is. Een dienaar des Woords is dus zonder God niets. Een andere keer voegt de Geest zijn werkzaamheid samen met hun dienst, en dan versiert Hij hen met heerlijke lofprijzingen, waardoor echter niemand overmoedig mag worden, alsof hij iets zou zijn. Beiden vinden hun volle uitdrukking in het derde hoofdstuk van de tweede Corinthenbrief, waar Paulus zijn apostelambt zo uitnemend prijst omdat hij zich niet scheidt van de Geest van God, of wel beter, omdat hij, zoals hij ergens anders uitdrukt, Gods macht prijst, die in hem en in zijn prediking werkzaam was.

Aan de predikers van de stad Bern luidt het: Van de dienaren des woords en hun ambt spreekt de Schrift op tweevoudige wijze. Soms beschrijft zij, wat zij op zichzelf vermogen. Een andere keer voegt ze de genade van de Heilige Geest met huns dienst samen. Wordt de dienaar des woords op zichzelf beschouwd, dan wordt hij tot niets gemaakt met al zijn bekwaamheid. Ook de allerbekwaamste, bedoel ik. Want hij, die anders met geestesgaven tot wonderdoen was toegerust, mag werken zo veel hij wil en zijn krachten inspannen en zo de van de hemel ontvangen gaven gebruiken, hij zal toch niets bereiken uit eigen kracht en arbeid. Dat de dienaren des Woords daartoe vas God geroepen zijn, dat ze de mensen uit de macht van de dood redden en tot leven brengen en van duivelsknechten tot kinderen van God maakt, kan men niet loochenen. Wat kan er echter groters en heerlijkers gedacht of gezegd worden? Ja, Paulus leert, om de eigen woorden der Schrift te gebruiken, dat het God behaagde door de dwaasheid der prediking zalig te maken degenen, die geloofden.

Zo trekt Calvijn ook in zijn correspondentie (de voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn) evenals in zijn commentaren de lijnen zuiver. Helder en duidelijk klinkt het in zijn Institutie (IV, 3, 1): Ofschoon Hijzelf alleen in zijn kerk moet regeren en heersen, zo hebben we gezegd, dat Hij daartoe de dienst van mense aanwendt en als het ware een plaatsvervangende werkzaamheid. Niet om op hen zijn recht en eer over te dragen, maar alleen om door hun mond zijn eigen werk te volbrengen, gelijk ook een handwerksman tot het maken van zijn werk gereedschap gebruikt. Hij zou dit wel kunnen doen, door zichzelf zonder enig instrument, maar er zijn verscheidene redenen, waarom Hij het liever door middel van mensen wil doen. Zo betoont de Heere zijn goedgunstigheid jegens ons, wanneer Hij uit de mensen enigen neemt, om voor Hem in de wereld het gezantschap waar te nemen, om uitleggers te zijn van zijn verborgen wil, kortom om zijn persoon te vertegenwoordigen. En zo bewijst Hij metterdaad, dat het niet iets ijdels is, dat Hij ons op vele plaatsen zijn tempelen noemt, doordat Hij uit de mond van mensen, als uit een heiligdom, aan de mensen zijn uitspraken geeft. Bovendien is dit een zeer goede en nuttige oefening tot nederigheid, wanneer Hij ons er aan gewent zijn Woord te gehoorzamen, ook al wordt het gepredikt door mensen, die aan ons gelijk zijn, en soms in waardigheid onze minderen. Wanneer Hij zelf van de hemel sprak, zou het geen wonder zijn, wanneer zijn uitspraken zonder dralen, door aller oren en harten eerbiedig werden ontvangen.

Want wie zou niet huiveren voor zijn majesteit? Maar wanneer een of ander mensje uit het stof opgerezen in de Naam Gods spreekt, dan bewijzen wij door een uitnemend getuigenis onze vroomheid en onze eerbied jegens God, indien we ons gaarne laten onderwijzen door zijn dienaar, hoewel deze in geen enkel opzicht boven ons uitsteekt.

Dat dit alles voor Calvijn niet maar een mooie theorie is geweest, die geen realiteit achter zich had is wel duidelijk. Treffend blijkt dit uit een bewogen brief, van Calvijn aan Farel (16 juni 1542), waarin de Reformator spreekt over het sterven van Ami Poral, een vriend en ijverig aanhanger van Calvijn, wiens werk in Genève van grote betekenis was. Met Viret bezocht Calvijn zijn vriend, die zeer ernstig ziek was. „Toen ik een paar woorden sprak over het kruis, over de genade van Christus en de hoop op het eeuwige leven (want we wilden hem niet met veel spreken vermoeien) antwoordde hij, hoe ’t hem paste de boodschap als van God aan te nemen, want hij wist wel, welke kracht de christelijke dienst des Woords bezat om de zielen der gelovigen te sterken … hij eindigde met te zeggen, dat hij de vergeving der zonden, die we hem in opdracht van Christus beloofden, geheel zo aanvaardde alsof hem een engel uit de hemel was verschenen …

Alsof hem een engel uit de hemel was verschenen.

Was er voor Calvijn schoner typering denkbaar, dan wat deze stervende vriend van zijn dienst des Woords zeide?

Neen immers.

Welnu, dat blijft de kracht van het ambtelijke spreken, zonder hoogmoed, in diepe ootmoed, en in vast vertrouwen, wetende, dat zo de arbeid niet ijdel is in de Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.