+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

We zijn nog steeds bezig om met elkander na te gaan, wat er op de zondag, dat is op de „rustdag”, zoal te „doen” is. Dat is nog al wat. We moeten op de dag des Heeren offeren voor kerk en school. Want dat alles moet onderhouden worden. We moeten naarstig komen naar het huis des Heeren, om daar te luisteren naar het Woord des Heeren. En dan natuurlijk niet om het voor kennisgeving aan te nemen. Maar, ik neem aan dat jullie dit wel hebben begrepen. Want als we des Heeren Woord horen en niet doen, dan worden we door de Heere Zelf bij een dwaze bouwer vergeleken. Terwijl we, wanneer we het Woord des Heeren horen en ook doen, bij een wijze bouwer worden vergeleken. Het komt dus bij God altijd weer op „doen” aan. We moeten, om het nog eens met een woord van Jacobus te zeggen, niet alleen hoorders, maar ook daders des Woords zijn.

En nu moeten we ons maar niet achter onze dodelijke onmacht gaan verschuilen, om daarmede het gebod Gods krachteloos te maken, want dan maken we daardoor onze schuld nog groter, en ons „gericht en verdoemenis” nog des te zwaarder.

Dat we in een staat van geestelijk onvermogen verkeren en geen oor hebben om te horen en geen handen om iets aan te pakken, dat ligt niet aan de Heere, maar dat ligt enkel en alleen aan ons. Degenen, die door Gods Geest worden onderwezen uit het Woord, die gaan dit van ganser harte onderschrijven. Die geven niet God de schuld van hun doodstaat, maar ze geven zichzelf de schuld. Voor deze dingen is men natuurlijk niet te jong. Laatst ontving ik nog een brief van een „jeugdige” die mij schreef: Ik kom er hoe langer hoe meer achter, dominee, dat niet Adam, maar dat „ik” van God ben afgevallen. Een mens die alleen zijn verduisterd verstand laat werken, die geeft van „de val” Adam de schuld. Met geen ander doel, dan om de schuld van zichzelf af te schuiven. Doch als men door de H. Geest wordt onderwezen, dan gaat men de schuld naar zich toe halen. Ik hoop, beste vrienden, dat jullie dit ook zullen mogen doen. En zo je het nog nooit gedaan hebt, dat je het zult leren doen. Dan word je in de beleving, een arme zondaar voor God. En dat maakt het Evangelie zo rijk. Want daaruit wil de Heere in Zijn huis doen vernemen, dat nu juist voor dezulken de Heere Jezus gekomen is. Want die is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen tot bekering, maar zondaren. De Zoon des Mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, datgene wat verloren is. Lucas 19 : 10.

Als je werkelijk in de beleving een verloren zondaar geworden bent, en je hoort dan zulk een rijke heilstijding, dan is het haast niet te geloven. Het lijkt dan te groot, dat dit rijke woord voor zulk een zondaar bestemd zou zijn.

De Heere weet ook daarvan. En daarom worden in Zijn huis ook de sacramenten bediend.

Die zijn door God gegeven tot versterking van het geloof.

Het is niet de bedoeling om nu breed over de sacramenten te gaan schrijven. We halen het alleen maar aan, omdat de Heid. Cat. Z.38, daar ook van spreekt. De sacramenten moeten gebruikt worden. Daar heeft God ze voor gegeven. Dat geldt van beide sacramenten.

Zowel de H. Doop als het H. Avondmaal.

Hier zit in de praktijk van het leven heel wat scheef. Dat moeten we eerlijk durven te bekennen. De meesten hebben met het sacrament van de H. Doop niet de minste moeite. Wanneer de H. Doop aan de volwassenen moet worden toegediend, dan tilt men er nog wel éven zwaar aan. Maar als het het dopen van kinderen geldt, dan worden praktisch alle deuren wijd opengezet. En als dan het leven van de ouders niet „al te zeer” in strijd is met het Woord van God, dan kan de Doop plaats hebben. Wanneer echter het H. Avondmaal bediend moet worden, dan is het alleen maar voor „de ware gelovigen” en dan worden de maatstaven daarvoor weer extra gehanteerd. Daar willen we natuurlijk geen kwaad van zeggen. Want het moge waar zijn, dat men in vele gevallen al te gemakkelijk van de H. Doop gebruik maakt en ook al te gemakkelijk het H. Avondmaal links laat liggen, het is niet minder waar, dat men ook ter anderer zijde al te gemakkelijk naar de H. Avondmaalstafel gaat, op grond van de redenering: We zijn gedoopt, we hebben belijdenis des geloofs gedaan en nu moeten we naar het H. Avondmaal gaan.

En men gaat dan ook zonder meer, terwijl er in het leven van de zodanigen in de meeste gevallen nog nooit een wezenlijke Godsontmoeting heeft plaats gehad. Men „houdt het er alleen maar voor” dat het met het doen van belijdenis wel in orde is. Men komt er nooit aan toe om zichzelf eens eerlijk te onderzoeken voor het aangezicht des Heeren, of het werkelijk wel in orde is. En als men het doet, terwijl de H. Geest bij dat onderzoek de leiding niet heeft, dan blijft men op de formele lijn hangen en is men gauw klaar.

Als jullie dit nu allemaal goed hebben begrepen, dan zullen jullie mogelijk wel zeggen: Hoe moet het nu eigenlijk. Want zo maar dopen, dat gaat niet; en zo maar H. Avondmaal vieren, dat gaat ook niet. En de sacramenten zo maar ongebruikt laten, dat is al evenmin goed.

Ik begrijp, dat jullie het misschien nu wel een beetje moeilijk vinden. Ik moet jullie eerlijk bekennen, dat ik het zelf ook moeilijk vind, namelijk om een oplossing te vinden, die ons met rust laat. Want dat willen we wel graag. Ons luie vlees houdt er van om met rust gelaten te worden. En de duivel vindt dat ook het beste. Het kan hem weinig schelen of je vals gerust naar het H. Avondmaal gaat, dan wel of je rustig in de bank blijft zitten. Want degenen, die zo rustig naar het H. Avondmaal gaan, die bedriegen aan het eind zichzelf. Zij hebben in de Naam des Heeren gegeten en gedronken. En Hij zal zeggen: Ik heb u nooit gekend, omdat men nog nooit in der waarheid, als een arme zondaar, in de beleving, aan Zijn voeten heeft verkeerd.

Maar die zo rustig blijven zitten en een ander befitten, zijn er echt niet beter aan toe. Want de aangeboden heilsweldaden, die in de sacramenten zo rijk worden uitgestald, nl. vergeving der zonden door het bloed van de Heere Jezus Christus, worden door hen niet begeerd. In ongeloof laat men de aangeboden heilsweldaden rustig hggen. Dat is natuurlijk, goed doorgedacht, niet minder een verschrikkelijke zaak.

Zal het voor God in orde zijn, dan moeten we een echte gelovige zijn, om de sacramenten, zowel de H. Doop als het H. Avondmaal, te kunnen gebruiken op een Gode welbehagelijke wijze. Want zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen. Dat wordt wel eens al te veel vergeten. Men benadrukt het nog al eens, dat er echt geloof moet zijn.

Accoord! Maar als men dan zelf in het ongeloof leeft, geen geloof heeft, dan raakt men daar helemaal niet van onderste boven. En dat zou nu juist het geval moeten zijn. Het is zo: We kunnen onbekeerd de sacramenten niet gebruiken. We kunnen onbekeerd ook geen belijdenis doen. En, zegt één van jullie, als ik dan nog onbekeerd ben, moet ik dan maar niets doen? Rechtlijnig doorgeredeneerd zou je tot deze gedachte kunnen komen. Maar dan is deze gedachte ook weer verkeerd. Want we kvmnen ook onbekeerd niet leven.

Ik móet onder alle omstandigheden, altijd en overal bekeerd zijn. Ik heb tegenover God niet het recht om één ogenblik onbekeerd te zijn.

Stel je voor, dat ik daartoe wel het recht zou hebben. Dan zou de Heere geen recht hebben om mij, vanwege mijn onbekeerdheid, te straffen. Dan zou de onbekeerde kunnen zeggen: Ik heb het recht, ik heb daartoe vergunning gekregen, om onbekeerd te zijn. Dus niemand, zelfs God niet, kan mij iets doen.

Ja, zo zou het gelegen zijn, indien men het recht had om onbekeerd te zijn. Maar nogmaals, dat recht heeft niemand. We móeten bekeerd zijn. En als ik het dan toch niet ben, zegt nog iemand, hoe moet het dan? Dan moet je je voor alle dingen bekeren. En wat dan bij mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God. Als je het zelf niet kunt, de Heere kan het wel. Dat het jullie dan maar veel op de knieën zal mogen brengen met de bede: Heere, bekeer Gij mij, dan zal ik bekeerd zijn.

Heere, geef wat Gij eist - bekering - en eist dan wat Gij geeft. Dan zult Ge niet tevergeefs geëist hebben. Dan zal alles wat God werkt, juichen tot Zijn eer. Dan leer je, dat je om eigen schuld verloren ligt, en daarom voor eeuwig verloren gaat. En dat het nu alleen genade zal zijn, als je behouden wordt. En aan de zodanigen wil de Heere nu Zijn genade schenken. En dat bevestigt Hij nu door de sacramenten, die de gelovige gebruiker dat te verstaan geven.

Denk over deze dingen maar eens goed na. Het is een nuttige bezigheid in de vakantie. Ik moet nu weer ophouden. Tot de volgende keer. Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.